Stichtelijke overdenking.
Een lied Hamaaloth. Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen zal. Mijne hulp is van den HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. Psam 121 vers 1, 2.
ONDER DE SCHUTS VAN JEHOVAH VEILIG.
De mensch heeft steeds noodig de bewarende hand Gods. Dat geldt voor het natuurlijk leven ; dat klemt méér nog voor 't geestelijk leven.
Hoe zijn we elk uur in gevaar; wij en onze kinderen. In gevaren voor het lichaam ; in gevaren voor de ziel. En hoe zal Gods kind staande blijven ; hoe zal hij vorderingen maken ; hoe zal hij zijn weg wèl aanstellen ; hoe zal hij in vrede nederliggen en hoe zal hij in woord en daad uitkomen voor de eere Gods en voor zichzelf en zijn huis steeds het goede kiezen ? Immers dan alleen, wanneer hij door genade uit Gods hand leeft, aan 's Heeren hand wandelt, en met 's Meeren vrees vervuld is. Dan alleen, wanneer de Heere hem genadlglijk nabij is !
Zie op de grooten in Israël 1 Zie op Abraham, Izaak en Jacob. Zie op David, Hiskia, Daniël, Ester. Geef acht op Petrus, op Stelanus, op Paulus. Hun aller levensweg is één groot bewijs, dat Gods kind moet belijden : door de genade Gods ben ik, die ik ben !
Daarom is het ook zoo dwaas van den mensch die van nature zijn betrouwen op alles zet, - behalve op God en alzoo — zonder God en zonder Christus — dat is zonder hope door het leven gaat. En wanneer de Heiland dan roept: „leer toch schuilen onder Mijne vleugelen, zooals de kiekens bij de hen", - — dan is het antwoord uit het midden der wereld : „wij willen niet bij U schuilen — wij redden het zonder U óók wel."
Zóó dwaas en zondig is de mensch uit en van zichzelf. Hij bedenkt liever onrecht op zijn legerstede ; hij wandelt liever naar de lusten des vleesches ; maar hij zal dan ook verderfenis maaien en het einde van alles zal wezen dat hij, ver van God de weelde zoekend, ten slotte voor eeuwig ellendig omkomt.
Daarom, zalig het volk, dat den God Jacobs tot zijne hulpe en zijn deel mag hebben. Die zijn wèl geborgen !
Niet, dat Gods kinderen er altijd zoo bij leven, om dicht bij den Heere te zijn en Hem te zoeken, aan Zijn hand te wandelen en door Zijn Geest te spreken. Hun dwaalziek hart begeert dikwijls zoo anders. Maar dat geeft wrange vruchten en het is een heerlijk oogenblik, als de ziele met oprecht schuldbelijden er toe komt om te zeggen : „Ik zal wederkeeren tot den Heere, want het was mij vroeger beter dan nu !"
Ja, dicht bij den Heere te mogen leven, dat is een zalig "leven. En neen ! dat vrijwaart niet voor allerlei wederwaardigheden, vol moeite en verdriet. Maar het doet dan ook in de bangste smarten ervaren, dat het onder de schuts van Jehova veilig is, in leven en sterven beide.
Laat de dichter van Psalm 121 maar eens spreken. Laat die pelgrimsreiziger zijn lied maar eens zingen. Laat die Sioniet maar eens verhalen wat hij op zijn reize door de Woestijn des levens heeft mogen ervaren ; Wat zijn troost, wat zijn sterkte is geweest.
Neen, hij heeft het niet zóó gehad, dat hij niets te vreezen had. Integendeel, waar hij hier geen blijvende plaats heeft en het voort, steeds voort moet van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar door dit ondermaansche leven, daar is de ervaring, dat het uitnemendste van het leven is moeite en verdriet. Hierin is de rechtvaardige niet onderscheiden van den goddelooze. Ja — ach, pijnlijke ervaring ! — het is wel zóo, dat de goddelooze schijnt op rozen te wandelen en Gods kinderen op doornen. Waarbij het harte vol twijfelmoedigheid soms kan i vragen, met Asaf in Psalm 73 : „zou God I het weten ; zou er wetenschap zijn bij den , Allerhoogste ? " Maar telkens als de nood op ; 't hoogst is gestegen, mag degene die God vreest toch ook weer ervaren, dat God het alles leidt naar Zijn raad en dat het beter is verdrukt te worden God kennende, dan voorspoedig te zijn in het kwade, waarbij des Heeren gunst en zegen verre weg is !
Zoo kent de dichter van Ps. 121 blijkens zijn reislied, dat hij als pelgrim zingt, de we : derwaardigheden des levens en hij weet van gevaren voor het lichaam en gevaren voor de ziel, van gevaren voor den tijd en gevaren voor de eeuwigheid. Maar de Heere is ! zijn deel. Bij Hem mag hij schuilen. In zijn God mag hij zich sterken. En op Hem leunend en steunend, is zijn belijdenis : „ik zal niet vreezen — wat zal een nietig mensch mij doen ? "
O ! wat is de godsdienst van velen anders.
En nu spreken we nog niet eens van die groote wereld, die roekeloos zonder God en godsdienst voortholt, zeggende : „laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen zijn we dood." Maar dan bedoelen we degenen, wier godsdienst schijnt te maken, dat zij zoo vol zijn bij zich zelf; dat zij zoo vast staan in zich zelf; dat zij God eigenlijk niet noodig hebben.
God heeft eigenlijk hén noodig — maar zij God niet.
Zij verschijnen dan ook met volle handen voor Zijn aangezicht. Ze wandelen onberispelijk. Ze helpen zich zelf. Ze zijn der volmaaktheid nabij. Rustig en ijdel zeggen ze dan ook : wat ontbreekt mij nog ?
Maar weg. de rijken zendt de Heere ledig
De regen vult niet wat hoog zich verheft, maar wat laag ligt.
En zoo iemand, die in de laagte woont en leeft is de dichter van Ps. 121. Die kan niet alleen gaan of staan. Die heeft overal en altijd een helper noodig. Hij vreest en beeft in het voortgaan. Want vleesch en bloed zijn niet gewillig en daarbij heeft hij een strijd tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
Ach, die zonden ! Ach, dat zondige hart ! Ach, die gevaren overal om te vallen en te struikelen, om ellendig straks om te komen !
Maar gelukkig — daar zingt hij al voortgaande door de woestijn des levens, met het aangezicht gericht naar Jeruzalem : „ik hef mijn oogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van den HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft.
Dat kon den Jood zoo verkwikken, dat gezicht van die bergen, die daar rondom Jeruzalem lagen. Wat veilig lag Sion zoo tusschen die bergen ! Diep waren ze ingeworteld in de aarde en hoog verhieven ze hun toppen tot nabij de wolken. Dat was het beeld, de afschaduwing van de tegenwoordigheid in 't midden Zijns volks. Wie binnen dien muur van bergen was, die was veilig.
En de pelgrim mocht er door bemoedigd worden door die bergen, te midden van zijn moeitevolle reis. Die bergen spraken van den HEERE, die trouwe houdt tot in eeuwigheid, ja, zelfs al zouden die bergen bezwijken, dan zou de HEERE nog stand houden ; Zijn verbond bezwijkt in der eeuwig heid niet; Hij laat nuoiv varen de werken Zijner handen.
Neen, de dichter-pelgrim verwacht het dus niet van de bergen. Ja — dat doet Gods kind wel eens. Denk ook maar aan de geschiedenis van Israël, Gods bondsvolk. Hoe dikwijls dwaalde hun oog en hun hart om van God af te wijken en te bouwen en te betrouwen op Egypte, op Syrië of op Assur. . Maar die bergen kunnen niet helpen. Dan worden die bergen als een rietstaf, welke breekt en het vleesch doorwondt.
Neen, geen hope stellen op de bergen. Want de wereldling gaat met z'n wereld ten onder ; de rijkaard gaat met z'n schatten verloren ; de man van de wetenschap zal weldra als een dwaas worden buitengeworpen ; en die op deugd en braafheid, op vroomheid of heiligheid het huis zijner hope heeft vastgezet, zal weldra bemerken dat de grond dien hij koos ter woning niets dan bedriegelijk zand heeft, dat geen fundament geeft voor tijd en eeuwigheid, voor lichaam en ziel beide.
Daarom is de toestand van den dichterpelgrim, in Ps. 121 ons geteekend, zoo'n begeerlijk goed. Klein in zichzelf mag hij zijn betrouwen stellen op den HEERE, den God des eeds en des verbonds. Die den hemel ecde aarde gemaakt heeft en met dat alles tot Zijn volk wil zeggen : al het Mijne is het uwe — Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld.
Met niet minder kunnen we toe.
Alleen die God, die den hemel en de aarde gemaakt heeft en zich in Jezus Christus aan Zijn volk geven wil als de bron van alle zaligheid, die God kan ons behouden, die kan ons naar lichaam en ziel gelukkig maken en ons verzadigen met vrede en blijdschap.
Arme mensch, die uw levensreis voortzet, zonder deze hulp te kennen. Gij zijt als een schip zonder roer. Gij gaat daar als een reiziger door de woestijn die verdwaalt en straks in handen van moordenaars valt. Gij zijt als de vogel boven de zee, welke moede wordt en geen rustpaal vinden kan voor het hol van haar voet en neervalt in de golven, die lachend ook dat slachtoffer begraven in-de diepte bij de vele anderen die reeds hulpeloos omkwamen.
Daarvoor behoeft Sion niet te vreezen.
Ja — de reis kan lang en bang en moeilijk zijn.
Zie op Abraham met al zijn wederwaardigheden. Let op Jacob, des zwervens zoo moe en zat van levensdagen. En dan David, die als een moegejaagd hert bijna bezwijkt of als een rotsgeit bijna verpletterd werd in de diepe spleten, welke hij vluchtend voor den dollen jager Saul telkens moest doorwandelen.
Of Jozef dan, die in doodsgevaar verkeerde door de haat van zijn broeders en de wraakzucht van Potifars vrouw.
En Daniël in den leeuwenkuil. Of Sadrach Mesach en Abed-Nego in den vurigen oven. En Johannes, de Apostel die om des Woords wil gevangen genomen werd en naar Patmos verbannen.
O ! de wederwaardigheden des levens zijn voor Gods kinderen velen. Zie op de martelaren. En gedenk het woord van den Heiland : „de dienstknecht is niet méér dan de Meester".
Klaagt de dichter van Ps. 56 niet : „Gij weet, o God ! hoe 'k zwerven moet op aard"?
Maar dan zingt hij ook : „Mijn tranen hebt G'in Uw flesch vergaard" en ziet, dat is weer de troost te midden van het lijden. De Heere weet er van ! De Heere let er op. De Heere houdt alles in evenwicht. En zeker, dan zullen de tegenspoeden en de kastijdingen en de straffen en de oordeelen niet uitblijven.
Als de ziele dan evenwel bij alles en boven alles maar weten mag : „de Heere is bij mij, ik zal niet vreezen" — dan zal de ziele ervaren wat de eenige, rijke en zalige troost des christens is : dat de Heere Zijn kind alzóó bewaart, dat zonder den wil van Zijn hemelschen Vader geen haar van zijn hoofd vallen zal, ja ook, dat alle ding hem tot de zaligheid dienen moet.
Behooren wij ook tot die reizigers naar Sion die zich veilig mogen weten onder de schuts van Jehova ? Die den eenigen troost beide voor leven en sterven mogen kennen door het geloof in Christus ?
Laat ons dan gemoedigd voortgaan, met de wereld onder den voet, Jeruzalem in 't gezicht en Jezus in 't hart!
„Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; elk hunner zal, in 't zalig oord van Sion, haast voor Gods verschijnen !"
Er blijft dan een ruste over voor 't volk van God.
Behooren wij ook tot dat volk dat het geklank kent en den God Jacobs tot ons deel mogen hebben? .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's