„Naar de ordening van Melchlzedek".
Een en ander over den brief aan de Hebreen. VI.
Als vanzelf, haast ongemerkt, zijn wij van onze besprekingen van de beteekenis van Christus' Hoogepriesterschap gekomen tot de vermelding van Hem, als priester.
Dat zal ieder hebben kunnen opmerken, die zich herinnert, hoe wij de laatste maal besloten met de aanhaling van Hebr. 10 vers 21, waar Hij genoemd wordt „de groote priester over het huis Gods."
De priesterschap in Israël vond haar kroon en afsluiting in den Aäronitischen hoogepriester.
In de priesterschap, uit den stam van Levi, kwam de gedachte tot uiting, dat eigenlijic het geheele volk een „koninklijk priesterdom" was krachtens Gods genadige verkiezing. Ex. 19 vers 4—6.
De dienst des Heeren, waartoe het gansche volk verplicht, die van gansch het volle het voorrecht was, werd in het heiligdom voor hen verricht door de Levietische priesterschap.
En dat zonder offer en verzoening het naderen tot God niet mogelijk was, daaraan werd Israël telkenmale herinnerd, herinnerd met name op den grooten verzoendag, ais in naam van het volk de hoogepriester met het bloed der besprenging in het binnenste heiligdom voor Gods aangezicht verscheen,
Evenwel is het hoogepriesterschap, me! zijn zoen-offer en zijn plaatsbekleeding vanwege de zonde ingesteld, het priesterschap is, gelijk wij zagen, gegrond in de menschelijke natuur, gelijk zij door God is schapen.
Het behoeft dan ook geen verwondering te baren, dat deze gedachte eveneens tot uiting komt, zij het niet in den zelfden vorm, waarin wij haar hier uitspreken.
Ook in dit opzicht is de H. Schrift concreet ; zij geeft geen beschouwingen in het afgetrokkene, maar is beeldend ; zij teekent ons voor oogen, hoe in de historie Gods gedachten zich verwerkelijken.
Dit is ten deele te verklaren uit de sfeer, waarin met name het Oude Testament is ontstaan, uit den aard der schrijvers det boeken van het Oude Testament: zij ademen in vorm en uitdrukkingswijze den geest van den Semiet; deze spreekt niet in afgetrokken begrippen, maar in beelden en gelijkenissen.
En voor een ander deel moeten wij dt verklaring hierin zoeken : het menschelijki leven speelt naar den aard van zijne creatuurlijkheid zich af in een historisch verloop. In de geschiedenis verwerkelijken zich de gedachten Gods ; in den tijd, in een historisch proces, in een gestadigen voortgang, verwezenlijkten zich de gedachten des vredes, welke de ontfermende God heeft ovei| Zijne Kerk.
Zoo komt het dat menige figuur, ons de H. Schrift geteekend, of soms ook maar in vage omtrekken geschetst, meer dan alleen voorbij-gaande typische beteekenis heeft.
Een David heeft, als herder over zijn volk aangesteld, de beteekenis van een' Vorst. die de macht van het rijk bevestigt en beveiligt tegen den naijver en de vijandschap der omringende volken : hij verslaat Israëls belagers, hij vergroot Israels gebied, hij den grondslag voor een vredig wonen in land der belofte, en voor een ongekende welvaart.
Maar niet alleen heeft hij eene beteekenii gehad in de geschiedenis van Israël, waardoor voor het bewustzijn van ieder Israëliet de tijd van Koning David als een tijdperk schitterde van grootheid en glorie.
Zijn leven als de van God gezalfde koning was een schaduw en type van den Messias, die in de volheid des tijds naar de beloften Gods over het geestelijk Israël als Koning zou regeeren.
En daardoor is het, dat Davids lotgevallen een afspiegeling zijn van het aardsche leven des Heeren Jezus.
Zoo ook is het te verklaren, dat in zoo menigen Psalm, waarin de Koning Israëls zijn ieed voor God klaagt, een toon klinkt, die aan het lijden van Christus doet denken, ja, meer dan eens als een rechtstreeksche profetie van dat lijden mag worden beschouwd. Zoo is het, dat in de beschrijving yan 's Heeren lijden telkenmale wordt verwezen naar een Psalmwoord, dat zijn vervulling vindt in hetgeen den Christus over- komt.
Nu verschijnt in de H. Schrift een zeer eigenaardige figuur, die slechts een enkel oogenblik op het schouwtooneel der historie zich vertoont, om aanstonds weer terug te treden in de schaduw der vergetelheid.
De weg van den aartsvader Abraham wordt op één moment gekruist door dien van den persoon, dien wij op het oog hebben, n.l. Melchizedek.
Abram en Lot zijn ieder huns weegs gegaan. Lot heeft zich tot woonplaats gekozen de vlakte der Jordaan, meenende voor zich op het vruchtbaarst en voordeeligst stuk van Kanaan beslag te leggen. Zijne tenten sloeg hij op tot dicht bij Sodom.
Met dit gevolg, dat hij weldra deelde in het lot van Sodoms bewoners : de vorst van Sodom, die, evenals de vorsten van vier andere steden uit de vlakte, gedurende 12 jaren onderworpen was geweest aan Kedor-Laómer, den koning van Elam, zegde na veuoop van dien tijd de gehoorzaamheid aan den overweldiger op.
Hij gevoelde zich met zijne bondgenooten, de koningen der vier andere steden, sterk genoeg om den strijd aan te binden.
Doch opnieuw werden zij verslagen. Sodoms bewoners werden gevankelijk weggevoerd. Ook Lot werd met zijn bezittingen geroofd.
Toen was Abram de man, die edelmoedig genoeg was om uit te trekken met een klein legertje om den zelfzuchtigen neef uit de handen van Kedor-Laomer te bevrijden. Met al zijn gezin, zijn onderhoorigen en zijn have wordt Lot wederom terug gebracht naar Sodom.
Niet alleen de Koning van Sodom trekt dan uit, Abram tegemoet.
Maar ook een ander vorst komt den patriarch eer bewijzen. In Gen. 14 vers 18—23 is het te lezen : „En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn ; en hij was een priester des Allerhoogsten Gods.
En hij zegende hem, en zeide : Gezegend zij Abraham Gode den Allerhoogste, die hemel en aarde bezit !
En gezegend zij de Allerhoogste God, die uwe vijanden in uwe hand geleverd heeft ! en hij gaf hem de tienden van alles.
En de koning van Sodom zeide tot Abraham : Geef mij de zielen, maar neem de. have voor u.
Doch Abraham zeide tot den koning van Sodom : Ik heb mijne hand opgeheven tot den Heere, den Allerhoogsten God, die heme! en aarde bezit; zoo ik van eenen draad aan tot eene schoenriem toe, ja zoo ik van alles, dat uwe is, iets neme ! opdat gij niet zegt : Ik heb Abraham rijk gemaakt !
Dit is al wat de H. Schrift van het optreden van Melchizedek in de historie verhaalt.
Doch de korte voorbijgaande verschijning van dezen priester-koning heeft een diepere beteekenis, getuige de aandacht, die aan hem wordt geschonken.
In den 110den Psalm zegt de dichter, vers 5 : „De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen : gij zijt priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek."
De hier aangesprokene is zeer zeker de Messias, van wien deze Psalm zingt.
Dat zou zonder meer reeds duidelijk zijn uit den inhoud-zelven van den Psalm. Maar ten overvloede wordt het ook bevestigd, niet alleen hierdoor, dat de Joden in het begin onzer jaartelling het alzoo opvatten, doch voornamelijk door het woord van Jezus-zelven.
In een twistgesprek met de Farizeërs legt hij hun de vraag voor, wat zij denken over den Messias, Wiens Zoon hij is.
Als goed onderwezen Schriftgeleerden weten zij terstond te antwoorden : van David. Dat spreekt immers vanzelf : de Messias is een zoon Davids.
Waarop Jezus' wedervraag luidt: „hoe noemt David Hem door den Geest dan „Heere", daar hij zegt: „de Heere heeft tot mijnen Heere gezegd : zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden onder uwe voeten zal gelegd hebben ? Vgl. Matth. 22 vers 41—46.
Hier schoot hun inzicht te kort. Hoe Davids zoon tegelijk Davids Heere kon zijn, daarop wisten zij geen bescheid.
Wij gaan hier op deze vraag niet nader in. Genoeg zij het, op te merken, dat zonder tegenspraak de 110de Psalm, door Jezus aangehaald, op den Messias ziet.
En daar nu zegt God van dezen Messias, dat Hij „priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek" is.
Bewijs genoeg, dat deze Melchizedek, hoe voorbijgaand zijne verschijning in Abrams historie ook moge geweest zijn, in 't geheel der openbaring Gods een bijzondere beteekenis heeft.
Het heeft ook voor den dichter van Psalm 110 iets te zeggen, en is naar de meening des Geestes, dat de Messias „priester is naar de ordening van Melchizedek."
En met name in den brief aan de Hebreen wordt aan dezen draad, die vóór dezen in het weefsel der Godsopenbaring maar een enkel moment zichtbaar was, verder voortgesponnen. Hierover zullen wij nog opzettelijk te handelen hebben.
Vooraf echter stellen wij de vraag : wat kan het te beteekenen hebben, dat hier buiten 't erf der bijzondere openbaring iemand optreedt, die nadrukkelijk „priester des Allerhoogsten Gods" wordt genoemd ?
Hij is dus niet één der vele priesters, die overal worden aangetroffen, waar menschen leven, en in hun „zoeken en tasten, of zij God ook vinden mochten, getuigenis geven aan de waarheid, dat wij „Gods geslacht" zijn, èn aan de andere waarheid, dat zij „de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend boven den Schepper."
Neen, Melchizedek is niet een priester van één der talrijke goden, die de mensch zich heeft gemaakt; maar „een priester des allerhoogsten Gods."
In hem is nog een herinnering en overblijfsel bewaard van hetgeen de oorspronkelijke roeping en bestemming is van den mensch : in priesterlijke gehoorzaamheid, met de toewijding van den wil en de genegenheden van het hart zijn' God te dienen.
Daarmede is, gelijk wij hopen aan te toonen, niet alles gezegd van dezen Melchizedek.
Doch hier ligt, dunkt ons, althans een gedeeltelijke verklaring van deze min of meer geheimzinnige verschijning.
Hij ontmoet den aartsvader, die door God is afgezonderd, die gebracht is, vér van zijn land en zijn maagschap, in het land, dat de Heere hem tot een erfdeel belooft.
Hij komt hier, voor een oogenblik, in aanraking met Abram, die de belofte heeft van den erfgenaam, in wien alle geslachten der aarde zullen gezegend worden. De kiem is gelegd van het heil, dat God in Zijne trouw zal besluiten en afschaduwen in het volk des Verbonds, dat Hij in Zijne Verbondstrouw zal doen opbloeien uit dit bondsvolk.
En daar komt nu aan Abram een man in den weg, dien Abram als zijn' meerdere erkent, en die toch buiten de aan Abram geschonken belofte valt.
Is het, om ons te herinneren, dat alle heil en alle genade, door Hem gewrocht, strekt om de oorspronkelijke heerlijkheid, in de schepping den mensch geschonken, te hergeven ; om Zijn beeld in den gevallen mensch weder op te richten ?
En verschijnt zoo deze Melchizedek een , priester des Allerhoogsten Gods" als een na klank van de verloren Paradijs-volkomenheid eenerzijds, terwijl hij tevens type en profetie is van hetgeen, maar nu als een onverliesbaar goed, in en door den Christus zou hergeven worden ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's