De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

20 minuten leestijd

Voor de a.s. Classicale Vergadering.

Woensdag 30 Juni a.s. zullen door héél ons land de Classicale Vergaderingen gehouden worden, waar alle afgevaardigden, zoowel predikanten als ouderlingen dit jaar vooral, zonder uitzondering heen moeten gaan. De zaken welke ditmaal op de agenda staan zijn te belangrijk, dan dat iemand zou mogen zeggen : „ik zal maar thuisblijven". Héél kort willen we nog even die agenda bespreken. Misschien dat van hen die straks ter vergadering gaan er wel zijn die aan dit woord wat hebben. Met die bedoeling althans wordt het geschreven. We volgen de agenda door de Synode opgemaakt ; en dan krijgen we eerst (No. 521 I.) een voorstel tot wijziging van art. 5 al. 4 van het Algem. Reglement, welke wijziging bedoelt den eisch weg te nemen, dat men, om tot lid van het Prov. Kerkbestuur bonoemd te kunnen worden, lid van het Classicaal Bestuur moet zijn of geweest zijn. Bedoeld artikel zou dan voortaan aldus gelezen moeten worden : „Tot leden van het Prov. Kerkbestuur zijn benoembaar predikanten, ouderlingen en oud-ouderiingen". We nemen hier aanstonds bij het 2de punt van de Synodale agenda (No. 521. IL), waarmee bedoeld wordt de bepaling weg te nemen, dat men, om benoembaar te zijn tot lid van de Synode, lid of secundus-Iid van het Prov. Kerkbestuur of lid van het Classicaal Bestuur moet zijn of geweest zijn. Men voelt, dat deze twee wijzigingen bedoelen om de keuze voor de hoogere besturen wat ruimer en gemakkelijker te maken, door niet meer als voorwaarde te stellen, 'dat men eerst alle besturen moet hebben doorloopen om in een volgend bestuur zitting te kunnen nemen.

Wij adviseeren om deze beide reglementswijzigingen aan te nemen en zich door alle mogelijke en onmogelijke redeneeringen daar niet van te laten afbrengen. Die zoogenaamde „getrapte" verkiezingen hebben onze Kerk héél wat kwaad gedaan en er is groote behoefte aan frissche krachten in de hoogere besturen, die we op deze wijze krijgen kunnen. We stemmen dus vóór het 1ste en vóór het 2de punt van de Agenda.

Dan krijgen we het 3de punt (No. 521. III.) waar we ook voor stemmen ; om in bijzondere gevallen het mogelijk te maken de Class. Vergadering in een andere plaats te doen houden, dan in de hoofdplaats der classe. Waar men 't gemakkelijkst komen kan lijkt ons altijd de beste vergaderplaats, en dat is niet altijd de z.g.n. hoofdplaats der classe.

Niet over praten dus — maar vóór stemmen.

Dan komt punt 4 van de agenda (No. 521. IV) handelend over de „Groote Synode". Hier wordt voorgesteld : de leden der Synode te doen verkiezen door de Class. Vergaderingen ; en wel zóó, dat de 44 Class. Vergaderingen benevens de Waalsche Com missie ieder één lid afvaardigen naar de Synode, welke dan zal worden saamgesteld uit 45 leden, zijnde 30 pred. en 15 ouderlingen. We zouden zeggen : vóór alle dingen moeten we een grootere Synode hebben welke veel meer dan nu een vertegenwoordiging is van de Kerk in haar geheel.

En als nu elke Class. Vergadering straks één lid zal aanwijzen (waarbij de Waalsche Commissie V45 van alles krijgt, wat rechtvaardiger is dan ^/^Q te hebben, zooals nu!) dan komt dat.We mogen dan ook verwachte, dat veel meer in de Synode zal behandeld worden, wat in de Kerk leeft. En dat moeten we hebben.

Van het voorstel der modernen — die doodsbenauwd zijn voor bovenbedoelde wijziging — om de leden der Synode door de individueele leden der Kerk te laten kiezen, moeten we niets hebben, daar dat een ontwrichten is van ons kerkelijk leven.

Onze Herv. Kerk bestaat niet uit zooveel duizend of zooveel millioenen leden, maar onze Herv. Kerk bestaat uit zooveel gemeenten. We moeten niet hebben hét algemeen kiesrecht naar het model van den Staat. De Kerk moet zich zelf, door hare kerkelijke vergaderingen regeeren. En daarom — hoewel het nog niet ons ideaal is — zullen we ook voor dit artikel van de „groo_ te Synode" stemmen, vast geloovende, dat we zóó dichter bij ons ideaal zullen komen, waarvan de lijnen getrokken zijn, naar uitwijzen van de Schrift, in de Dordtsche Kerkorde.

Natuurlijk kunnen hier allerlei bezwaren worden ingebracht, maar de tegenwoordige regeling is zóó ellendig slecht, dat wij het betere gaarne met beide handen aangrijpen, ook al is het dan nog niet wat we wel wenschen zouden.

Daarom adviseeren we, om als één man voor het 4de punt van de agenda — wijziging van art. 56 enz. Algem. Regl. — te stemmen.

Wij gelooven, dat er dan een heel andere wind zal gaan waaien in onze Kerk, als deze wijziging in de wet zal zijn aangebracht. En daar hebben we behoefte aan !

Punt 5 van de Agenda bedoelt de eindstemming door de leden der Prov. Kerkbesturen (het veto-recht) af te schaffen.

Als de Kerk zelf, eerst door de Prov. Kerkbesturen en dan door middel van de Classicale Vergaderingen, over een voorstel van de Synode gedacht e geadviseerd heeft, dan moet ten slotte de Synode de eindbeslissing hebben. Waarom dan nog weer eens de eind-eindstemming in handen gelegd moet worden van de leden der Prov. Kerkbesturen, wier neuzen dan geteld worden, is ons nooit recht duidelijk geweest. Of liever, het is ons wel duidelijk ; maar daarom juist zijn wij er voor, dat het zoo spoedig mogelijk tot het verleden gaat behooren. Vooral ook, omdat de eind-eindstemming van de leden der Prov. Kerkbesturen (die dan als vóór-en tegenstemmers over heel het land in twee klassen bij elkaar geteld worden) plaats heeft, zonder dat de Kerk ooit iets van de motieven der vóórof der tegenstemmers hoort. Zulks is toch eigenlijk te zot om langer bestendigd te worden. ""

We zullen dus voor het eerste deel van dit 5de voorstel (wijziging van art. 62 Algem. Regl.) stemmen en ook voor het tweede deel (wijziging van de Slotbepaling van het Algem. Regl.) stemmen, omdat we van oordeel zijn, dat reglementswijziging, ook van het Algem. Reglement (waarin toch niet alleen de hoofdbeginselen voor onze Kerkregeering, maar ook zoo héél veel huishoudelijke en minder gewichtige bepalingen voorkomen !) geschieden moet met meerderheid van stemmen in de Synode. Daarvoor tweederde der stemmen te eischen achten we volstrekt niet noodig, ja, zéér belemmerend om eenige wijziging tot stand te brengen.

We zullen dus voor het 5de voorstel stem men ; eerst voor het 1ste deel en dan voor het 2de deel.

Punt 6 van de agenda geeft heel iets anders en bedoelt om de wettig erkende inrichtingen van Hooger Onderwijs in het binnen-en in het buitenland op gelijken voet te behandelen, met het oog op predikanten b.v. die tot onze Herv. Kerk overkomen. Waar men in de practijk met den modern geworden dr. H. Jansen, eertijds Geref. pred te Eindhoven, de candidaatsbul van de Vrije Universiteit feitelijk erkend heeft, daar verdient het alle aanbeveling, dat men deze wetswijziging nu aanneemt. De wettig erkende inrichtingen van Hooger Onderwijs in het binnenland (Vrije Universiteit en Theol. School) zijn niet minder in waarde dan de wettig erkende inrichtingen van H.O. in het buitenland en daarom adviseeren we om voor dit voorstel te stemmen.

De agenda volgend komen we nu aan punt 7 Reglement op de Kerkvisitatie. Geruimen tijd geleden hebben we getracht om over de Kerkvisitatie in het algemeen en dit Reglement in het bizonder te schrijven. Helaas is door allerlei omstandigheden dat laatste blijve zitten. We hebben alleen, na over de Kerkvisitatie zelve eenige artikelen geschreven te hebben, een begin gemaakt met de bespreking van de onderscheiden artikelen (23 in getal) van het nieuwe wetsontwerp, maar we zijn toen bij dat begin gebleven. Natuurlijk kunnen we er nu niet aan denken om dit nieuwe reglement hier in alle onderdeden te behandelen. Laat ons alleen de hoofdzaken meedeelen :

De Synode wil door een betere regeling de Kerkvisitatie méér doen beantwoorden aan haar doel. Zij handhaaft de schriftelijke en de persoonlijke Kerkvisitatie, maar maakt tusschen beide nog al een belangrijk onderscheid. De schriftelijke, om de 2 jaar te houden, vraagt aan de hand van vastgestelde tabellen (die door de Synode kunnen worden aangevuld met vragen over bepaalde onderwerpen) statistische gegevens, om zoo een algemeen overzicht over den staat der Kerk te verkrijgen. De persoonlijke Kerkvisitatie draagt het karakter van broederlijke samenspreking over de belangen der gemeenten, ten einde te dienen van raad en voorlichting, om zoo verkeerdheden weg te nemen en den arbeid in de gemeenten te bevorderen. Déze visitatie is daarom niet gebonden aan bepaalde tabellen. Ze moet volkomen vrij zijn en worden aangepast aan de behoeften en toestanden der gemeenten. Zij is ook niet gebonden aan een bepaalden tijd, zoodat Kerkvisitatoren niet meer binnen een paar weken alle gemeenten moeten afreizen en slechts een vluchtig, oppervlakkig onderzoek kunnen doen ; als de gemeenten maar ten minste éénmaal in de vijf jaren bezocht worden. Voor dit werk worden niet meer aangewezen de leden der Classicale Besturen als zoodanig, maar eenige der meest bekwame en geachte mannen in iedere Provincie, door het Provinciaal Kerkbestuur uit aanbevelingen der Class. Besturen te benoemen.

Voor deze dingen voelen we véél; en in zooverre vinden we het nieuwe Reglemenl te verkiezen boven het oude.

De Kerkvisitatoren moeten niet als speurhonden noch als hoogwaardigheidsbekleeders komen, maar het moet een broederlijk bezoek zijn, met de bedoeling om op elkander als leden van één en hetzelfde lichaam acht te geven, waarbij het gaan moet om de eere Gods en den welstand der gemeente

Maar hoe zal dat in onze Herv. Kerk gaan? Is er ook hier geen richtingskwestie die naar voren komt, vooral de kwestie rechtzinnig of modern ? Vraagt ook hier het kerkelijk vraagstuk weer niet om oplossing? Want zal het bij het broederlijk bezoek waarlijk gaan om de eere Gods en den welstand der gemeenten, dan zal er ook een onderzoek moeten worden ingesteld, naar de bediening des Woords en der sacramenten ; naar de zuiverheid der leer bij predikanten en ouderlingen, benevens of „alle goede gerechtigheid in de Gemeenten Gods onderhouden wordt" ; of, zooals art. 44 van de Dordtsche Kerkorde zegt : „toe te zien of Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen en blijven bij de zuiverheid der leer" (zie ook de visitatie reglementen van 1822 en van 1858.)

Art. 11 van het nieuwe reglement zegt daaromtrent: „Inzonderheid stellen de Kerk visitatoren, zich op de hoogte van het kerkelljk-godsdienstig leven. Godsdienstonderwijs, de armenverzorging, het zedelijk leven", waarvoor dan in Tabel A en B allerlei vragen gegeven worden.

Op één van die vragen willen we wijzen en wel Tabel B. onder letter f. nummer 8. „verlangt iemand iets op te merken óver de belijdenis, de ambtsvervulling en den wandel zijner medeleden". Daarvan wordt in art. 11 van het nieuwe reglement niet gesproken, hoewel het in art. 2 onder letter e. in het oude Reglement wel speciaal als het doel van de visitatie genoemd wordt (zie ook het oude Regl. art. 7. D. 3e ; en Tabel D. voor de Kerkvisitatoren onder 4.). Dat vinden we geen voordeel van het nieuwe reglement. Maar de belijdeniskwestie is er toch niet uit weggevallen en in zooverre blijft ze èn bij de schriftelijke èn bij de persoonlijke visitatie aan de orde in onze Herv. Kerk met haar belijdend karakter.

Hoewel we ook deze belangrijke aangelegenheid v/el wat ènders zouden willen zien geregeld, gelooven we toch, dat het verstandig zal zijn voor het nieuwe Regl. te stemmen.

De keuze van de Kerkvisitatoren, alsook dat om de 2 jaar de schriftelijke en ééns in de 5 jaar de persoonlijke visitatie zal plaats hebben, benevens de bedoeling om het bezoek te doen zijn in den geest van broederlijke samenspreking pleiten voor het nieuwe boven het oude.

Aannemen dus.

Als 8ste punt op de agenda prijkt een nieuw Reglement op het beheer ; 't zelfde dat ook in 1914 door de Synode voorloopig is aangenomen en in 1915 op de Classicale Vergaderingen is behandeld. Waren er toen tegen, ook nu zullen we hopen, dat het op de Class. Vergaderingen verworpen wordt. En wel hierom, omdat we niet gaarne zouden zien, dat heel de regeling van 't beheer der kerkelijke goederen in handen van de Synode komt. Hoezeer het naar den eisch van ons gereformeerd beginsel is, dat beheer en bestuur niet gescheiden zijn en blijven, zooals dat nu het geval is (Kerkeraad en Kerkvoogdij moeten niet los van elkaar — dikwijls zelfs tegenover elkaar — staan), zoo zouden we het een ramp voor onze Kerk vinden, als dit nieuwe Reglement werd aangenomen, daar dan de Synodale banden zoo danig versterkt worden en de Synodale macht zóó zeer uitgebreid, dat er voor de toekomst nóg minder hoop over blijft, dat onze Kerk van de Synodale organisatie nog eens zal worden bevrijd.

En daarom, wij willen, als Gereformeerden, óók een andere regeling van bestuur en beheer ; maar we laten ons niet verleiden om vóór dit Reglement te stemmen, daar we dan van den wal in de sloot komen.

Wanneer men dus op onze Class. Vergadering breed misschien zal uitweiden over de verkeerde practijken van de Kerkvoogden hier en van de Kerkvoogden daar, dan zullen we gaarne meedoen in 't geen mogelijk is om misstanden op te ruimen ; maar, door die misstanden laten we ons tot geen prijs er toe brengen, om de regeling van het beheer in handen te geven van de Synode. Het laatste zou veel, véél erger zijn dan het eerste ; daar we dan gingen meewerken om de Synodale hand nóg machtiger en de Synodale band nóg sterker te maken, dan nu reeds 't geval is.

We stemmen dus als één man tegen, op principiëele gronden. We moeten eerst een gansch andere bestuursregeling hebben, waarbij de autonomie der gemeente uitkomt; dan zullen we ook gaarne meewerken om, met behoud van de zelfstandigheid en de vrijheid der Gemeenten, een nieuwe beheersregeling te krijgen, en daarin bestuur en beheer dan liefst zoo dicht mogelijk bij elkaar brengen.

Waar vooral de modernen warm voelen voor dit nieuwe Reglement — sedert 1896 het stokpaardje van Prof. Cannegieter — daar zijn wij er principieel tegen. En juist omdat het hier een principiëele kwestie geldt en het met onze diep gefundeerde overtui ging aangaande de Synodale organisatie van 1816 samenhangt, zullen we ook niet ter vergadering over de onderdeden van dit Reglement gaan spreken, maar we zullen als principieel protest tegen stemmen, gelijk sinds 1875 in onze kringen nooit anders is geadviseerd.

En zoo zouden we aan het eind van de agenda zijn, ware het niet, dat een aanvulling ons nog is toegezonden onder No. 1630 d.d. 23 April 1920 en wel het Reglement op de predikantstractementen.

Dat is een heel stuk ; en een knap stuk. We brengen hier gaarne aan de opstellers hulde. Maar, men kent ons gevoelen in deze, wij hebben er bezwaar tegen, dat de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente wordt aangetast en ook hier de Synode haantje de voorste wordt. Men leze hierbij eens even de toelichting welke de Synode zelve geeft (blz. 14 enz.) Daar staat op blz. 14 „Het hier aangeboden Reglement op de predikantstractementen gaat uit van de volgende beginselen : Ie. de regeling van de tractementen berust bij de Kerk en niet meer bij de gemeenten enz."Als we dat lezen hebben we al genoeg. Want daar kan een moderne en een ethische wel mee meegaan, maar een gereformeerde voelt hier direct, dat het gereformeerd beginsel hier geweld aangedaan wordt.

Op grond van de Schrift en naar uitwijzen van onze aloude kerkrechtelijke beginselen laten we het niet toe, dat de plaatselijke Kerk hier eenvoudig opgelost wordt in het geheel, waarover de Syode dan de ailesregelende en alles bevelende macht is. Al komt men dan met nog zulke verrukkelijk schoone voorstellen — die financieel o ! zoo veel beloven - dan willen we er toch op die voorwaarde niets van weten. Steken we ons hoofd in dézen strop, dan zijn we verloren ; en ook voor de oplossing van het kerkelijk vraagstuk in gereformeerden zin blijft er dan weinig hoop over. Wij twijfelen niet, of, als men eens nuchter over deze dingen denkt, dan zal men het ook in deze met ons ééns zijn en met ons tegen stemmen.

Ook omdat op practische gronden dit reglement toch onuitvoerbaar is. Of gelooft men werkelijk, dat de Synode er voor zorgen kan — desnoods buiten de kerkeraden en de kerkvoogdijen om — dat er in onze Herv. Kerk 6 millioen per jaar bijeengebracht wordt? Heeft de geschiedenis niet bewezen, dat alles wat door Synodale handen aangepakt wordt op finantieel gebied een mislukking wordt ? Waar zijn de Synodale fondsen, die niet door bloedarmoede dood zijn of op sterven na dood zijn ? En verwacht men dan nu dat de Synodale tooverstok 6 millioen per jaar zal doen te voorschijn komen ?

En dan de administratieve rompslomp wel ke op deze wijze — waar de Synode één en al is en desnoods de gemeenten in haar organen zal gepasseerd worden (zooals ds. Boer reeds schreef in de N. R, Ct. in verweer tegenover ds. Hoog) — een reuzenomvang zal moeten hebben vóór dat er nog één cent ontvangen is ! Dat moet een mislukking worden en daarbij zal de raming, welke gemaakt is, met duizenden en duizenden overschreden worden, (of heeft de distributie-tijd ons in deze nog niets geleerd ? )

Waarbij het zeer de ^raag is, of de predikantsgezinnen er. een cent van zullen ontvangen l

Of het voorstel dan niet mooi is ?

O, 't is prachtig. Net zoo prachtig als het is, dat wij, predikanten straks allemaal met vacantie gaan en dan ieder ƒ 1000 vacantiegeld krijgen, als er maar een paar duizend menschen zijn, die er ieder ƒ 1000 gulden voor over hebben om ons eens een prettigen rusttijd te geven. Prachtig niet waar ? Maar ik vrees, dat we zonder ƒ 1000 op reis zullen moeten gaan. Of — wat ook mogelijk is — stilletjes thuis moeten blijven ; ook zonder ƒ 1000.

Maar wat dan, hooren we vragen.

Is de nood in de pastorieën dan niet groot ? Moet er dan niet geholpen worden ? Zwijg, zwijg stil hier over. Wij weten óok wel dat het vreesdijk is. Zóó vreeselij k, dat het niet langer uit te houden is ; en de Kerk —en ons volk — hierdoor straks onberekenbare schade zal oploopen.

Dat moet onder de oogen gezien worden. Dat mag zoo niet langer voortduren.

Met Gods Woord in de hand vragen we een behoorlijk loon voor de dienstknechten, die in Zijn wijngaard werken. En we kunnen niet wachten, geen dag, geen uur - zóó groot is maar al te vaak de zorg in de pastorie ; zóó vreesdijk is maar al te dikwijls de toestand in het predikantsgezin.

Maar dat moet plaatselijk besproken en plaatselijk geregeld worden. Kerkvoogdij en Kerkeraad moeten hier samenwerken. De Gemeente moet weten wat er noodig is. En daarbij moet Classicaal gevoeld worden, dat we ook elkanders leden zijn.

Laat ook hier, bij deze stoffelijke zaak, ons beginsel niet verloren gaan. Laten hier de ambtsdragers (ouderlingen en diakenen) voelen wat ze voor God verplicht zijn, om in deze te doen. Laten de Kerkvoogden opwaken ; laat de Gemeente in beweging komen. Dan zijn we ten minste waar we wezen moeten. En als naar Gods ordinantie, naar uitwijzen van Gods Woord, mag worden gehandeld, dan zullen we óok ervaren, dat de Heere een helper in den nood is.

En die dan in dezen bijbdschen weg halsstarrig en onwilig is, niet begeerende om te doen wat de hand vindt om te doen, tot in standhoudig van den eeredienst, die moet dan ook de straf der Kerk ervaren. Hier moet geholpen worden, om des Heeren wil, Die daartoe ons roept en vermaant in Zijn heilig en dierbaar Woord.

Natuurlijk zullen er arme en rijke gemeenten zijn en blijven dan. In die historie is óok dikwijls duidelijk Gods hand te zien. Maar al zal het tractement dan in de eene gemeente kleiner zijn dan in een andere, de eisch der broederlijke liefde is niet, dat dan de vlij tige gemeente werken zal voor de luie en ook niet dat een rijke gemeente alles maar weg geven zal aan een gemeente die arm heet of is — maar wel, dat de een de ander trouw bijstaat waar het noodig is.

Hier kan de Ring veel doen. Ook de Classis heeft hier een taak. Maar in principe blijve gemeentelijk wat tot het leven der gemeente hoort. Souvereiniteit in eigen kring 1

Natuurlijk dat dan flink aangepakt moet worden. Met mooie woorden komen we er hier niet. Er zal gerekend, geregeld, gewerkt en betaald moeten worden. Maar dat moet volgens het door de Synode nu voorloopig aangenomen Reglement toch ook. En als we het gemeentelijk doen blijven we in de lijn van Gods Woord, met veel, veel minder rompslomp van administratie ; en we geven ook hier dan niet in Synodale handen wat daar niet thuis hoort en straks een strop kan worden voor de verdere oplossing van het kerkelijk vraagstuk.

Laat men toch oppassen voor de eerste stap in verkeerde richting en intusschen over al met beide handen aanpakken wat er gemeentelijk gedaan moet en kan worden.

Ook hier zullen we dus niet om onderdeden van het Reglement — hoewel daar veel, veel over te zeggen zou zijn — maar op principiëele gronden tegen stemmen en we hopen, dat we dat allen zullen doen, die het gereformeerd beginsel liefhebben en er voor huiveren om de Synode schier almachtig te maken.

Laat men ons eerst eens een gansch andere Kerkregeering geven met een ander ker keiijk leven, waarbij het gaat om de waarheid Gods naar Zijn Woord, dan kunnen we ook deze practische en allernoodzakelijkste dingen in zake de predikantstractementen beter regelen, daar deze dingen in de gemeente en op onze kerkelijke vergaderingen thuis hooren.

Ook hier schreeuwt alles om de oplossing van het kerkelijk vraagstuk.

Hoe zeer het ons dus spijt, we zullen op de a.s. Class. Vergadering tegen het Regl. op de predikantstractementen stemmen en we bevelen ten zeerste aan den veel beteren weg aanstonds in te slaan.

In talmen ligt hier groot, zéér groot gevaar !

Hulde aan de Amsterdammers!

Zoo juist lezen we, dat „de Vriendenkringen" in Amsterdam in de vacature ds. Lütge een drietal hebben opgemaakt, waarop uitsluitend predikahten van den Geref. Bond zijn geplaatst.

Om meer dan éen reden verheugt ons dat. Want als men in Amsterdam niet enkel confessioneele predikanten en volgelingen van Kohlbrugge beroept, maar ook mannen van den Geref. Bond — gelijk ook den Haag nu onlangs heeft gedaan in ds. Bieshaar '— dan kan het niet uitblijven, of de gemeente van Amsterdam zal daar voordeel van hebben en de verhouding tusschen de confessioneelen en de Bondsmannen zal er in 't algemeen veel beter op worden.

Daarom zijn we ook blij, dat „de Vriendenkringen" nu eens niet één Bondsman en twee confessioneden op het drietal hebben gebracht — want dan sneuvelt de Bondsman onder weg altijd ! — maar flink de zaak hebben aangepakt en er drie op hebben geplaatst.

De Heere besture dit beroepingswerk nu verder in Zijn gunste en gebiede er Zijn zegen over.

Mocht dan straks een Bondsman beroepen worden uit het drietal : ds. de Bruin van Zeist, ds. Holland van Kampen en ds. Remme van Huizen, en mocht de beroepene, acht gevende op de teekenen der tijden met vrijmoedigheid deze roepstem opvolgen, dan twijfelen we er geen oogenblik aan, of het praatje, dat men een Bondsman nergens voor gebruiken kan, zal spoedig de wereld uit zijn.

Hulde aan de Amsterdammers, dat ze den moed gehad hebben om dit drietal te formeeren.

Zij het voor Amsterdam en voor heel ons kerkelijk leven ten zegen !

We gaan vooruit! „Ende desespereert niet.''

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's