De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Naar de ordening van Meichizedek".

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Naar de ordening van Meichizedek".

9 minuten leestijd

VIII.

Tot dusver is wel duidelijk geworden, dat in den brief a.d. Hebreen de gedachte van het priesterschap en het hooge priesterschap van Christus in het middelpunt staat.

In de benaming „priester" en „hoogepriester naar de ordening van Melchizedek" heeft deze brief geen ander geschrift van het N. Test. naast zich.

Hiermede is niet gezegd, dat hij een voorstelling geeft van het werk en den persoon des Heeren, die van andere, bijv. die van Paulus zou afwijken. In geenen deele. Zoowel de brief a.d. Hebreen als de Paulinische brieven staan op den bodem der Oud-Testamentische openbaring, sluiten zich hierbij aan, en laten zien, hoe in Jezus Christus de vervulling geschonken is van alle beloften Gods.

Doch de rijkdom dezer vervulling is zoo groot als de rijkdom der genadige beloften zelf. Daarom valt het licht op dezen schat in ieder der N. Testamentische boeken van een andere zijde, om de veelzijdigheid en volheid der ontfermingen Gods te doen uitkomen.

Christus als priester en hoogepriester, ziedaar één der vormen, waarin de beteekenis van Zijne verschijning en Zijn intreden bij den Vader wordt voorgesteld.

En dit hangt in den brief a.d. Hebreen ten nauwste samen met een andere gedachte, en wel eene, die eveneens aan dezen brief eigen is. Wel niet zóó uitsluitend als die van het priesterschap ; maar toch zóó, dat zij elders in het N. Testament slechts hier en daar even te voorschijn komt, daarentegen in den brief a.d. Hebreen in het volle licht.

Wij bedoelen de voorstelling van het doen Gods, ook van hetgeen in en door Christus is tot stand gebracht, als een „testament".

Een enkele maal wordt ook elders in het N. Testament hiervan gesproken. Allereerst door den Heere Jezus-zelven, wanneer Hij bij de instelling van het H. Avondmaal zegt, terwijl Hij den beker doet rondgaan : „dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden, " Matth. 26 vs. 28, vgl. Mark. 14 vs. 24.

Ongeveer op dezelfde wijze verhaalt Lukas, die schrijft : „deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt, " hfdst. 22 vs. 20.

Aan dezelfde plechtigheid, aan de instelling van dit sacrament, herinnert ook Paulus met ongeveer gelijke bewoordingen in 1 Cor. 11 vers 25.

Verder is Paulus de eenige, die nog de uitdrukking „Testament" gebruikt, en dan buiten verband met het H. Avondmaal.

In den tweeden brief aan de Corinthiërs n.l. komt twee malen het woord voor ; in hfdst. 3 VS. 6 lezen wij : „God, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter maar des Geestes ; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend." En nog eenmaal treffen wij deze uitdrukking aan in vs. 14 van dit zelfde hfdst. ; waar hij van de Joden verklaart : „tot op den huidigen dag blijft dezelfde bedekking in het lezen van het Oude Testament, zonder ontdekt te worden."

Alles bij elkaar geteld treffen wij dus, den brief aan de Hebreen niet mede-gerekend, het woord „testament" zes maal aan in het N. Testament.

In den brief aan de Hebreen alléén vinden wij het tot zeven malen toe gebruikt.

Reeds deze eenvoudige telling op zichzelve rechtvaardigt de bewering, dat de voorstelling van Gods doen onder den vorm van een „testament" in dezen brief een eigen plaats inneemt, en op bijzondere wijze op den voorgrond komt.

Wat nu is onder een „testament" te verstaan, in den zin waarin wij dit woord in de H. Schrift aantreffen ?

Ieder, die met aandacht de Schriftplaatsen naleest, waarin van een „testament" gesproken wordt, zal moeten opmerken, dat het zijn beteekenis voor een deel ontleent aan de tegenstelling, waarin het wordt gebezigd.

Al staat dit woordje er niet overal bij, het verband maakt toch onbetwistbaar, dat wij steeds te denken hebben aan het nieuwe „testament" in tegenstelling of tenminste vergeleken met hetgeen daaraan voorafging.

Niet alleen is dit, gelijk zonder meer duidelijk is, het geval in 2 Cor. 3 ; hier toch werkt Paulus uitvoerig de tegenstelling uit tusschen het „nieuwe testament" en de bedeeling, dit door dit „nieuwe testament", waarvan hij dienaar" is , is vervangen. En deze bedeeling heet in dat verband de bediening „der letter", vs. 6 „de bediening des doods, der verdoemenis", vs. 7, 9 ; terwijl de oorkonde, de H. Schrift, waarin dit alles neergelegd is, in vs. 14 „het oude testament" wordt genoemd.

Doch ook waar de tegenstelling niet zoo breed wordt uitgewerkt of met zooveel woor den wordt genoemd, ligt zij toch duidelijk binnen den gezichtskring en in de gedachten van hem, die van het „nieuwe testament" spreekt.

Men leze slechts de berichten van de inzetting van het H. Avondmaal, om dit aanstonds in te zien.

De Heere Jezus spreekt van het „bloed des nieuwen testaments". Reeds het tijdstip, waarop Hij dat doet, moest voor Zijne Kerk een herinnering zijn aan de genadige beschikking Gods, die van dit „nieuwe testament" de voorafschaduwing was, en waarvan dit de vervulling is.

Immers Hij vierde met Zijne apostelen den pascha-maaltijd, waarbij de verlossing werd herdacht, door God aan Zijn volk uit de slavernij in Egypte bereid, en waarbij zij mochten roemen in de trouw des Heeren, die de beloften, aan Abraham en zijn nageslacht gegeven, gestand deed.

Toen Israël het juk mocht ontgaan, door 's Heeren hand uit het diensthuis uitgeleid, en gespaard voor den slaanden engel, die in Egypte de eerstgeborenen doodde, toen was immers het teeken waaraan kenbaar was, wie deelen zou in de sparende en reddende trouw Gods, het bloed van het lam, aan de deurposten gestreken.

Gedachtig aan dit alles, en in onderscheiding hiervan, gewaagt Christus bij den beker, die rondgaat, van het nieuwe testament in Zijn bloed.

Hoe heet dan nu toch het oude, waarvan die nieuwe de vervulling is, waarmee telkens dit „nieuwe testament" wordt vergeleken ?

Opmerkelijk is, dat in gansch het Oude Testament het woord „testament" niet voorkomt. Doch de zaak, waarop wij het oog hebben, draagt er toch wel een naam ?

Zij wordt er toch niet maar omschreven, en wel degelijk genoemd ? Het antwoord zweeft zeer zeker een ieder op de lippen.

Dat wij dit woord tot dusver vermeden, was opzet.

Deze beschikking Gods over Israël heet in het Oude Testament Zijn verbond.

Vanwaar dan dit eigenaardig verschijnsel, dat het verbond Gods, met Abraham en zijn zaad opgericht, in het N. Test. heet een testament ?

Wij zijn misschien niet gewoon, ons hiervan rekenschap te geven, omdat nu eenmaal in de Kerk des Heeren vanouds de boeken van het Oude en Nieuwe Verbond bekend staan als het Oude en Nieuwe Testament. Waarschijnlijk is dit onder den invloed van Paulus' woord in 2 Cor. 3 vs. 14 wat in vs. 15 wordt omschreven als „het lezen van Mozes", heet in vs. 14 „het lezen des ouden testaments."

Doch hoezeer ons dit alles ook vertrouwd' moge zijn, zoodat wij er wellicht niet eenmaal over nadenken, dit neemt toch niet weg, dat het verschijnsel opmerkelijk genoeg is om een verklaring te eischen.

Die verklaring nu ligt in de Grieksche overzetting van het Oude Testament. Het Hebreeuwsche woord toch, dat in de Staten-vertaling door „verbond" is weergegeven, vertalen de Grieksche vertalers door een woord dat allengs en bijna uitsluitend de beteekenis van „testament" heeft verkregen. Het Grieksche kent wel een woord, dat precies dezelfde waarde heeft als ons „verbond".

Dat de Grieksche overzetters van het O. Test. dit woord niet bezigden, vindt wellicht zijn verklaring in het juiste besef, dat het verbond Gods niet hetzelfde is als een verbond tusschen menschen gesloten.

Bij dit laatste denkt men aan een contract, verdrag of overeenkomst, tot stand gekomen tusschen twee partijen, na onderling overleg en na onderhandeling over de voorwaarden, waarop zulk een verbond zal bestaan.

Iets dergelijks nu is ten eenenmale buiten kwestie, waar het een verbond Gods geldt.

Ook hier zijn er twee, ook hier is een verbonds-plicht en verbonds-trouw. Doch de twee, die hier handelen, doen dat niet op voet van gelijkheid ; geen sprake kan er zijn van geven en nemen, van een accoord.

God de Heere is ook hier de souvereine God, die, o ja, in het verbond der genade Zijne genadige beschikking maakt voor Zijn volk, die zelfs met een eed zich verbindt, deze beschikking gestand te doen ; doch tegenover Wien van des menschen zijde geen sprake kan zijn van onderhandelen, van af-dingen of accordeeren.

God geeft Zijn verbond ; Hij houdt het in Zijn verbonds-trouw ; Hij neemt Zijne kinderen in dat verbond op, en van al wat in die verbonds-genade ligt opgesloten, geeft Hij hun verzekering door Zijn' H. Geest.

En het.volk des verbonds is Zijnerzijds gehouden, heeft de dure roeping, te houden ah hetgeen de God des verbonds van Zijn volk eischt.

Omdat het in den kring der bijzondere openbaring alzóó staat, was wellicht naar de meening der Grieksche vertalers van het O. Test. het Grieksche woord voor „verbond" niet geschikt om de verbonds-gedachte weer te geven, en kozen zij daarvoor het woord, dat ook in het N. Testament is vertaald met „testament".

Dit woord, dat ook in het Grieksch, de beteekenis heeft verkregen, gelijk bij ons, van „uiterste wilsbeschikking" is afgeleid van een woord, dat in het algemeen „beschikken", „een beschikking maken" beteekent.

De gedachte aan een uiterste wilsbeschikking of testament is er dus oorspronkelijk niet aan verbonden.

Dit moge toegelicht worden met een aanhaling uit Lukas 22, waar de Heere Jezus tot Zijne discipelen zegt, in vs. 29 (wij vertalen letterlijk uit den grondtekst) : „Ik beschik dan voor u, gelijk mijn Vader mij een Koninkrijk beschikt heeft, dat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koninkrijk."

Hier is van een „uiterste wils-beschikking geen sprake. Een oogenblik zou men dat nog kunnen meenen ; immers de Heere Jezus is hier met de Zijnen in de Paaschzaal, het lijden staat vlak voor de deur ; zoo juist heeft Hij gesproken van het nieuwe testament in Zijn bloed gegrond. De voorstelling is dus op zichzelve niet onmogelijk, dat Jezus als een soort legaat aan de Zijnen toezegt, dat zij eenmaal met Hem in Zijn Koninkrijk zullen aanzitten.

Doch, afgezien nog van het vreemde en onwaarschijnlijke van deze voorstelling moet zij beslist' als onhoudbaar worden afl gewezen. Immers geheel evenwijdig aan hetgeen Hij voor de Zijnen beschikt, loopt hetgeen de Vader, voor Hem, den Zoon, „beschikt" heeft.

Genoeg, om te doen zien, dat men bij het woord „testament", gelijk het in de H.Schrjft wordt gebezigd, niet altijd en overal de gedachte aan een uiterste wilsbeschikking moet verbinden. Of dit al dan niet het geval is, hangt van het verband af.

Wij kunnen na deze uitwijding, die noodzakelijk was tot recht inzicht, terugkeeren tot den brief aan de Hebreen, en vragen wat hier bedoeld wordt, wanneer hij hetgeen Christus tot stand heeft gebracht, ons voorstelt onder het beeld van een „testa­ment."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

„Naar de ordening van Meichizedek".

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's