Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
Geen gunst maar recht
XXII.
Over de verdere maatregelen door Koning Willem I genomen ten opzichte van de kerkelijke goederen, kan hier gezwegen worden
Het is bekend genoeg, hoe de koning, die als verplicht despoot, gelijk prof. Goslinga hem terecht heeft genoemd, zonder daartoe grondwettelijk bevoegd te zijn, niet alleen door het Koninklijk besluit van 1816 aan de Gereformeerde Kerken een organisatie oplegde, die geheel buiten de Kerken om was ontstaan en, zonder de Kerken daarin te kennen zelfs, haar werd opgedrongen, maar ook de organisatie van het Beheer ter hand nam in een reeks reglementen op de administratie der kerkelijke goederen en fondsen van 1819 tot 1823 verschenen, waarin bepaald werd, dat deze goederen en fondsen wel onder de plaatselijke administratie van de kerkvoogden bleven, maar onder toezicht gesteld werden van Provinciale Colleges, die feitelijk Staatscolleges waren. Zoo werd, gelijk dr. Van Lonkhuizen terecht opmerkt, 1) niet alleen door het recht van eigen bestuur der Gereformeerde Kerken, maar ook door 't recht van eigen beheer der kerkelijke goederen een streep gehaald. Intusschen is door het koninklijk besluit van 1866 deze rechtstreeksche tusschenkomst van de regeering bij 't beheer der goederen van de Hervormde Kerk opgeheven en werden in 1870 de elf reserves, die de regeering nog gesteld had, ingetrokken.Het Algemeen College van Toezicht, dat in 1866 was ingesteld, om de zaken te regelen, erkende, dat de goederen het eigendom waren der plaatselijke Kerken of gemeenten en liet aan deze de beslissing over, of zij vrij beheer wilden met eigen verantwoordelijkheid dan wel zich vrijwillig stellen wilden onder het nieuwe Algemeene College van Toezicht. Maar van hoeveel beteekenis dit alles ook moge wezen voor de rechtspositie van de kerkelijke goederen en fondsen, voor ons onderwerp heeft dit geen belang, dan in zooverre als uit dit alles wel genoegzaam blijkt, dat de regeering deze goederen wel degelijk erkend heeft het eigendom der plaatselijke Kerken te zijn. Uit het beginsel van de scheiding van Staat en Kerk is nooit afgeleid na 1809, dat de regeering, die indertijd deze goederen, zooals men dat gewoonlijk aanneemt, bestemd had voor den eeredienst der Gereformeerde Kerken, nu de Hervormde Kerk had opgehouden Staatskerk te zijn, aan deze goederen een andere bestemming mocht geven. Al is, zoowel onder het bewind der Nationale Vergadering als onder de regeering van Koning Lodewijk, wel de idee opgekomen, dat de Staat het recht had ook deze goederen te confisqueeren en de opbrengst óf in 's lands kas te storten óf ten bate van alle Kerken te doen dienen, na de Restauratie onder Koning Willem I is van dit plan nimmermeer sprake geweest. Het recht van de plaatselijke Kerken op deze goederen is èn door de regeering èn door de rechterlijke macht steeds erkend geworden. Al mag trots het arrest van den Hoogen Raad, dat deze goederen het eigendom der plaatselijke gemeenten zijn, de rechtschool waartoe mr. Van Apeldoorn behoort, meenen, dat deze goederen nog altoos als zelfstandige stichtiügen zijn te beschouwen, toch zal zelfs mr. Van Apeldoorn wel niet meenen, dat de regeering thans de bevoegdheid zou hebben naar willekeur over deze goederen te beschikken. Van belang is hetgeen met deze goederen na 1809 geschied is, alleen omdat zoowel uit deze regeeringsmaatregelen als uit het arrest van den Hoogen Raad blijkt, dat deze goederen geacht werden na de Reformatie toe te behooren aan de plaatselijke gemeenten der HervormdeKerk als haar eigendom, waaruit vanzelf natuurlijk voortvloeit, dat dit evenzeer geldt van de kerkelijke goederen, die in de geestelijke kantoren waren saamgebracht en door Koning Lodewijk in de Amortisatiekas zijn gestort geworden. In den eigendomstoestand dezer goederen is door het overbrengen naar de geestelijke kantoren niets veranderd. Heeft èn de regeering èn de Hooge Raad na 1809 steeds erkend, dat deze goederen het eigendom der plaatselijke Kerken waren, dan geldt ditzelfde ten opzichte van de goederen die in de geeselijke kantoren zich bevonden en die door den Staat zijn geconfisqueerd geworden. Men kan niet eenerzijds volhouden, dat door deze confiscatie geen roof tegenover de Kerken is gepleegd en de Staat daarom ook niet tot schadevergoeding aan de Kerken is verplicht, en anderzijds aannemen, dat de plaatselijke gemeenten der Hervormde Kerk thans deze goederen, die onder haar beheer staan, als wettig eigendom zouden bezitten. Als de plaatselijke gemeenten geen rechtsaanspraak kunnen doen gelden op de in 1808 geconfisqueerde goederen, dan hebben zij ook geen rechtstitel op de kerkelijke goederen, die nu in haar bezit zijn. Het bezit van deze goederen zou dan alleen te danken zijn aan een gunst van den Staat en de Staat zou volkomen bevoegd wezen deze goederen ook nu nog een andere bestemming te geven. Zij, die van geen rechtsaanspraken der Kerk op de thans uitgekeerde tractementen willen weten, mogen daarom wel toezien tot welke consequentie dit beginsel leidt. Het geeft niet alleen aan den Grondwetgever het recht om, wanneer hem dit goeddunkt, de bedoelde artikelen uit de Grondwet te verwijderen en alle uitbetaling der tractementen zonder schadevergoeding aan de Kerken te doen ophouden, maar het zou ook aan de regeering het recht geven van deze kerkelijke goederen, door de plaatselijke gemeenten der Hervormde Kerk bezeten, zich meester te maken. Wat men niet krachtens een eigen rechtstitel, maar alleen krachtens het beschikkingsrecht der Overheid bezit, kan door ditzelfde beschikkingsrecht weer ontnomen worden.
Maar ook afgezien van de zeer gevaarlijke consequenties, die uit dit rechtsstandpunt zouden voortvloeien, meenen we, dat ook uit zuiver juridisch oogpunt het niet juist is, dat de thans in de Grondwet opgenomen bepaling (Art. alinea a) niet anders is geweest dan een gunstige beschikking van de Overheid, maar die op geen historische rechten van de Kerk rust en daarom door den Grondwetgever met hetzelfde recht weer kan te niet gedaan worden als deze bepaling door hem in de Grondwet is geplaatst. Dat dit de thans schier algemeen heerschende opvatting is onder de juristen en mr. Van Apeldoorn in zooverre zeer sterk staat, is volkomen juist. Prof. Buys heeft in zijn magistraal werk over de Grondwet een heele reeks van schrijvers over dit onderwerp aangehaald, die dit gevoelen verdedigen 2) en hijzelf neemt evenzeer zoo beslist mogelijk dit standpunt in. En ook de schrijvers na hem stellen zich op hetzelfde standpunt, maar zij doen dit omdat zij uitgaan van de gedachte, dat van een recht der Hervormde Kerk (noch als geheel, noch wat haar plaatselijke gemeenten betreft) op de goederen, die door de geestelijke kantoren beheerd worden, sprake kon wezen. Ze meenen daarom, dat art. 168 der Grondwet, wel verre van een burgerrechtelijke verbintenis te bevestigen of te erkennen, slechts de gedragslijn aangeeft door regeering en volksvertegenwoordiging ten opzichte van de Kerkgenootschappen te volgen. 3) Of gelijk prof. Buys het scherp uitdrukt : De Grondwet bepaalde dit, niet omdat zij aan de Kerken een recht toeschrijft, maar omdat de Grondwetgever alle verdere schikkingen zich zelf voorbehoudt. Tegenover zijne bevoegdheid kan de Kerk geen enkel recht stellen. Alle aanspraken der Kerken berusten op de Grondwet en vervallen daarmede. 4)
Intusschen, al is dit het gevoelen van de meeste juristen, toch kan men niet zeggen, dat dit gevoelen, dat naar onze overtuiging op eene onjuiste praemisse steunt, daarom het gevoelen is van de regeering zelve of van het hoogste college der rechterlijke macht.
In het belangrijke arrest van den Hoogen Raad van 5 Mei 1848, waarin uitspraak werd gedaan over de dagvaarding van den Staat door den Waalschen Kerkeraad van Amsterdam, om de vacaturepenningen uit te betalen, was wel door den Staat beweerd, dat uit art. 192 G.W. (nu art. 168) geen obligo zou zijn geboren, maar dat dit artikel alleen zou geschreven zijn tot geruststelling van de Kerkgenootschappen en als een voorschrift voor de regeering en de wetgevende macht, zoodat daaruit geen rechtsactie zou kunnen voortvloeien voor de gemeente, werd dit standpunt door den Hoogen Raad principieel verworpen. De Hooge Raad verklaarde n.l. dat als art. 192 (168) aldus zou beschouwd moeten worden, de bepaling inderdaad niets zou beteekenen, ook niet als voorschrift voor de regeering en wetgeving, daar dan het lot der belanghebbenden in die gezindheden, welke bij het emaneeren der Grondwet en vroeger van hunne fondsen zijn beroofd en die bij vroegere Grondwet bereids als nationaal hebben zien verklaren, ten eenenmale van den bij de Grondwet verbonden Staat zouden zijn afhankelijk gesteld en dat alzoo bij dit artikel een zeer ijdele en niets beteekenende zoogenaamde algemeene geruststelling zou zijn gegeven, zonder ander gevolg dan dat, wat de regeering daaraan in elk geval zou willen geven, hetgeen ten eenenmale zou strijden met de uitgedrukte woorden, dat de tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard thans genoten door de gezindheden, of derzelver leeraars, aan die gezindheden werden verzekerd, terwijl dergelijke uitlegging tevens zou strijden met den aard en het doel der toezegging in verband met het bepaalde bij de tweede zinsnede van dit artikel omtrent het facultatieve van dergelijke toekenning aan leeraars, die tot daartoe geen tractement hebben genoten.
Ook door de bewering, die door den pleiter voor den Staat was aangevoerd, dat dergelijke verzekering en toezegging gelijk zou staan met een belofte van staatkundige instellingen bij de wet of anderszins te regelen en welker instelling alsdan evenzeer in rechten zou kunnen worden gevorderd, verwierp de Hooge Raad op grond, dat in die gevallen zeer zeker geen twistgeding zou kunnen rijzen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten of over schuldvordering of burgerlijke rechten, waarvan de kennisneming bij art. 163 G.W. bij uitsluiting van de rechterlijke macht is opgedragen maar dat veeleer het onderwerpelijke geval gelijk staat met dat der artt. 29, 31, 34 en 36 G.W. omtrent het toegezegd inkomen aan de Kroon als houdende gecontracteerde schuld en alzoo gevende schuldvordering volgens art. 163.
Al heeft de Hooge Raad in dit arrest alleen uitspraak gedaan over de bedoeling van art. 168 der Grondwet en over de rechten, die daaruit voortvloeiden voor de „gezindheden", maar niet over de vraag, die hier ook niet aan de orde was, óf de Staat bevoegd was art. 168 te wijzigen en of dit artikel rustte op historische rechten derKerken, toch blijkt uit de overwegingen, waarop dit vonnis rustte, wel degelijk, dat de Hooge Raad erkende lo. dat de gezindheden vroeger van hunne fondsen waren beroofd, toen deze „nationaal" waren verklaard en 2o. dat de verbintenis thans tegenover deze beroofde gezindheden aangegaan, ijdel en nietszeggend zou wezen, wanneer de Regeering daarvan in elk afzonderlijk geval kon afwijken. De Hooge Raad heeft daarmede zijdelings uitgesproken, dat er een verband bestond tusschen deze berooving der Kerken van hare fondsen en de bepaling in Art. 168 der Grondwet. Het was niet maar een voorschrift aan de Regeering en de wetgeving, maar het was een belofte, die als 't ware door den Grondwetgever was afgelegd «n waaraan de Regeering was gebonden.
En dat de Regeering zelve ook dit standpunt heeft ingenomen, blijkt wel uit hetgeen zij verklaarde bij de Grondwetsherziening van 1887. De Regeering verklaarde toen, dat ten aanzien van de uitkeeringen in de eerste alinea van Art. 168 G.W., men tot op zekere hoogte kan spreken van verkregen rechten en dat ten opzichte van dit onder alinea 2 vallende een beroep mocht worden gedaan op billijkheid.
Trouwens, Jhr. Beelaarts van Blokland, die bij deze Grondwetsherziening een voorstel indiende, om de verleende subsidie in een kapitaal om te zetten, dat aan de Kerk zou worden uitgekeerd, erkende evenzeer het recht van de Kerken. „De Kerken, schreef hij, hebben historische rechten en aanspraken. De Grondwet heeft eenmaal tengevolge van de vroegere verhouding tusschen Kerk en Staat en na het tot zich nemen van kerkelijke goederen een plechtigen waarborg aan bepaalde godsdienstige gezindehden gegeven. Wil de Staat de tegenv^'oordige geldelijke betrekking doen ophouden, dan heeft hij uit eerbied van het historisch recht te handelen op onbekrompen wijze, zóó dat zelfs de schijn van spoliatie wordt vermeden".
1) DR VAN LONKHUYZEN, Radicale finantieele scheidini; van Kerk en Staat blz, 38.
2) Buys, De Grondwet, Dl. II, blz. 525 en v.v.
3) MR. (HR, A. RENGERS in eea verhandeling over den aard der finantieele betrekkingen tusschen Staat en Kerkgenootschappen in het Tijdschrift voor Nederlandsch Recht, I, p, 211 en v. v.
4) t. a. p. blz. 535 en v. v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's