De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

DE EINDSTEMMING.

Wanneer dit artikel onder de oogen van onze lezers komt, zal de Tweede Kamer de Onderwijswet hebben aangenomen.

Misschien zal de eenige aanwezige Communist op Woensdag stemming hebben gevraagd en zich een enkel lid der Tweede Kamer tegen de wet hebben verklaard, maar het staat vast, dat het overgroote gedeelte der volksvertegenwoordiging zich met het voorstel zal vereenigen.

En als dan zoo aanstonds de Eerste Kamer hare goedkeuring aan de Schoolwet hecht en het Staatsblad de 200 artikelen, die de nieuwe regeling bevat, in zijne kolomr men zal opnemen, dus als Hare Majesteit, onze Koningin, Hare handteekening onder de wet zal hebben gezet, dan zal er onder ons Christenvolk een toon van gejuich en dank tot God opgaan voor de heugelijke uitkomst, welke Hij in Zijne genade aan ons Christelijk onderwijs schonk.

Met de wet-De Visser zijn wij de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs zeer nabij gekomen. Het volle bedrag voor de salarissen der onderwijzers wordt ontvangen, en daarbij wordt verkregen de volle som der nieuwe schoolgebouwen, een behoorlijke vergoeding der bestaande gebouwen en zoo aanstonds ook alles wat voor het onderhoud noodig is.

Dat het alles zoo goed liep, daarvoor hebben wij naast God in de eerste plaats den Minister van Onderwijs dank te zegen, maar ook niet minder hebben wij te herdenken al den arbeid, die vaak in gebed en tranen, in strijden en lijden, in onverpoosd volharden en gelooven op hoop tegen hoop, door onze groote voortrekkers werd verricht. Die mannen, waarvan reeds velen zijn ten grave gedaald, gedenken wij met groote erkentelijkheid. Doch last not least verdienen onze mannen in de Tweede Kamer een woord van lof voor de toewijding en liefde en volharding, waarmede zij met den Minister het scheepke in behouden haven brachten.

Toch mogen wij in de historische dagen, waarin wij leven en het geluk en den voorspoed, waarin wij ons vermeien, niet voorbijzien, dat in het heerlijke licht van de toekomst, wat wij tegengaan, hier en daar de weg oneffen is en de gezichtseinder wordt beneveld, waardoor de blijde stemming v/el ietwat wordt getemperd. Immers, aan sommige wenschen, die door de Antirevolutionaire partij met nadruk werden gesteld, weigerde de Minister te voldoen en stelde een gedeelte der rechterzijde onder instemming der linkerzijde zich schrap.

Door deze wijze van doen en door dit optreden van geestverwanten werd de positie van het Christelijk onderwijs tijdens den loop der discussies niet weinig verzwakt en het is te verwachten, dat het in de toekomst niet zoo gemakkelijk zal gaan om datgene te herwinnen, dat nu door de weinige toeschietelijkheid van de regeering verloren ging.

Doch hoe dit zij, er is in hetgeen werd tot stand gebracht een flinke stap in de richting van de gelijkstelling — gelukkig niet de gelijkheid — tusschen openbaar en bijzonder onderwijs gedaan.

Intusschen het ideaal blijft wenken : „De vrije School voor heel de natie." De weg, om dit doel steeds nader te komen, staat open.

Blijven wij dan in die richting voortvaren. Opdat, wat zoo schoon in het gedenkboek !van „Strijd en Zegen" wordt gezegd : We Gods daden niet vergeten, maar met Jozua en de oudsten voor onze scholen antwoor­den : „Aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen."

DE NIEUWE LAGER-ONDERWIJSWET.
„Vrije woning" van het Hoofd der school. De aftrek voor het genot van woning is thans bepaald op 15 %. De Besturen hebben daarbij de keus tusschen : óf zelf de huurwaarde schatten (onder zoo spoedig mogelijk aan te vragen nadere goedkeuring van Ged. Staten) óf ze bepalen op 15 % van het totaal salaris van het Hoofd.

Postrekening. De Minister wil alle gelden, welke de Schoolbesturen van het Rijk te ontvangen hebben, rechstreeks door middel van een postrekening aan den penningmeester doen toekomen.

Laat elk schoolbestuur daarom ten zijnen name een postrekening openen op het postkantoor ter plaatse.

Wanneer men het nummer van de postrekening weet (op elk postkantoor geeft men gaarne alle gewenschte inlichtingen) dan moet men in een gewoon briefje aan den Minister van Onderwijs zenden, met opgave van het No. der postrekening en den juisten naam van de schoolvereeniging en de juiste plaats der school, verzoekende aan Z.Ex. om voortaan alle gelden van het Rijk rechtstreeks op deze postrekening te willen overschrijven. Met Betaalmeester of Ontvanger heeft het bestuur dan niets meer te maken.

Wanneer de gemeenteraad aan de openbare school aan de onderwijzers eene verhooging geeft, b, v. omdat iemand plaatsvervangend hoofd („eerste onderwijzer) is, dan moet zoo'n belooning ook worden gegeven door de gemeente aan de bijzondere school waar een „plaatsvervangend hoofd" is.

Belooning voor niet-wettelijke vakken.
Het bestuur der bijzondere school kan en mag het salaris der onderwijzers verhoogen hetzij wegens het bezit of gebruik van nietwettelijke akten (b.v. het diploma van den Schoolraad), hetzij wegens het „eerste onderwijzersschap."' Deze verhoogingen worden dan ook meegerekend bij de grondslagen naar welke voor pensioen is bij te dragen.

Vergoeding voor de administratie der school. Op een vraag aan den Minister : mag het schoolbestuur afzonderlijk honoreeren voor het voeren der vaak zeer omvangrijke administratie der school ? heeft Z.Ex. geantwoord : Het schoolbestuur is inderdaad bevoegd, het voeren der administratie van de school afzonderlijk te hono* reeren.

Maximum aantal leerlingen. Op geen school mogen meer dan 400 kinderen gelijktijdig worden toegelaten, dan met bijzondere vergunning van de Koningin. Deze bepaling treedt pas op 1 Jan. 1924 in werking, (art. 190 bis.)

Leeftijd voor de toelating der kinderen. De Kroon bepaalt, den onderwijsraad gehoord, den leeftijd welken de kinderen moeten bereikt hebben, voordat zij tot de school voor gewoon lager onderwijs worden toegelaten.

Blijkens een uitlating van den Minister tijdens de behandeling in de Kamer (Handelingen pag. 2106) zat voor de toelating der leerlingen de 6-jarige leeftijd worden geëischt, met waarschijnlijk een speling van 3 maanden.

Lichamelijke oefening. De „vrije en ordeoefeningen der gymnastiek" (vak J) zijn vervangen door „lichamelijke oefening". Hieronder valt niet de eisch van het werken aan toestellen.

Waren de „vrije en orde oefeningen voor de bijzondere school tot dusver niet verplicht, het vak „lichamelijke oefening" behoort straks ook voor de gesubsidieerde scholen voor L. en U. L. O. tot de verplichte vakken.

Deze verplichting gaat pas in op 1 Jan. 1936 (zie art. 191). Er is dus een overgangstijd van 15 jaren. Tot dien datum kan van de verplichting tot het geven van dit onderwijs door Ged. Staten, den inspecteur gehoord, voor een bepaalde bijzondere school telkens voor ten hoogste twee jaren vrijstelling v/orden verleend. Zulks kan geschieden onder voorwaarde dat aan de school althans onderwijs wordt gegeven in de vrije-en or-, deoefeningen der gymnastiek. Deze mogen dus niet worden nagelaten.

Kennis der natuur. Onder de nieuwe wet is onder kennis der natuur mede begrepen de eenvoudigste kennis van gezondheidsleer.

Handenarbeid. De handenarbeid is onder de facultatieve (niet-verplichte) vakken opgenomen.

Wanneer een gewone lagere school en een M.U.L.O.-kopschool in 'tzelfde gebouw zijn gevestigd en beide scholen samen niet meer dan 220 leerlingen tellen, kunnen ze onder één hoofd staan. Deze regeling voorkomt, dat in een zelfde gebouw twee kleine inrichtingen zijn met twee hoofden. Een afzonderlijk hoofd voor elk zou geldverspillen zijn; ook behooren er geen twee kapiteins op één schip.

Aan een gewone lagere school wordt het hoofd bijgestaan door ten minste één onderwijzer, zoodra het aantal' leerlingen méér dan 25, door ten minste twee onderwijzers, zoodra het 61, door ten minste drie onderwijzers, zoodra het 91 bedraagt en dan voor elk 45-tal leerlingen boven de 90 nog één leerkracht. Dat wordt voor een school van ongeveer 200 leeringen gemiddeld één onderwijzer op 35 leeringen. Is een gewone lagere school verbonden met de M.U.L.O.kopschool onder één hoofd, dan mag aan die lagere school één onderwijzer boven het getal benoemd worden.

De regeling voor de M.U.L.O.-scholen is anders. Daar moet het hoofd bijgestaan worden door één onderwijzer, zoodra het aantal leerlingen 18, door twee als het 24, door drie als het 41 bedraagt en voor elk 30-tal boven de 40 leerlingen nog één leerkracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's