Stichtelijke overdenking.
„En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." Matth. 28 vers 20.
IK BEN MET ULIEDEN !
Toen eens een oude heidensche stad belegerd werd, spanden de inwoners een touw van hun tempel tot aan den stadsmuur, waarop de mannen streden die de stad verdedigden. Zij dachten dat zij dan onoverwinnelijk waren, als zij op deze wijze verband legden met de godheid die in den tempel woonde. Er moest gemeenschap zijn tusschen hun god en hun strijd, hun god en hun moeite en gevaar. Dan zou het goed gaan. Dan zouden zij overwinnen.
Is dat geloof dier heidenen ons niet tot beschaming ?
Wij zoeken het zonder God te doen en gevoelen geen behoefte aan den band tusschen het hemelsche heiligdom en onzen strijd, tusschen God en onze moeite. Als wij den Heere maar kenden in al onze wegen. Hij zou onze paden recht maken ! Maar nu ontbreekt bij ons van nature daar alles aan. Het is der menschen droeve neiging zonder God te leven het moeilijke gevaarlijke leven, zonder God den strijd te strijden. Het koord des gebeds wordt niet gespannen. Wij willen niet met den Heere zijn. Daarom spreekt de Heere Zelf in Zijn Woord : „Zij hebben Mij verlaten, den Springader des levenden waters en hebben zich bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden." Tegenover deze goddelooze neiging verdient het nu onze opmerkzaamheid dat één van de namen van den Heere Jezus is „God met ons", Immanuel. ofwel, de Heere Zelf heeft Hem dien naam gegeven, in de veronderstelling dat hij door menschen wordt uitgesproken. Niet: „God met u", maar : „God met ons." Welnu, twee zaken mogen hieruit onmiddellijk afgeleid worden. In de eerste plaats, God wil door Zijn Zoon met den mensch zijn, die van nature niet met Hem wil wezen. En in de tweede plaats, de Heere maakt het zóó, dat menschen met hart en mond uitspreken : God met ons. Het is hen tot verheuging des harten, tot kracht en troost, dat de Heere hen niet verlaat, maar met hen is, al gingen zij ook door een dal der schaduwen des doods.
In de hierboven geplaatste woorden belooft de Heere Jezus, onmiddellijk voor Zijn lieengaan, altijd met Zijn discipelen te zullen zijn. Hij noemt dan toch met andere woorden Zijn eigen Naam „God met ons." Immers van Zijn goddelijke macht had Hij gesproken als in één adem : „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Deze woorden maken de kracht uit van Zijn belofte : Ziet, Ik ben met ulieden.
Dan zal er dus een Almachtige aan hunne zijde staan, in staat om voor moeiten te bewaren, om kracht te geven waar alle kracht ontzinkt, om in den nood, zelfs bij het naderen van den dood, volkomen uitkomst te schenken.
Laat ons wel bedenken dat hier de Levens vorst spreekt, de Zaligmaker, Die opstond uit de dooden. Welk eene koninklijke macht 's Hem thans geschonken, als loon op Zijn arbeid I Hij staat gereed den troon Zijner lieerlijkheid te bestijgen, om te zitten aan de rechterhand des Vaders, opdat Hij Zich aldaar zou bewijzen als het Hoofd Zijner Kerk, door Wien de Vader alle dingen regeert. Wees er dus zeker van dat Hij Zijn macht gebruiken zal in overeenstemming met Zijn verlossingswerk ! Om de zonde en haar macht te breken ; om haar paal en perk te stellen, ja, om haar nog dienstbaar te stellen tot het doel dat Hij Zich voor de zaligheid Zijner Gemeente heeft voorgesteld ! Wanneer Hij spreekt van alle macht die Hem is gegeven, dan zal Hij die macht aanwenden om den zegen van Zijn verzoenend lijden en sterven zoo rijk en zoo heerlijk mogelijk te maken voor al de Zijnen ; om alle dingen nog te doen medewerken tot hun heil. Nietwaar, dan wil het nog al wat zeggen, als Hij belooft: „Ik ben met ulieden? " Mocht er maar veel op dezen Almachtigen Verlosser vertrouwd worden ! Wij zouden dan rustig „alle dingen" kunnen bezien. Wij zouden ons door de onrust der tijden niet laten verontrusten. Het woeste opbruisen van de zonde, het brallend ongeloof der wereld zou ons niet neerslachtig maken. Wij zouden het hoofd nog opheffen in het vertrouwen dat Hij, Die met ons is, sterker en meerder is dan allen die tegen ons zijn Dat vertrouwen echter kunnen wij zoo maar niet opnemen, en aandoen evenals een kleed dat voor ons klaar ligt. Het moet wortelen in ons persoonlijk zieleleven, in de zelfverbrijzeling, in de zelfverloochening. Als de Geest van den Almachtige in ons werkt, zullen wij lèeren'Vertrouwen op den Almachtigen Verlosser. Anders nóóit. Dan wordt alle steun prijsgegeven op al wat zichtbaar, tastbaar, denkbaar is. Wij zijn dan niet anders dan hulpelooze zondaren. Wij hebben geen macht dan ten kwade. Als krachteloozen zinken wij in onze ellende neer. Maar de Almachtige Verlosser redt onze ziel. Door Zijn verzoenend lijden en sterven kreeg Hij de zonde er onder; werd zij overwonnen, voor goed, voor eeuwig I
In dit geloof wortelt het vertrouwen op den machtigen Helper. Uit deze persoonlijke verlossing groeit dat vertrouwen op. En dan kan het wel eens zich rijk ontwikkelen en ontplooien, zoodat gezegd mag worden : ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, — noem maar wat gij wilt — ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.
„Ik ben met ulieden." Er ligt ook in aangewezen in welken weg de Heiland deze belofte zal waar maken. Immers de aangesprokenen zijn menschen die een zeer gewichtige taak ontvangen hebben: „Gaat dan henen, onderwijst al de volken", had de groote Zender tot hen gezegd, „dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ; leerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb". Een groote taak, nietwaar? Aan eenvoudige menschen op de schouderen gelegd. Zij vormden in vergelijking met „al de volken" maar een zeer kleine groep. Eenige eenvoudige visschers! Wat zouden zij vermogen tegenover een wereld die in het booze ligt? ... Als zij nu nog maar woorden zouden moeten spreken die naar den mensch waren, wel er ware verwachting dat zij ingang vinden zouden. Maar dat was zoo niet. Zij moesten verkondigen het Evangelie des Kruises, dat den Jood een ergernis, den Griek een dwaasheid is. Is het dan niet van veel beteekenis dat de Heere Zijn nabijheid hen belooft ? Laten dan de middelen gering, haast onbeteekenend zijn, een almachtige Verlosser van zondaren zal zijn kracht juist in dien weg willen openbaren.
„Ik ben met ulieden!" Dit beteekentdat Hij met hunne personen zal zijn, ook al zou hun werk niet gezegend worden. De Heere had het hen immers wel gezegd dat zij in steden, in vlekken zouden komen, waar hun woord niet ontvangen werd. Het zou hen en alle predikers des Evangelies wel eens kunnen overkomen dat al hun moeite tevergeefsch scheen. Wat zou dan al dat prediken helpen ? Het is enkel woorden verspillen. In plaats van zegen is er haat en afkeerigheid. Geen wonder zou het zijn als dan de predikers zeiden : laat ons maar ophouden met onzen nutteloozen arbeid...
Als Paulus en Silas in den binnensten kerker geworpen zijn, met bebloeden rug, zitten zij daar dan moedeloos neder ? Zeggen zij dan tot elkander : de Heere is niet met ons, gelijk Hij beloofd heeft? Wel neen, zij geven het klaarste bewijs dat de Heere wel met hen is. Zij zongen Gode lofzangen. Dan nog te kunnen zingen tot I eere van God I Dan nog te kunnen jubelen tot lof van den Heere ! Dat is alleen door Hem die in den bittersten tegenspoed met de Zijnen is, ook met de predikers van Zijn Evangelie, zoodat de moed hen niet ontzinkt Zij heffen het hoofd omhoog in het strijdperk van dit leven. Zou de nabijheid van den Heiland hen niet genoeg zijn, al zou er nimmer zegen op hun werk rusten ?
De Heere zou met zijn discipelen zijn, met allen die Zijn Evangelie prediken, tot aan de voleinding der wereld.
Met hunne personen ! Ook om hen voor hoogmoed te bewaren. Als er op éénen dag drie duizend bekeerd werden, moesten de predikers er voor bewaard worden dat zij zouden meenen dat dit was, wijl zij de juiste woorden hadden gekozen, wijl zij het zoo flink gezegd hadden. Het is toch wel opmerkelijk dat die eenvoudige predikers eenvoudig zijn gebleven, toen op het Pinksterfeest hun woord zoo insloeg. Van waar is het dat zij zich niet als echte volksmenners stelden aan het hoofd dezer nieuwe beweging? Zoo doet men toch in deze wereld. De Heere was met hen. Zij bleven daarom wat zij waren. In zich zelf nietige middelen. Het behaagde den Heere hen te gebruiken tot groote dingen. Maar zij zijn er zelf buiten gezet. Het was zooals bij de wóndervolle vischvangst. „Het is de Heere", zei de eene discipel tot den andere, toen hun vangst zoo goed was. Als het in onze dagen den predikers des Evangelies overkomen mag dat er nog zegen, veel zegen op hun werk rust, laten zij dan tot elkander zeggen: het is de Heere. Zij geven dan het bewijs dat de Heere met hen is, met hunne personen
„Ik ben met ulieden". Dit geldt zeker ook hun werk. Ook al gaat.er veel goed zaad verloren, dat op den weg valt of tusschen de doornen, de Heere zorgt toch ook dat er nog een toebereide, vruchtbare aarde is, opdat er nog veelvoudige vrucht zou zijn. Als Paulus het Evangelie verkondigde, opende de Heere het hart van Lydia. Een klaar bewijs dat de Heere Zijn belofte houdt. De discipelen moeten doopen in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Maar als een zondaar door het geloof de gemeenschap leert kennen van den Drieeenigen God, is het wijl de Heere Zijn belofte waar maakt: „Leerende hen onderhouden, alles wat Ik u geboden heb." De discipelen, de predikers des Evangelies, moesten anderen leeren wat de geboden van Jezus' liefde zijn ; wat het is te wandelen in Zijne voetstappen, wat het is, te zegenen die ons vloeken, te bidden voor degenen die ons geweld aandoen O, wat ziet men weinig van deze geboden ! Wie is ook tot deze dingen bekwaam ? Nochtans, het zijn geboden Zijner liefde. En de Almachtige Verlosser heeft ook hiervoor Zijn zegen beloofd : „Ik ben met ulieden." Deze belofte trekt Hij niet in. En als er door de macht des Geestes harten gebroken worden en tot verootmoediging geleid, zal ook de liefde voor Zijne geboden geboren worden, de lust om er naar te wandelen. En Zijn geboden zijn niet zwaar. Zou er met de kracht van den Almachtige iets te zwaar zijn ?
„Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld." Welk een verstrekkende belofte ! Zij beslaat alle eeuwen, totdat de Heere wederkomt. Hij heeft het bewezen, de eeuwen door, dat Hij Zijn belofte niet verbrak. Hij zal het bewijzen, zoolang als Zijn Woord hier op aarde is. Tot aan de voleinding der wereld ! Hij zal met Zijn Gemeente zijn, zoo zeker als Hij met Zijn Evangelie is. Hij is immers één geworden met Zijn Kerk. Zou die band ooit kunnen worden verbroken ? Zou het Hoofd gescheiden kunnen worden van de lidmaten ? Immers neen. Hij is één met de Zijnen. Hij zal zich ook één met hen betoonen I De goede Herder heeft gezegd : Ik geef hun het eeuwige leven ; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid ; en niemand zal ze uit Mijne hand rukken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's