De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest. Spreuken 28 : 14.

NIET VREEZEN EN TOCH VREEZEN.

Rijk vertroostend klinkt het 's Heeren Kerk tegen van menige bladzijde van Gods Woord : „Vreest niet".

„Vreest niet" zoo ruischte het eenmaal over Efrata's velden als aan bevende herders gebracht werd de boodschap van de groote blijdschap.

„Vreest niet" zoo sprak de engelenmond tot die vrouwen die op den Paaschmorgen in moedeloosheid toefden aan het ledige graf. „Vreest niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was."

„Vreest niet" zoo beluisteren we het van 's Heeren lippen als de zielen der Zijnen zich nederbuigen bij de gedachte aan zooveel gevaren en zooveel machtige vijanden, die zich plaatsen op hunnen pelgrimsweg. „Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is des Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven".

„Vreest niet", altijd weer „Vreest niet" Mag ik het niet noemen de hoofdsom van liet Evangelie voor het ontrust gemoed ?

Moet alle vrees'niet meer en meer wijken, naarmate de ziel alles, *alles vindt in haren Borg en Zaligmaker ?

Immers Johannes zegt het, dat de volmaakte liefde de vreeze buitensluit.

Maar is dan dat woord uit het boek der Spreuken, dat ge hierboven vindt afgedrukt, geen onbegrijpelijk woord ?

Is er geen duidelijke tegenspraak tusschen liet „Vreest niet" des Evangelies en het woord van onzen tekst ?

Het moge al zoo schijnen lezer, toch meer dan schijn is het niet. Want juist de mensch, die door genade vat kreeg aan dat troostvolle „Vreest niet", kent ook dat vreezen, waarvan de Spreukendichter spreekt. En die het diepst leerde kennen dat „geduriglijk vreezen" zal het heerlijkst den troost van het „Vreest niet" ervaren.

„Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest."

Maar geliefden, er is vrees en vrees. Er is velerlei vrees, waarin geen geluk wordt gevonden. Er zijn velerlei vreezenden, die geenszins zalig, maar veeleer diep beklagenswaardig, rampzalig zijn te noemen.

Er is een vrees, die door alle menschen  meerdere of mindere mate gekend wordt. Ze kan zich plotseling van-ons meester malden in duizend verschillende omstandigheden, als we gevoelen, dat onze krachten te kort schieten voor de taak, die we volbrengen moeten, als duizende gevaren ons omringen, als sombere wolken zich samentrekken boven ons bestaan ; als we zullen moeten scheiden, van wat ons dierbaar is ; als het ons krachtig wordt aangezegd, dat we straks zullen staan voor den rechterstoel des Almachtigen, Die te rein is van oogen om het kwade te aanschouwen. Die den schuldige niet onschuldig kan houden, maar een iegelijk vergelden zal naar zijn werk 0. dan vreezen we, met groote vreeze. En wie zou durven zeggen, dat zulk vreezen zalig is ; dat zulke vreezenden gelukkig zijn te noemen ?

Immers Integendeel. Zulke vrees versombert ons leven. Zuke vrees is smartelijk.

En is dat wel wonder ? Kan dat anders ? Immers neen ? Want in den diepsten grond is toch alle vrees een vrucht der zonde.

Eens was er een tijd, dat het woord vrees onbekend was op aarde. Het was in den morgenstond der schepping toen de mensch, rein en naar Gods beeld geschapen, leefde uit de hand zijns Gods in Eden's hof.

Toen was er harmonie tusschen hemel en aarde. De mensch hoorde de stemme Zijns Heeren in het ruischen der boomen en hij vreesde niet.

Wat zou hij ook vreezen ? De Heere was Zijn God. En zoo God voor ons is, wie zal er tegen ons zijn ?

Maar straks na 't schrikkelijk gebeuren van zijnen val, straks als hij overtrad Zijns Scheppers gebod, dan vreesde hij, als de stemme Gods tot hem kwam.

Adam zelf antwoordde immers op dat: „Waar zijt gij ? " des Heeren Ik hoorde Uwe stem in den hof, en ik vreesde.

De vrees vrucht der zonde. En waar de zonde is doorgegaan tot alle menschen, is hare vrucht haar gevolgd, heftig beroerend de levenswateren van de kinderen der menschen.

Neen... niet zalig is te noemen, de mensch die zóó vreest. In onzen tekst wordt gesproken van een mensch.

En daarom geldt ook van hem : den Heere verlaten. Want van wien der menschen sinds Adam's val geldt het niet: In zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren ?

Daar is immers naar 's Heeren eigen woord : Niemand rechtvaardig, ook niet | een, daar is niemand, die verstandig is, daar is niemand, die God zoekt; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand, die goed doet, daar is ook niet tot één toe.

Dit alles geldt ook van den mensch van onzen tekst : omdat hij mensch is. En toch lezer, van hem kan meer nog gezegd worden.

Let eens op 't verband van ons tekstwoord „Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest" en dan volgt er : „maar die zijn hart verhardt, zal in het kwade vallen."

Deze mensch die vreest, staat dus tegenover dien andere, die zijn hart verhardt. Een verharder van zijn hart is hij dus niet. Maar dat zijn ook alle menschen van nature. Er is dus iets, waarin deze mensch van anderen onderscheiden is. En waarin dan ? Hierin, dat hij wel van God is afgevallen. maar ook van Hem is opgezocht; opgezocht en gevonden, zoodat hij zijn zonden mocht bekennen en belijden : opgezocht en gevon-; den om zich met smeekingen en gebeden te wenden tot Gods troon. We mogen het daar-| om zeggen : Er wordt in onzen tekst gesproken van een kind des Heeren. De vrees, die bedoeld wordt is vreeze in 't leven van het kindschap Gods. !

Maar lezer : ligt hier juist niet de moeilijkheid ? 

Zullen zij dan ook nog vreezen, die het weten, wat het zeggen wil : van den Heere gevonden en in Christus met Hem verzoend te zijn ?

Geldt juist hen niet, dat zalige „Vreest niet" uit 's Heeren mond ?

Is voor hen de oorzaak der vreeze niet weggenomen, als de zonden zijn verzoend en de schuld is betaald ?

O zeker, die uit ware zondaarsbehoefte leerden vluchten tot den Heere Jezus Christus en Hem vonden als den Heiland der ziele hebben niet ontvangen den Geest der dienst baarheid wederom tot vreeze, maar den ' Geest der aanneming tot kinderen, door welken zij roepen : abba Vader.

Zij hebben de belofte, dat niets hen zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus. Zij mogen 't bij oogenblikken zalig ervaren : Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ; en 't daarom den psalmist wel nagezongen : al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zoude geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij ; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

Neen, zoo is 't niet altoos. Die heilige onbevreesdheid wordt maar bij oogenblikken gekend. Zoo menigmaal is er geen doorgang voor het gebed, geen gezicht op den Borg en een hart vol vuile zonden. Dan is het angst en benauwdheid van alle kanten. In twijfelmoedigheid wordt uitgeroepen : Heeft de Heere vergeten genadig te zijn. En 't is bange vrees, die met 't oog op al die machtige vijanden, die aandringen, doet klagen : Ik zal zeker nog een dezer dagen omkomen.'

O, nog zoo menigmaal woont vrees in 't herboren hart.

Vrees, die er niet zijn moest. Vrees, die er niet zijn zou als de Borg maar levend was voor 't zielsbesef.

Neen, om die vrees wordt de mensch niet zalig gesproken.

En daarom, 't is ook niet die vrees, die in onzen tekst bedoeld wordt.

Maar 't is een vrees, die er zijn moet, omdat het leven door den Geest gewekt zulk een teeder leven is, een leven dat door de aanraking met de zonde zoo lichtelijk wordt gestoord.

'T is een vrees, die er zijn moet, omdat de Heere zoo heilig is, de wereld zoo vol verleiding, en het eigen hart zoo arglistig.

Het kan niet anders, waar genade in het hart is uitgestort, moet steeds gevonden worden : eerbied en ontzag voor den heiligen God, Die heerlijk is in Zijne majesteit en geducht in den raad Zijner heiligen.

Zal het wel zijn, dan moet uit het beweldadigd harte immer gehoord worden : Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen.

En daarom zij er steeds een heilige vreeze bij de Zijnen, als de Heere zich tot hen nederbuigt met de blijken Zijner gunst. De Heere duldt bij Zijn kinderen niet die onheilige gemeenzaamheid met het heilige. Waar die wordt gevonden, verbergt Hij Zijn aangezicht. En waar de Heere Zijn aangezicht verbergt, daar is geen leven, maar de dood.

Vreeze, heilige vreeze worde er altoos gevonden in 't harte van Gods kinderen, wanneer de Heere, de Heilige zich openbaart,

Vreeze, heilige vreeze, waardoor het verstaan wordt, dat Jacob uitriep, toe de Heere Zich aan Hem openbaarde bij Bethel : Hoe vreeselijk is deze plaats om het daarna met hem jubelend te belijden : Dat is niet dan een huis Gods en dit is de poort des hemels.

Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest.

Waar genade woont in 't hart, daar wordt het genoten, dat het leven, door de Geest in zondaarsharten gewekt, een teeder leven is, dat lichtelijk gestoord wordt, door alles, wat niet is naar de meening van dien Geest.

Daarom zal er ook zijn een vreezen voor alles, wat van God aftrekt; een vreezen voor de zonde.

Dat is de vrees die terug houdt van het kwaad en den mensch doet naspreken wat Jozef uitsprak, als de zonde met kracht op hem aandrong : Zou ik zulk een groot , kwaad doen, en zondigen tegen God ?

Die vrees doet vlieden alle plaatsen en gelegenheden, waar de wereld lokt, de wereld, die zoo listig is in 't bedenken der middelen om Gods kinderen af te trekken van den weg des levens. De gevaren, die ons bedreigen, zijn zoo velen. Van alle kanten omringen ze ons. Dat het dagelijksch gebed van allen, die God vreezen maar zijn moge : Houdt Gij Heere, mijn handen beide met kracht omvat.

Maar niet alleen van buiten dreigen de gevaren, ook van binnen zijn ze voortdurend aanwezig. Immers ook na ontvangene genade blijft de zonde met de vreeze Gods wonen in 't zelfde hart. Wie zal zijn eigen hart doorgronden, dat hart zoo vol arglistigheid — zoo moest de psalmist uitroepen.

En allen, die bij 't licht des Geestes in dat arglistige hart een blik leerden slaan, zeggen het hem zoo van harte na.

Daarom zij er bij alle Gods kinderen een voortdurend vreezen voor 't eigen hart, met het dagelijksch gebed : Neem Gij Heere dat hart, en voeg het saam, tot de vreeze van Uwen Naam.

„Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest."

Ziet ge wel lezer, geduriglijk. Niet nu en dan eens, " maar geduriglijk ; altoos en altoos weer ; ten allen tijde en in alle omstandigheden.

Vreezen, op het terrein des dagelijkschen levens, omdat daar alles ons aftrekt; maar vreezen ook in de stille eenzaamheid als we alleen zijn met ons hart, die vuile bron van ongerechtigheden.

Vreezen, als 't ons uiterlijk zoo goed gaat omdat het zoo lichtelijk komt tot het: Ziet het trotsche Babel, dat ik gebouwd heb.

Vreezen, ook als 't ons tegenloopt, omdat we dan zoo gemakkelijk murmureeren.

Vreezen, als de Heere 't wel komt maken met de ziel, opdat we ons op de uitnemendheid der genade niet verheffen ; vreezen ook als 't donker is voor 't zielsoog, opdat de satan het zaad des ongeloofs niet uitstrooie in den akker des harten.

Van dat geduriglijk vreezen, spreekt daar ook een Petrus niet van als hij vermaant: Zoo wandelt in vreeze al den tijd uwer inwoning en Paulus als hij schrijft aan de gemeente van Corinthe : Dewijl wij aan deze belofte hebben geliefden Iaat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des Geestes. Voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods.

Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest.

Ja zalig, die zoo mag vreezen, want 't is een vreezen der liefde, een vreezen der liefde van de ziel, die den Heere liefheeft, omdat Hij haar het eerst heeft liefgehad.

Mogen we dit woord niet schrijven boven dat teedere leven, dat door den Geest wordt gewekt ?

Is het niet waar lezer, dat er geen tegenspraak is tusschen dit woord en het „Vreest niet" des Heeren ?

Is het niet waar, dat beide : vreezen en niet vreezen zich oplossen in de heerlijke eenheid van het leven des geloofs ?

Naarmate we meer vreezen voor alles, wat van God aftrekt, omdat we 't verstaan : 't gaat om de eere Gods, naar die mate zal ook het „Vreest niet" meer worden tot verkwikking en vertroosting, tot den rijkdom des harten.

Kent gij lezer, dat vreezen ? O zalig die 't kennen mag.

Want het is openbaring van het leven van de kinderen Gods.

Hebt ge nooit gevreesd voor de zonde en de wereld?

Weet ge niet, wat ge in haar te vreezen hebt? Weet ge niet dat ze uwe vijanden zijn, die het aanleggen op uw eeuwig verderf?

Dat ge nog vreezen leerdet in 't heden der genade, omdat de schuld zoo zwaar is, omdat ge des doods schuldig zijt naar 't heilig recht Gods. Vreezen omdat er nergens uitkomst is.

Dan is er hope. Aan Golgotha's kruis klonk het van stervende lippen : Het is volbracht, en daarom ruischt het tegen aan alle benauwde zielen om der zonde wille : Vreest niet.

Vreest niet gij allen, die met de hand des geloofs, den Heere Jezus mocht vastgrijpen. Hij zegt het: Ik heb de wereld overwonnen. Niemand zal de mijnen uit mijne handen kunnen uitrukken.

Vreest niet, en toch vreest geduriglijk, want de weg des geloofs is een nauwe weg. Het leven der genade door Gods Geest gewekt is een teeder leven.

Vreest niet, en toch vreest geduriglijk. Het gaat om de eere van uws Konings naam

Eens komt het uur dat ook die vrees zal eindigen.

Want in 't Jeruzalem daar boven is niets dat aftrekt; geen enkele macht, die zich tegen-den Heere kan verheffen.

Daar zal niet gezegd worden : Vreest...

Daar zal ook niet meer gehoord worden : Vreest niet.

Daar is niets te vreezen en daar wordt niets gevreesd.

Daar is de Heere alles in allen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's