Bij 't dalen der zonne.
De zonne zij daalde, Nog even bestraalde Haar purperen gloed De bloeiende velden, Wier luister vertelde : „De Heer' is zoo goed."
Hij is 't Die Zijn zegen Ons schenkt, ons den regen Gedurig beschikt; Door vriend'lijke stralen Van 't zonlicht, die dalen, Gedurig verkwikt^,
En als al die velden Gods goedheid vertelden Wijl 't zonlicht verdween. Vermengden de klanken Van mijn ziel njet 't danken Van hen zich dooreen.
Veel meer dan de velden Had 'k stof te vermelden De gunst mij betoond ; De wond're genade, Aan een, die bij 't kwade Zoo lang had gewoond.
Zij hadden den zegen, Dien zij steeds verkregen, Zich waardig gekeurd ; Maar ik door de zonden. Waaraan 'k was verbonden, Had alles verbeurd.
En daarbij bepaalden, Wijl 't zonnelicht daalde, De velden mij weer ; Weerklonken de klanken Van jubelend danken Der ziel, tot Gods eer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's