Stichtelïjke overdenking.
En Gode zij dank, die ons allen tijd doet triompheeren in Christus, en den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 2 Cor. 2 vers 14.
DE REUK ZIJNER KENNIS.
(Afscheidsrede gehouden te Oldebroek op 27 Juni 1920).
Het is niet altijd gemakkelijk de gemoedsstemming te bepalen, waarin eenig woord van spreker of schrijver geuit wordt. !
En toch, tot recht verstand der woorden is het zoo noodig te weten, de omstandigheden , waaronder, den toestand waarin en de passie waardoor ze worden gesproken.
Wij zijn zoo gelukkig van dit ons tekstwoord het te kunnen doen.
Toen Paulus dit hoofdstuk schreef, in Macedonië, op zijn derde zendingsreis, beleefde hij een ure van buitengewone, uitgelaten blijdschap.
In hoofdstuk 7 van dezen zelfden brief, ziende op dezelfde zaak, spreekt hij van „vervuld te zijn met vertroosting, overvloedig te zijn van blijdschap."
't Was de blijdschap der ontspanning na dagen van bitteren strijd en angstige zlelswprsteling.
Wat was het geval ?
Gij weet van de Corinthische gemeente en al hare troebelen, scheuringen en zonden.
De tweede brief „onder tranen geschreven" (voor ons niet bewaard) bevatte een vlijmscherpe berisping en was er door Paulus heengezonden.
Titus, de vredestichter onder de broederen, moest hem er brengen.
En nu verstaat gij de spanning in Paulus' gemoed.
Wat zal de uitwerking zijn van den brief ? Van het werk van Titus ? Zal een en ander effect hebben en gunstig resultaat ?
Paulus heeft Ephese verlaten^ in Troas heeft de Heere hem een geopende deur gegeven. Maar hij heeft geen rust. Dat Corinthen woog hem toch zoo zwaar op de ziel ! Hij mqet het weten. Hij reist naar Macedonië, over zee, Titus tegemoet. Overal waar hij ook komt, vraagt hij : is Titus er al! Hebt gij Titus niet gezien ? Maar overal ontvangt hij ontkennend antwoord. Wachten rnoet hij, dagen lang, dagen, als jaren lang.
Eindelijk, daar komt de roeiboot. Titus is aan boord. En bij de omhelzing der broederen is de eerste vraag : Hoe is het in Corinthen ?
„Goed, goed, klinkt het antwoord van den vredebode, alles is in orde, de troebelen zijn opgehouden, scheuringen geheeld, de zonden beleden en vergeven."
Wat is Paulus verheugd ! Zijn ziel springt op in den Heere, vergeten is als het leed en de strijd.
Gewonnen I roept hij uit; Gode zij dank, een overwinning behaald in Corinthen.
De Spreukendichter zegt: „Goede tijding uit een ver land is als een beker koud water voor een vermoeide ziel."
Dat heeft de apostel ervaren. Zijn geest was verfrischt, zijn kracht vernieuwd. Hij zet zijn levende ziel wijd uit om te overpeinzen het een en het ander.
Hij wordt ingeleid in Gods werk. Hij ziet vergezichten in de bediening van het Woord, nieuwe banen, ruime terreinen. Zijn geheiligde fantasie neemt hooge vluchten.
Ja, de Heere werkt nog en Hij zal het maken. En de overstelpende blijdschap zijns gemoeds brengt de lofzegging op de lippen : „Gode zij dank, die ons ten allen tijde doet triompheeren in Christus."
Gemeente, ik heb een verzoek, een zwaar verzoek, een schier onmogelijk verzoek.
Om een oogenblik te vergeten het persoonlijke in ons afscheid, weg te zetten wat er omgaat in uwe harten, nu de fijnste snaren van liefde en aanhankelijkheid het meest gevoelig trillen in onze ontroerde zielen. Waar vrienden heden voor het laatst elkaar de hand drukken en teere zielsbanden niet gebroken, maar tot het uiterste gerekt worden.
En, om u 'n oogenblik te verplaatsen in de zielsblijdschap van den apostel, om met een gewapend en geoefend geloofsoog te zien op de ruimte van Gods werk, op den loop van 't Evangelie, op de macht van 's Heeren genade, op de heerlijkheid van zijn alles overwinnend Evangelie.
Immers, wat Paulus beleefde en in dankzegging vertolkte, dat geldt voor alle bediening des Woords, van de macht des Woords gepredikt onder alle volken, van den gang van den Triomphator Jezus Christus, die voortgaat in groote kracht en in roemrijke overwinning. En zalig is het, te weten dat we met Hem deelen mogen in die overwinning, in dien volkomen triomph, .
Let wel, er wordt gesproken van triompheeren in Christus. Paulus was de overwin naar zelf niet, maar als officier in het groote j leger had hij slechts terreinen te verkennen, : instructies te geven, slagorden aan te voeren opdat de zege, en de eere van den geestelijken strijd alleen aan Christus zou toekomen. Onder Zijn hoog bevel was hij slechts uitvoerder van Zijn wil.
Mijne Geliefden ! Zoo ging het ook onder onze bediening.
In Christus kracht hebben wij gestreden in het Evangelie, in Zijn wijsheid de legerorde opgesteld, met Zijn wapenen, geestelijke wapenen, de slag geleverd, door Zijn gezag gedekt kregen we ingang onder u, met Zijn Woord hebben wij harten mogen veroveren, en door Zijn genade en rijken zegen geoogst in de bediening des Woords.
Ons werk was Gods werk. Hij was in onzen arbeid. En bij een terugblik op dezen arbeid zien wij met welgevallen en blijdschap neer op een volbrachte taak, het woord van den apostel makende tot het onze : „Gode zij dank, die ons deed triompheeren in Christus."
Ja, Hij wilde het Woord laten ontvouwen. Hij wilde harten openen. Hij wilde doen acht geven op Zijne getuigenissen. Hij wilde vijanden doen vallen, en zielen vermeesteren. En daarom Hem de eere. Hem de glorie. Hem de dankzegging.
Want die overdenking stemt tot ootmoedigen dank, tot veelvuldigen lof.
„Neen, de Heer der Heeren, Doet ons triompheeren ; Hij, geducht in macht Slaat elk gunstig gade. Die op Zijn genade, In benauwdheid wacht."
Dat is over de triomph onzer bediening. Maar meer zegt de tweede gedachte van onzen tekst over de reuk der bediening.
„Gode zij dank, die ons doet triompheeren in Christus, en de reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen."
De reuk Zijner kennis !
Het is altijd een genot, de beelden, die de apostei Paulus in zijn brieven gebruikt, te m analyseeren, want bij die ontleding komt d zoo de rijkdom zijner gedachten openbaar.
Dit beeld is waarschijnlijk ook ontleend aan een gebruik in de Romeinsche oudheid, waarbij de volgers in den triomphtocht van den zegevierenden held reukwerk plachten te ontsteken op verschillende plaatsen ter eere van den triomphator en tot wering van schadelijke machten.
Als ik dat beeld overneem, en denk aan de bediening van het Evangelie, dan kom ik tot mijn liefste werk in den arbeid voor Gods Koninkrijk ook te dezer plaatse.
Want, nietwaar, mee te loopen in den tocht is hartverblijdend, en te zien dat vijanden vallen voor des Konings voeten tot groote vreugde, maar wat anders is het, als we mogen medewerken tot de verheerlijking van den Held, en mede mogen arbeiden tot heilige vertroosting van Zijn volk en kinderen.
En dit geschiedt door de verbreiding van den reuk Zijner kennis.
Van den arbeid tot vertroosting van des Heeren volk gaat toch een liefelijke reuk uit voor de gemeente. En die geur van het Evangelië, als die der bloemen, heeft aantrekken, de kracht voor de ware geloovigen. Er komt gebondenheid der zielen aan het Woord ; zoo'n prediking boeit, bekoort en streelt de harten. Die reuk, als het reukwerk der vrouwen, verblijdt het hart, geeft vreugde aan de ziel meer dan ten dage als koren en most vermenigvuldigd worden. Dan zegt het hart „Uw goedertierenheid is beter dan het leven."
Die geur verfrischt de gedachten, zoodat dieper inleiding in Gods wegen verkregen wordt, nieuwe inzichten ontvangen en blijde ervaring genoten wordt.
De reuk Zijner kennis I Want het geschiedt alles door de kennis Gods en van Zijnen Christus.
„Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen den eeuwigen en waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt."
En die kennis is verstandelijk, geeft inzicht in de waarheden Gods.
Die kennis is geestelijk en schenkt een schat van rijkdom en zegen voor het leven.
Die kennis is bevindelijk en geeft beleving van wat in het Woord wordt uiteengezet. Is dat niet een rijke zegen voor Gods volk ?
En dat wij alzoo mochten werkzaam zijn tot ulieder heil en vertroosting ?
Wij zijn in de laatste jaren van koers veranderd. Sinds onze komst ging het om het geestelijk bezit, om het persoonlijk ervaren. En die behoefte des harten kreeg, kon volop genieten van den rijkdom der zaligheid, door de reuk Zijner kennis, alhier geopenbaard bij de overdenking van Gods getuigenis.
Eenmaal stond Aaron ('t was in den opstand van Korach, Dathan en Abiram), tusschen de levenden en de dooden met het reukwerk in het wierookvat, en de plage werd opgehouden.
Zeg eens, gemeente, was mijn arbeid niet alzoo ? Dat wierookvat heb ik, staande tusschen levenden en dooden bewogen ook in uw midden en als geestesvuur brandde onder dat reukwerk der heilige bediening, dan moest het reukwerk zijn geur verbreiden, dan werd de tempel Gods vervuld van de reuk Zijner kennis, dan, 't kon niet anders, moesten harten verblijd en gesterkt worden.
Maar vergeten we hierbij één zaak niet. 't Gaat bij dat reukwerk wonderiijk toe.
Het trekt aan, maar het stoot ook af. Som igen zijn ervan gediend, anderen voor berucht.
Gelijk het schadelijk insect de sterke geur an het verderfwerend kruid ontvliedt, zoo aat het bij de geestelijke bediening in het heiligdom. !
Dat reukwerk heeft ook doodende kracht. iet omdat de natuur van het Evangelie is ter dood te brengen, want het is een dienst des levens, maar door de verwerping van die ongeloovig zijn en zich tegenstellen (kantteekenaren).
Daar hebt ge het. Levensgeur ten leven voor die zoeken het leven.
Doodslucht ten doode, voor die zich er tegen verzetten.
Wonderlijke macht en uitwerking van het zelfde Evangelie op onderscheidene personen. Booze machten en zielen sidderen voor de geur van dit reukwerk, maar Godzoekende zielen worden er levendig door verkwikt.
Dat Woord maakt nu eenmaal finale scheiding. Het maakt levend en het doodt. Het doet leven en doet sterven en verloren gaan.
Zeg mij, gemeente, hebt gij al uitgemaakt wat het u deed ?
Levensgeur of doodslucht, wat was het u?
Kondet gij er bij leven of kondet gij het er niet onder uithouden ?
Van dit antwoord hangt het af te weten hoe de toestand uwer ziel is.
En in deze laatste ure van ons samenzijn eisch ik van u, dat gij uzelf rekenschap geeft van den toestand uwer ziel, van uw staat voor de eeuwigheid.
Wéé u, als het u tot nog toe was een doodslucht ten doode. Gij zult sterven in uw zonden, sterven in uw vijandschap !
Maar wèl u, als het u was een zoete levensgeur ten leven voor uwe ziele. Dan zult gij leven, want gij moogt zeggen : „Heere, Uw Woord heeft mij levend gemaakt." En daarop komt het maar aan.
Levensgeur ten leven voor uwe ziele. Dan zult gij leven, want gij moogt zeggen : „Heere, Uw Woord heeft mij levend gemaakt." En daarop komt het maar aan. Nu, in 't vervolg van tijd, in leven en in sterven.
Over den triomph en over de reuk der bediening spraken wij.
Maar die ons tekstwoord in zijn verband van naderbij beschouwt, heeft ook nog iets te zeggen over het karakter dezer bediening.
Paulus teekent dat karakter in drie woorden, als hij ervan zegt: de persoon is zwak, de waar is goed en de praktijk is zuiver.
Wat het eerste betreft, wij hebben hoog opgegeven over den triomph van Christus.
En die lofzang was u niet te hoog gestemd ?
Met minder kon het niet, want alles moet Hem eeren. Want het Woord des Heeren, 't Richtsnoer Zijner daan Is volmaakt rechtvaardig. Al onz' achting waardig Eeuwig zal 't bestaan. Maar anders wordt het, als wij zien op de dragers van dat Woord, op de arbeiders in Gods wijngaard. Paulus had van zichzelf geen hooge gedachte. Achter den Triomphator aangaande, was hij machtig, maar alleen, bij zichzelf was hij onbekwaam. Dat is wel spijtig aan de eene zijde, want de vijand is er altijd bij om de gebreken van Gods knechten aan te wenden om Gods zaak in miscrediet te brengen.
Maar anders wordt het, als wij zien op de dragers van dat Woord, op de arbeiders in Gods wijngaard.
Paulus had van zichzelf geen hooge gedachte.
Achter den Triomphator aangaande, was hij machtig, maar alleen, bij zichzelf was hij onbekwaam.
Dat is wel spijtig aan de eene zijde, want de vijand is er altijd bij om de gebreken van Gods knechten aan te wenden om Gods zaak in miscrediet te brengen.
Maar aan de andere zijde is het o zoo goed, opdat wij niet zouden roemen dan in onze zwakheid en met den apostel getuigen : „Niet, dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken als uit onszelven, maar onze bekwaamheid is uit God."
Gemeente, zoo was het ook bij ons.
Ik ben er goed van overtuigd, dat van mijn bediening m ij geen eere toekomt. Wij waren slechts middel in Gods hand. En dat wij vrijmoedig mochten getuigen van Zijn zegetocht, dat was óók aan Hem alleen te danken.
Bij terugblik op mijn arbeid bedekke schaamte mijn aangezicht van wege zonde en gebrek.
Ik deed wat ik kon, maar weet, dat veel in deze wijde, uitgestrekte gemeente ongedaan bleef.
Voor mijn zonden roep ik in het bloed der Verzoening. De Heere vergeve mij mijn ongerechtigheden, en vervuUe het alles met Zijn goedertierenheden.
Maar— met deze opmerking en betuiging is het karakter niet ten volle bepaald.
Paulus laat er onmiddellijk op volgen : doch „Wij dragen het .Woord niet te koop", en dat wil zeggen naar de letterlijke beteekenis van het grondwoord : „Wij hebben geen vervalschte waar aangeboden." Want marskramers waren we wel, rondgaande overal, onze waren 'te koop aanbiedende, maar voor de levering van valsche waar heeft de Heere ons bewaard.
Zoo was het in onze bediening.
Ik mag openlijk onder u getuigen : De waar was goed.
Den vollen raad Gods tot zaligheid heb ik u verkondigd, niets achterhoudend van hetgeen u nut was en is tot uwe volmaking. Het leven in Christus heb ik u verkondigd naar de mate der gaven en wijsheid mij door den Heere geschonken.
Met beuzelachtige dingen heb ik mij niet ingelaten, maar de hoofdzaak heb ik altijd naar voren gebracht, n.l. de levende zielservaring uit de Waarheid Gods en de aangebrachte gerechtigheid van Christus ; het leven uit het levende Woord, uit den levenden Christus, dat heb ik u verkondigd.
En dat weten we, daartegen komt alles op
Vrome en goddelooze menschen zijn er vijandig tegen gekant.
Maar de waar was goed, omdat 't slechts was de onvervalschte Waarheid van Gods eeuwig blijvend, zielszaligend getuigenis.
Vrage : Hebt gij er smaak in gevonden. Was het uv/e ziele een spijze ter sterklhg op den weg des levens ?
En ten derde : De praktijk was zuiver.
Paulus teekent dat in deze woorden : „Als uit oprechtheid en als in de tegenwoordigheid Gods".
Sommige kooplieden hebben, óók bij aanbieding van goede waar, onheilige oogmerken.
Maar voor Gods aangezicht mag ik getuigen : mijn bedoelen was eeriijk, en zij het bij veel gebrek, mijn praktijk der bediening zuiver.
Om uw ziel en derzelver zaligheid was het mij te doen. Daarom neem ik vrijmoedig en blijmoedig van u afscheid, biddende, dat de Heere met Zijn hooge goedkeuring ook dezen arbeid krone in vrije genade.
Ten slotte mijn laatste gedachte, n.l. het profijt dezer bediening.
Kortheidshalve bij wijze van toepassing.
En dan kom ik direct met deze vraag: Hebt gij den parel van Gods genade gevon-
den in de waardelooze oesterschelp van de prediking van mijn woord ?
Telkens heb ik die schelp laten zien, gewezen op haar waarde, op haar innerlijke schat.
Helaas, zoovelen konden 't buiten die genade stellen. Zij leefden voort, doodgerust, onverschillig. Tot zoeken kwam het nog niet.
Van vinden was vanzelf geen sprake.
Of om in het beeld van den tekst te blijven. Zijt gij aireede overwonnen door den machtigen Held, rijdende op 't zuivere woord der waarheid en waren zijn pijlen u reeds ten doode, zoodat gij het leven verloren hebt bij u zelf om het te vinden in Christus ?
Vreeselijk is de vijandschap van den natuurlijken mensch, maar Gode zij dank, hij kan, moet en zal ten slotte als een vijand gezaligd, het °den Heere gewonnen geven.
Schenke de Heere u dan die zalige overgave des harten, die vrede geeft aan ziel en leven !
Of hebt gij, de reuk Zijner kennis ontvangen, en het is u, bekommerde van harte, om dien Christus en Zijne algenoegzame genade te doen ?
Bij den opstand van Korach waren er 250, die hun reukwerk hielden voor 't aangezicht van Mozes. Zoo is het in de wereld. Tot hun eigen bewierooking wordt door opstandelingen het reukwerk ontstoken. Te betreuren maar te begrijpen.
Maar zeer bedenkelijk wordt het, als hetzelfde verschijnsel gezien wordt op het terrein van den godsdienst, van het geestelijk leven.
Wee dengene, die in zijn bekommering zaligheid vindt, en reukwerk ontbrandt ter eere van eigen leven. Wat is hij nog ver van de eere van Christus !
O, dat het u om Hem te doen zij, om in Hem gevonden te worden, en Zijn zalig reukwerk ter verlossing en ter heiligmaking te genieten !
Ten slotte, hebt gij profijt van de prediking des Woords gehad, kind des Heeren ?
U werd die waar te koop geboden. Mocht gij ze met beide handen aanvaarden?
Gij weet dat de blinden, als zij hun braille schrift lezen, met de rechterhand tasten eerst het geheele woord, en dan met de linker de afzonderlijke letters.
Laat dat uw geestelijke, blijvende werkzaamheid zijn ! Blindweg maar met de eene geloofshand te omvatten de gansche zaak der zaligheid in het Woord u voorgesteld, met de andere geloofshand te tasten naar die kleine bestanddeelen der genade en der vertroosting voor uw eigen zielstoestand gepast, en zoo heilig te overdenken tot nut van uw leven.
Blijve er behoefte om te koopen.
Gods Woord zegt: koop de waarheid, maar verkoop ze niet. Nooit I Tot geen enkelen prijs, tot geen enkel bod.
Met de waarheid kunt gij leven, moet gij sterven, zult gij overwinnen.
Ons werk gaat voorbij, maar 's Heeren werk blijft. De groote Overwinnaar zet Zijn werk voort. Straks komen zij aan — zij allen — gewond en genezen, door goddelijk licht geleid.
De Hoogepriester blijft. En nog stèat Hij met Zijn reukwerk in het midden der gemeente.
Dat het brandende zijn moge voor uwe ziel.
En dat Zijn gezegend werk alzoo velen zielen ten goede kome, Zijn naam ter verheerlijking.
Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's