Gij weet het.
Wanneer in donk're dagen. Mijn hoop vervlogen schijnt ; Wanneer bij droevig klagen, 't Vertrouwen gansch verdwijnt. Maar toch, toch klinkt dan weder Uit mijn bedrukte ziel ; Als ik mij buig ter neder. Als 'k in de stilte kniel : „Gij weet toch of mijn klagen. Slechts was voor 's menschen oog ; Gij weet toch of 'k in 't vragen, Mijzelven steeds bedroog." Dan leg 'k mijn harte open, Voor Hem, Die alles weet; Durf 'k weer vertrouwen, hopen, Dat in mijn droevig leed ;
Ben 'k nimmer in mijn smeeken, Oprecht tot God gegaan ? " Dan woont slechts angst en vreezen. Slechts twijfel in het hart; Kan ik niet blijde wezen. Ga 'k voort in diepe smart.
Dan klimmen bange klachten, In mijne ziel omhoog ; Weerklinkt in lange nachten : „Kan 't zijn, dat 'k mij bedroog ? " „Heeft altijd dan mijn spreken, In leugentaal bestaan ?
Hij op Zijn tijd zal komen, En eind'loos mij verblijdt; Als ik word opgenomen, In Zijne heerlijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's