Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
Het artikel van prof dr. H. H. Kuijper dat we lazen in „De Heraut" van 13 Juni 1.1. is allerbelangrijkst door het historisch betoog dat nog eens in 16 punten kort wordt saamgetrokken. We laten het hier volgen.
Geen gunst maar recht. XXIIL
Ons historisch betoog om de rechten der Kerken te bepleiten, is hiermede ten einde gebracht.
Waar het vraagstuk van de financiëele afrekening tusschen Staat en Kerk officieel door de regeering aan de orde is gesteld, en in verband daarmede ongetwijfeld te wachten is, dat bij de aanstaande Grondwets herziening een voorstel door de regeering zal worden ingediend om art. 171 te wijzigen of te schrappen, daar was het zeker van belang een onderzoek in te stellen, in hoeverre de betaling dezer tractementen berustte op historische of verkregene rechten der Kerken, dan wel alleen te danken was aan de vrijgevigheid van den Staat.
Stelt men zich toch op het standpunt, dat van historische of verkregene rechten der Kerken op deze tractementen geen sprake kan wezen, dan volgt daaruit vanzelf, — althans wanneer men tegen deze subsidieering van de Kerken door den Staat principieele of practische bezwaren heeft — dat de eenvoudigste oplossing van dit vraagstuk is art. 171 te schrappen uit de Grondwet en de uitbetaling door den Staat te doen ophouden, zij het dan ook langs geleidelijken weg, om de Kerken niet door plotselinge inhouding dezer subsidie in het ongereede te brengen. Bij de Grondwetsherziening van 1887 is dit dan ook voorgesteld door mr. A. F. de Savornin Lohman en mr. De Geer van Jutfaas, die uitdrukkelijk uitspraken, dat zij van rechten der Kerken op deze tractementen niet wilden weten. Ook mr, I. H. Carpen-. tier AitlTig heeft hetzelfde standputitr ingenomen in zijn proefschrift over den Staat en de Kerkelijke financiën. Voor geen van beide soorten subsidiën, waarvan in art. 171 sprake is, zoo zegt hij, bestaat een verkregen recht der Kerk. De Staat heeft dus volle vrijheid deze Staatshulp op te heffen. 1) En waar volgens hem deze Staatshulp aan de Kerk in strijd is met het scheidingsbeginsel in de Grondwet neergelegd, acht hij het eisch, dat deze laatste band, die Staat en Kerk verbindt, verbroken worde. 2) Dat ook mr. Van Apeldoorn zich geheel op dit zelfde standpunt plaatst, is daarom niet te verwonderen. Hij ziet in deze Staatssubsidie niet alleen een schending van het scheidingsbeginsel van Staat en Kerk, maar vooral 'n gevaar voor de Kerk zelve en wil daarom evenzeer, dat de Staat door art. 171 te schrappen, deze subsidie doe ophouden. Van verkregen rechten der Kerk wil hij niets weten. De Staat, die uit vrijgevigheid deze subsidie aan de Kerken heeft toegekend, is volkomen bevoegd deze subsidie weer in te trekken, zonder daarvoor eenige vergoeding aan de Kerken verschuldigd te zijn.
Maar de Anti-Revolutionaire partij in ons land heeft zich nooit op dat standpunt geplaatst. Ook al ijverde zij evenzeer voor verbreking van den financieelen band tusschen Staat en Kerk, zij verklaarde uitdrukkelijk, dat dit geschieden zou „na uitbetaling aan de rechthebbenden van het rechtens verschuldigde" en ging dus uit van de gedachte, dat de Kerken recht hebben op een kapitaaluitkeering, omdat de uitbetaling der tractementen als 't ware, een rentelast was, dien de Staat op zich had genomen voor de kerkelijke goederen, die door den Staat geëigend waren.
Het was dit principiëele geding, dat daarom onderzocht moest worden, waar de wijziging van art. 171 weer aan de orde is gesteld. En waar mr. Van Apeldoorn beweerde, dat de voorstanders van de verkregen rechten der Kerk „tot dusver veelal meer in groote woorden dan in argumenten hun kracht plachten te zoeken", was het noodig, dat argument tegenover argument werd geplaatst.
In hoeverre het ons gelukt is mr. Van Apeldoorn door dit betoog te overtuigen, weten we niet. We vreezen zelfs, dat dit ook niet wel doenbaar zal wezen, omdat de strijd niet gaat over de feiten, maar over rechtsbeschouwingen, vooral over de vraag, welk recht aan de Overheid toekomt om over kerkelijke goederen te beschikken, en hierover steeds verschil van gevoelen tusschen theologen en juristen is geweest.
Voordat we echter de conclusies trekken die uit ons historisch betoog volgen, meenen we goed te doen met dit betoog, zelf in korte conclusies saam te vatten.
In de eerste plaats hebben we aangetoond, dat de goederen, waarom het hier gaat, door de eigenaars waren geschonken, hetzij voor de Kerk, hetzij voor een vroom doel.
In de tweede plaats, dat deze goederen, die vóór de Reformatie waren gegeven voor de uitoefening van den Christelijken eeredienst, na de Reformatie der Kerk, voorzoover het kerkelijke goederen waren, nu van zelf bestemd waren voor de tot Reformatie gebrachte Kerk. Niet aan een beslissing van de Overheid, die deze goederen nu ten dienste stelde van de Gereformeerde Kerken, maar aan het feit zelf, dat deze Gereformeerde Kerken, ook krachtens de beschouwing der Overheid, de wettige voortzetting waren van de aloude Christelijke Kerk in ons vaderland, dankten zij, dat die inkomsten dezer goederen nu voor den eeredienst dezer Kerken werden gebruikt. Dat de Over heid zich gerechtigd achtte vrij over deze Kerkelijke goederen te beschikken, is dan ook niet juist, evenmin als dat eerst door een besluit der Overheid de inkomsten dezer goederen voor de Gereformeerde Kerken bestemd zijn geworden. De Overheid heeft het recht van de Gereformeerde Kerken op de inkomsten dezer goederen erkend. En ze heeft zorg gedragen, dat deze goederen door hunne beheerders niet worden gealieneerd.
In de derde plaats dat de Overheid, voorzooveel de rechtstreeksche bestemming dezer goederen, na hét wegvallen der Roomsche-Kerk ophield, steeds erkend heeft, dat het pieus karakter dezer goederen bewaard moest blijven en daarom de inkomsten dezer goederen bestemd heeft voor pieuse doeleinden : de tractementen der predikanten, de opleiding van de studenten in de theologie, de verzorging der armen en het stichten en onderhouden van Christelijke scholen.
In de vierde plaats, dat de Overheid, door den nood der tijden gedwongen wel een deel dezer goederen heeft verkocht, om daar uit de oorlogskosten te bestrijden, maar daarbij erkend heeft, dat zij dit deed bij wijze van leening en daartegenover de verplichting op zich heeft genomen om de predikantstractementen te betalen.
In de vijfde plaats, dat de Overheid, in verschillende provinciën de kerkelijke goederen onder haar rechtsreeksch beheer heeft genomen in geestelijke kantoren, niet om deze tot haar eigendom te verklaren, maar om voor een betere regeling van de predikantstractementen te zorgen, waartoe zij als voedsterheer der Kerken de verplichting op zich had genomen.
In de zesde plaats, dat de Overheid in deze geestelijke kantoren ook heeft ondergebracht een deel der geestelijke goederen voor ditzelfde doel, omdat zij erkende, dat ook de inkomsten dezer goederen voor vrome 'doeleinden bestemd waren en daarvoor moesten gebruikt worden.
In de zevende plaats, dat de uitbetaling van de predikantstractementen, die deels geschiedde uit de inkomsten dezer geestelijke kantoren, deels uit daarvoor bestemde belastingpenningen, niet een vrije gift of gunstbewijs van de Overheid was, maar voor een deel inkomsten waren van de kerkelijke goederen, die de Overheid voor de Kerk beheerde, voor een deel een.vergoeding waren voor hetgeen de Overheid vroeger aan kerkelijke goederen had geconfisqueerd.
In de achtste plaats, dat na de Revolutie, die de scheiding van Staat en Kerk proclameerde, op gewelddadige wijze in deze rech ten der Gereformeerde Kerken is ingegrepen, doordat de Nationale Vergadering o.m. bepaalde, dat de kerkegoederen en de daarbij behoorende goederen, alsmede de pastoriehuizen, over de verschilende gezindheden zouden verdeeld worden ; dat de uitbetaling der predikantstractementen zou ophouden, en dat de goederen der geestelijke kantoren tot nationaal eigendom zouden worden verklaard en dienen zouden voor Staatsonderwijs en Staatsarmenzorg.
In de negende plaats, dat deze besluiten der Nationale Vergadering niet anders zijn geweest dan een roof tegenover de Gereformeerde Kerken gepleegd, aangezien de Overheid, zoodra de band met de Kerk ophield, ook geen beschikkingsrecht had over de kerkgebouwen en pastoriehuizen ; ze evenmin het recht had om de goederen der geestelijke kantoren tot nationaal eigendom te verklaren en voor andere .doeleinden te bestemmen ; en zij door het intrekken der predikantstractementen te kort deed aan de verplichting, die de Overheid op zich genomen had om deze tractementen te betalen als vergoeding voor de vroeger genaaste goederen.
In de tiende plaats, dat. dit besluit der Nationale Vergadering de facto nooit is uitgevoerd, aangezien de uitbetaling der tractementen uit de geestelijke kantoren is blijven voortduren en eerst door Koning Lodewijk de fondsen dér geestelijke kantoren in 's Lands kas zijn overgebracht, maar onder uitdrukkelijke bepaling, dat de tractementen aan de predikanten der Hervormde Kerk uit 's Lands kas zouden worden betaald.
In de elfde plaats, dat Koning Lodewijk, die het in het belang van den Staat achtte, dat de geestelijken van alle Kerken Staatstrac'tement ontvingen, daarom bepaald heeft, dat ook aan de geestelijken van andere gezindheden een tractement zou worden uitgekeerd, voor zoover de staat van de schatkist dit veroorloofde.
In de twaalfde plaats, dat onder het Napoleontisch bewind deze uitkeering der tractementen wel tijdelijk heeft opgehouden, maar dat na de Restauratie Koning Willem I terstond gelast heeft de vroegere tractementen weder uit te keeren, en als motief daarvoor heeft aangegeven niet alleen het belang van den Staat en den godsdienst, maar ook het feit, dat de goederen uit de geestelijke kantoren door het vorig bewind in de Staatskas waren overgebracht; zelfs werden de achterstallige tractementen, voorzoover zij vroeger uit deze geestelijke kantoren betaald werden, weder vergoed.
In de dertiende plaats, dat in de eerste Grondwet van 1814 dan ook scherp onderscheid werd gemaakt tusschen de tractementen aan de Hervormde Kerk uit te betalen, en de toelagen, die aan de andere gezindheden werden uitbetaald, omdat men erkende, dat bij de Hervormde Kerk van verkregene rechten sprake was.
In de veertiende plaats, dat in de Grondwet van 1815 wel met het oog op de vereeniging met het Roomsche België de uitdrukkelijke vermelding van rechten der Hervormde Kerk uit de Grondwet werd weggelaten, maar in alinea 1 van art. 171 (168 vroeger) nu de algemeene bepaling werd opgenomen, dat de tractementen, pensioenen en andere inkomsten aan de onderscheidene gezindheden, of derzelve leeraren, in 1815 genoten, verzekerd werden, terwijl daaraan in alinea 2 de bepaling werd toegevoegd, dat deze tractementen verhoogd of ook aan andere leeraren konden worden toegekend.
In de vijftiende plaats, dat het daarom onjuist is, dat dit artikel niet bevat de erkenning van verkregen rechten, maar louter steunt op gronden van doelmatigheid, gelijk mr. Van Apeldoorn beweert, aangezien de wordingsgeschiedenis van dit artikel, dat rust op de Grondwet van 1814 en daarachter op het besluit van Koning Lodewijk van 5 April 1808, wel degelijk bewijst, dat hierin een erkenning school van de historische rechten der Hervormde Kerk ; zooals dan ook door het arrest van den Hoogen Raad van 5 Mei 1848 feitelijk erkend is geworden.
In de zestiende plaats, dat in art. 171 dus twee beginselen liggen opgesloten, die wel te onderscheiden zijn ; vooreerst, dat men aan de Hervormde Kerk, die van haar fondsen was beroofd door het vorig bewind, wilde verzekeren de uitbetaling der tractementen, vroeger uit de geestelijke kantoren geschied ; en ten tweede, dat men aan alle gezindheden in het belang van Staat en godsdienst beide, subsidie wilde verleenen, niet krachtens verkregen rechten, waarvan bij deze gezindheden geen sprake was, maar als vrije gift van den Staat.
Het meest afdoende bewijs, dat dit de bedoeling van artikel 171 der Grondwet is geweest, ligt wel hierin, dat volgens de begrooting van dit jaar de Hervormde Kerk ontving f 995.347, de Evangelisch Lutherschen ƒ 21.300, de Doopsgezinden ƒ 5000, de Remonstranten ƒ 12000 en de Roomsch-Katholieken ƒ 187.265. Indien het beginsel was geweest, dat de Staat alle Kerken had te subsidiëeren en bij deze subsidie natuurlijk de Kerken gelijke rechten hadden, hoe is het dan te verklaren, dat aan de Hervormde Kerk een dergelijk bedrag werd verzekerd ? Het bedrag van bijna één millioen aan de Hervormde Kerk staat toch in geen de minste verhouding tot het zielenaantal dezer Kerk, wanneer men ziet, dat aan de Roomsche Kerk nog geen twee ton werd verzekerd. De toekenning van een dergelijk bedrag aan de Hervormde Kerk, in de Grond wet vastgelegd, kan niet anders verklaard worden dan omdat men erkende, dat de Hervormde Kerk hier bijzondere rechten kon doen gelden. Dr. H. H. K.
1) CARPENTIER ALTING. De Staat en de Kerkelijke financiën biz. 15Ó. 2) t. a. p. blz. 157. 3) Aldus opgegeven bij CARPENTIER ALTING, t.w. blz, 151.
EEN HISTORISCHE DAG. 30 Mei 1920.
De vrienden van het .christelijk onderwijs hebben Woensdag 30 Mei 1920 aangeteekend. 't Is een historische datum. Wat 't best begrepen wordt door degenen die de historie van het christelijk onderwijs kennen Heeft de Heere geen groote dingen onder ons gedaan ? Dies zijn we verblijd !
Volkomen finantieele gelijkstelling voor het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs. Gelijk recht voor die beide scholen. Onze scholen met den Bijbel niet langer achtergesteld bij de overheidsscholen. Wie, wie had het durven denken, dat dit nu zoo in eens door ons zou zijn verkregen ? En in betrekkelijk vlug tempo is het nu gekomen. Nu het juist een tijd is, dat vooral door opzegging van hypotheek de bestaande scholen in zoo groote moeilijkheden kunnen zitten en het bouwen van nieuwe scholen schier ondoenlijk was, vooral in de steden, door de duurte van grond, loonen en materialen.
Maar de Heere heeft uitkomst gegeven. En nu zijn we verblijd ; om met luider stemme den Heere eere te geven voor de ooren des volks.
Onze vaderen hebben zich steeds grootelijks geïnteresseerd voor de school, voor het onderwijs van hun kinderen, voor de opvoeding der jeugd. Dat is ook geheel naar de Schrift en geheel overeenkomstig de practijken der christenen, van de oudste tijden af aan. Het kind is een zoo dierbaar pand. En daarom ging de opvoeding en het onderwijs van dat kind ook elk rechtgeaard vader en moeder zéér ter harte.
Wat heeft Luther niet grootelijks z'n aandacht geschonken aan de schoolzaak ! En wat getuigt de Dordtsche Synode met de Dordtsche Kerkorde, dat onze Calvinistische Vaderen hun zorgen hebben gewijd aan de school en het onderwijs daar te geven aan de gedoopte jeugd.
De Revolutie heeft ook hier veel verandering gebracht ; en niet ten goede, maar ten kwade, 't Onderwijs zou los komen te staan van Gods Woord en de school met den onderwijzer moesten „neutraal" (lees onverschillig) zijn tegenover God en Zijn dienst. Waarbij onze Vaderen, zij 't dan als een kleine groep, steeds om Gods wil en om de wille hunner kinderen, hebben geprotesteerd steeds vragende om de school weer in te richten naar oud model : met den Bijbel in de school en de verkondiging van 's Heeren deugden bij-alle onderwijs.
Maar neen naar de stem van die ouders werd niet gehoord, de Overheid zou beslissen. En de Overheid, welke geen recht heeft op onze kinderen, daar de Heere ze aan de ouders gaf ter verzorging, besliste, tegen den wensch van duizenden en duizenden in den lande ingaande, dat het onderwijs der jeugd in alle geledingen godsdienstloos zou wezen, zonder gebed, zonder lezen van Gods Woord, zonder belijden van Jezus Christus, den Zaligmaker, Die den eenigen naam onder den hemel draagt tot verlossing.
Het onderwijs moest en zou neutraal zijn. Niet dus naar den regel der Schrift, die zegt, dat de vreeze des Heeren het beginsel is der wijsheid. Niet naar het beginsel dat uitblinkt in des Heilands woord : „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen."
Neen — de aarde, en alleen de aarde zou 't zijn waarom het moest gaan bij het onderwijs ; en dat waar de Heiland gezegd heeft: „Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods."
Onze Vaderen in de vorige eeuwen hebben daartegen gestreden zooveel zij konden. Zij wilden Christelijk onderwijs. Zij wilden scholen met den Bijbel. En dan maar naast de openbare, neutrale Overheidsschool, als de Overheid weigerde zelve belijdenis te doen van het Christelijk geloof.
Zoo werd het sinds Mei 1830 in handen van de gewestelijke Overheid gelegd om ver lof te geven voor schoolstichting. Maar de liberale bewindsmannen (die weinig wisten van verdraagzaamheid als het de positieve belijdenis der Christenen betrof!) hadden niet zelden den euvelen moed autorisatie voor het stichten van een bijzondere school voor Christelijk onderwijs te weigeren of 't bouwen en onderhouden van zoo'n bijzondere school met den Bijbel zoo moeilijk mogelijk te maken.
In Groen van Prinsterer vond het Christelijk volksdeel, dat vroeg om de bijzondere school met den Bijbel, z'n geestelijken leidsman. Hij werd de van God gegeven kampioen, die den strijd aanbond tegen den reus die daar stond in de openbare, neutrale Overheidsschool. En werd de Schoolwet van Van der Brugghen in 1857 een groote teleurstelling, de strijd werd niet opgegeven, maar integendeel met heilig heroïsme des geloofs voortgezet. En werd de Schoolwet van Kappeijne van' de Capello in 1878 als een scherpe resolutie, om de zaak van het Christelijk onderwijs geheel dood te maken, nauwelijks had dat scherpe, venijnige woord geklonken van achter den ministerstafel : „Dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden, want ze zijn de doode vlieg, die de zalf des apothekers stinkende maakt" — met welke doode vlieg het Christelijk volksdeel bedoeld werd ! — of die doode vlieg bewees te leven. Ons Christenvolk werd wakker. En in een paar dagen teekenden 300.000 Protestantsch-Christelijke ouders het bekende petitionnement waarnaast 165000 R.K. ouders hun handteekening zetten. Dat verzoekschrift om een school met den Bijbel werd den Koning op het Loo gepresenteerd, met het nederige verzoek de wet-Kappeijne niet te teekenen, maar hoe vriendelijk Z.M. de vertegenwoordigers van het Christelijk volksdeel ontving, spoedig stond toch "de wet-Kappeijne in het Staatsblad.
Die gedacht hadden dat nu de „drukte" van „die Christelijke menschen" (men noemde ze ook wel „die fijnen", of ook wel nóg anders ) wel uit zou zijn, en men van scholen met den Bijbel weldra wel niets meer zou hooren, die hebben zich deerlijk vergist.
Men hield vol. Men streed den bangen strijd met frisschen moed en heilig vuur. En de Heere gaf in 1890 in de wet-Mackay aanvankelijk de kroon op het werk. Toen werd het recht der bijzondere school erkend. Toen werd aan de scholen met den Bijbel ook subsidie gegeven. Maar ach ! wat was het nog weinig. Wat was het bouwen nog moeilijk ; wat moest voor de salarissen en voor schoolonderhoud nog ontzettend veel worden betaald uit eigen beurs. Gelukkig, dat de Christenouders geen offer ontzagen voor hun scholen, waaraan zij zoo innig verbonden waren, omdat ze waren gebouwd naar den eisch van 's Heeren Woord en moesten dienen om hun kinderen te onderwijzen voor tijd en 'eeuwigheid. Overal verrezen Christelijke scholen. Maar lang, lang nog niet in voldoende mate. Ook al mee hier door, daar het vaak boven de kracht ging van hen, die er toe geroepen werden om de hand aan den ploeg te slaan.
In 1905 kwam toen gelukkig de wet-Kuijper. Dat was wéér een schrede voorwaarts. De rechten van de scholen met den Bijbel werden uitgebreid. En het getal dier scholen werd grooter.
We herinneren ons nog dat de 1000ste school werd geopend. Wat blijdschap ! En het werd straks 1100, zelfs over de 1200.
De pacificatiegedachte won hoe langs hoe meer in kracht, ook voor het terrein van het onderwijs. De liberale minister Cort van der Linden stelde het zich als levensdoel, reeds oud geworden zijnde, om de schoolkwestie op politiek terrein tot oplossing te brengen. En art. 192 van de Grondwet is door zijn toe doen zóó gewijzigd, dat de deur voorvolkomen gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs open stond.
Toen kwam Minister De Visser. En hij gaf eerst zijn salariswet, waarbij de salarissen van al de onderwijzers voor rekening van de Overheid kwamen ; waardoor de schoolbesturen grootelijks werden ontlast en de onderwijzers zéér waren gebaat.
Hiermee was Minister De Visser echter niet tevreê.
't Ging om de algeheele gelijkstelling op het terrein van het onderwijs en ziet, door de wet, welke 30 Mei 1920 in de Tweede Kamer is aangenomen, is aan het bijzonder onderwijs voortaan een gelijke plaats gegeven met het openbaar onderwijs ; waardoor dus nu de ouders volkomen vrijheid hebben verkregen om scholen met den Bijbel te bouwen, waar hun gedoopte kinderen kunnen worden onderwezen, naar uitwijzen van Gods Woord. Dit is van den Heere geschied. Hij heeft iets groots onder ons gedaan ; dies zijn we verblijd en prijzen we Zijnen Naam !
En nu moeten we aan 't werk.
Want we hebben de ruimte niet gekregen om ongebruikt te laten. We hebben de vrijheid niet, om te gaan rusten op onze lauweren. We mogen niet gaan inslapen. Neen, nu moet het een heilig wedijveren worden in het bouwen, opdat ons ideaal mag worden verwezenlijkt: alle gedoopte kinderen van ons volk op een school met den Bijbel!
Daar, onder de schaduw van het Kruis, daar zijn ze veilig. Daar, waar het geklank van het Woord is, daar moeten ze vergaderd worden.
Onze Vaderen hebben in deze veel gedaan Zij hebben gebeden, gestreden, geofferd •— wij, , hunne kinderen, wij mogen niet voor hen onder doen. En hebben zij in de koude van den nacht gearbeid en veel verdriet daarbij geleden, wij die nu den morgen van den dag der vrijheid beleven mogen, wij zullen inspannen al onze krachten om nu de 12 uren van den dag te werken.
De vijanden van het Christelijk onderwijs zouden het wel graag anders zien.
Die zouden wel willen, dat we nu gingen inslapen en met de handen in de schoot zitten.
De Heere beware er ons voor!
En dan ook voor dit : dat we nu minder nauwkeurig acht zouden geven op het beginsel.
Want als dat gebeurde, dan was 't mooie van de schoolzaak af.
En we moeten er ons op voorbereiden, dat hier gevaren ons dreigen. Juist immers als het zoo makkelijk gaat is het gevaar niet denkbeeldig, dat de zuiverheid van het beginsel gaat minderen. Waarbij vooral ook gevaarlijk is, wanneer de Overheid gaat zeggen : „voor wat, hoort wat."
Als de Overheidszorg komt over de stichtingen van het particuliere initiatief, wordt zoo gemakkelijk onze vrijheid weer aan banden gelegd. En het laatste zou erger zijn dan het eerste, als het eind van den zegepraal op onderwijsgebied werd, dat de Staat ons in onze vrije scholen zóó ging binden, dat de vrijheid principieel gebroken werd.
Wat zouden de vijanden van het Christelijk onderwijs lachen, als het einde van den strijd ten slotte zoo nog den ondergang van de scholen met den Bijbel bracht.
Vermeldenswaardig is hier, wat dr. Colenbrander de liberale Kroniekschrijver in „De Gids" vroeger schreef : „Laat" — zoo zeide hij — „laat de kerkdijken aan den •Staatsruif, om er zich den dood te. eten." En hij riep zijn liberale vrienden verder toe : „Gebruik het oogenblik, waarop de tegenstanders van hunne offervaardigheid genoeg krijgen, om uwe eigene aan te kweeken." We zijn dus gewaarschuwd.
We zijn dus gewaarschuwd. Neen, we laten de banier, door onze Vaderen zoo kloek gedragen, nu niet in het slijk vallen.Neen, we gaan ons niet dood eten aan de staatsruif. Ons ideaal is en blijft : „de school met den Bijbel de beste school" en verder : „de school met den Bijbel overal."
Wezenlijke gevaren dreigen. Mnder offervaardigheid ; minder liefde ; minder gebed ; minder getrouwheid bij de ouders, bij de bestuursleden, bij de onderwijzers.
Neen, hier behoeft de een niet op den ander te zien, maar hebben we saam te waken en te bidden, dat we niet in verzoeking komen !
Ook dreigt er, dat we onnoodige versnippering krijgen bij 't stichten van scholen met den Bijbel.
Zeker, er zijn onderscheiden kringen onder ons en dus zal ook wel onderscheiding noo dig en gewenscht zijn bij onze vereenigingen en onze scholen.
Maar laat ons oppassen, dat we onze krachten niet verteeren met allerlei gekibbel en met een strijd om beuzelingen.
't Zijn immers „sterke beenen die de weelde dragen kunnen"?
En dan wat de huishouding van onze school aangaat. Ook daar hebben we toe te zien, dat we niet onder de macht van vreemden vallen.
Er is al op 't volgende gewezen :
„De nieuwe wet bevat enkele bepalingen, die reden tot bezorgdheid geven. Terwijl de wet-Kuijper in 1905 voor 't eerst aan de bijzondere scholen den plicht oplegde, aan den Schoolopziener een leerplan te toonen, gaat de wet-De Visser reeds een stap verder en bepaalt, dat het leerplan niet door den Onderwijsraad (een Regeerings-orgaan) om bepaalde redenen mag zijn afgekeurd. Een gewichtige verandering, die ons in de toekomst nog veel kwaad kan doen.
Een andere gevaarlijke bepaling schrijft thans voor, dat de benoeming onzer onderwijzers voortaan slechts geschieden mag na overleg met het Rijks-Schooltoezicht. Dit voorschrift lijkt theoretisch tamelijk onschuldig, maar zou in de praktijk voor vele onzer scholen wel eens fataal kunnen werken.
Meer dan ooit dienen wij daarom op onze hoede te zijn en ons er op toe te leggen, om ons Christelijk onderwijs, dien rijken zegen, door onzen God ons geschonken, voor dreigende gevaren te bewaren en vooral het zoo veel mogelijk te sterken. De historie weet menig voorbeeld van een nederlaag, die 't begin werd eener overwinning, maar óók van een overwinning, die verkeerde in een nederlaag! Zij, die in stad en dorp de leiding in handen hebben, mogen zich wel eens ernstig afvragen, welke nieuwe eischen de toekomst ons stelt."
We zijn dus gewaarschuwd ; en een gewaarschuwd man telt immers voor twee ?
Daarom zullen we er naar staan om het dierbaar pand ons toebetrouwd ongeschonden te bewaren. En met de talenten ons toebetrouwd zullen we winste zien te maken, in stad en dorp, overal !
UIT DE CLASSIS EDAM.
„Van de Classicale vergadering van Edam komt treurig nieuws" — zoo schrijft het „Weekbl. voor de Vrljz. Hervormden."
„Alle bestuurbenoemingen voor een lid van het Provinciaal kerkbestuur met zijn plaatsvervanger en voor drie leden van het Classicaal Bestuur met hun plaatsvervangers — zijn door de orthodoxie gewonnen. In het Provinciaal Kerkbestuur van Noord Holland zijn dus nu alleen de classes Hoorn en Alkmaar door vrijzinnigen vertegenwoordigd. De andere drie, Amsterdam, Haarlem en Edam, hebben orthodoxe vertegenwoordigers.
Vrij zeker is deze uitslag een gevolg van het feit, dat enkele vrijzinnige gemeenten in de classis vacant zijn, en mag er niet uit worden afgeleid, dat deze classis overwegend orthodox is geworden.
De zaak zal wellicht later weer in orde komen.
Maar intusschen staat het nu vast, dat het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland gedurende eenige jaren een orthodoxe meerderheid zal hebben, en orthodoxe afgevaardigden naar de Synode zal zenden. Dit zou toch al zoo zijn, omdat juist Amsterdam en Haarlem een ouderling-lid voor het Provinciaal Kerkbestuur mochten aanwijzen, maar de termijn wordt hierdoor in elk geval verlengd. Het is ontzettend jammer."
Tot zoover het Vrijz. Weekblad.
Het is dus waar gebleken wat wij de vorige week in ons overzicht van de gehouden Class. Vergadering meedeelden.
Men kan begrijpen, dat wij dr.Niemeyer niet nazeggen „het is ontzettend jammer".
GEEN SUCCES GEHAD.
Het was vooral dr. Niemeyer, voorzitter van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden wn hoofdredacteur van het Vrijz. Weekblad,
Men weet, dat ook wij aanstonds, afgezien van andere dingen, tegen deze manier van doen hebben geprotesteerd.
Wil men voor een dergelijke zaak opkomen — nadat het reeds zoo dikwijls geprobeerd is, met een eindresultaat gelijk nul dan moet men dat zelf weten.
Maar wie het doet, als de regeling va de predikantstractementen aan de orde die verdient een tik op de vingers.
Dr. Niemeyer heeft er dan ook genoeg ontvangen, van rechts èn van links.
En nu de campagne achter den rug is de Class. Vergaderingen voorbij zijn moet hij zelf in het Vrijz. Weekblad constateeren dat zijn opzet mislukt is en dat wat hij zelf voorgesteld had leelijk is uitgebleven.
Behalve wat hij daaromtrent zegt aan het adres van ds. Boer, ds. Eilerts de Haan, ds. Coolsma enz. (de laatste had o.a. gezegd, „wel zal het ons verbazen, hoe lang de linkerzijde zich laat koeionneeren door zoo'n partijleider") zegt hij in 't algemeen nu dit:
„Het (reglement op de predikantstractementen zooals het door de Synode was voor gelegd aan de Class. Verg. het zal wel niet worden aangenomen met gelijktijdige voorziening in de verzorging van minderheden.
De vrijzinnigen hebben zich lang niet algemeen gehouden aan de gedragslijn, die door de Deventer motie was aanbevolen.
En slechts weinige orthodoxen hebben. met den daarin gestelden eisch instemming betuigd.
Wij zijn van oordeel, dat vele orthodoxen anders zouden hebben gehandeld, als vrijzinnigen eensgezind waren geweest, overal voet bij stuk hadden gehouden.
Daaromtrent is echter toch geen zekerheid te verkrijgen, en het heeft weinig zin er nu beschouwingen over te houden. Er toch geen verandering meer in te brengen.
Intusschen achten wij het vrij zeker, di de poging, om de invoering van het Reglement gepaard te doen gaan met voorzien! in de zorg voor de minderheden, mislukt moet heeten."
Men had moeilijk ook onhandiger kunnen uithalen ; waarbij het ons lood om oud ijzer is, of een ouderling te Deventer of de hoofdredacteur van het Vrijz. Weekbl. er de operateur van is.
Intusschen hebben allen die zich tegen dergelijk gedoe verzet hebben ongezouten uit de pan gehad, gelijk dat wel aan dr. Niemeyer „den partijleider der linkerzijde" kan worden overgelaten. Op dat gebied heeft hij zijn sporen verdiend,
REGLEMENT OP DE PREDIKANTS-TRACTEMENTEN.
Wij duchten geen tegenspraak wanneel we zeggen, dat prof. Slotemaker de Bruïne iemand is, die ook te midden van ons kerkeiijk leven een goeden kijk op de dingen heeft en stuur weet te geven bij zooveel dat om een goede regeling vraagt. Het mag dan waar zijn, dat hij soms de dingen aanraakt en begint, om ze dan verder te laten zitten, niet minder geldt van hem dat wat hij zich heeft voorgenomen, óok weet uit te voeren.
't Blijkt ook weer in zake de regeling van de predikantstractementen. Want was degene die van het voorloopig door de Synode aangenomen reglement aanstonds verklaarde, dat het onuitvoerbaar zou wezen en dat het streed met de eerste beginselen van ons kerkrecht, hij heeft het niet bij tegenstemmen en bij critiek gelaten ; hij heel zelf 'n reglement ontworpen, dat intusschen is gepubliceerd en dat groote kansen maakt straks te worden aangenomen.
We laten het voornaamste er van hier volgen :
Allereerst wordt voorgesteld in het Reglement op de vacaturen een bepaling . te nemen, waardoor vacante gemeenten slechts een beroep zullen kunnen uitbrengen indien o.a. gebleken is, dat het aan de predikantsplaats verbonden tractement niet blijft beneden een zeker minimum, of, vermeerderd met de uitkeering uit de Generale Kas, het Fonds tot verbetering der schraalste predikantstractementen en de Kas inzake de predikantstractementen, tot het bedoelde minimum stijgt.
Dit minimum wil hij voor elke gemeente zien bepaald door de Synodale Commissie nadat deze de betrokken kerkelijke besturen heeft gehoord, en overleg heeft gepleegd met de Provinciale Colleges van Toezicht die de belanghebbende administratiën hooren, of in gemeenten met vrij beheer na overleg met de betrokken administratiën.
Hieraan verbindt hij nog de volgende bepalingen.
Is het door de Synodale Commissie vastgestelde minimum niet van den datum van vaststelling af uitgekeerd, dan wordt bij later ontstane vacature het beroepingswerk eerst mogelijk, indien het ontbrekende, te rekenen van den datum der vaststelling alsnog aan den predikant of zijn rechtverkrijgenden uitgekeerd.
Naast deze bepalingen stelt prof. Slotemaker de Bruine voor een nieuw Reglement op de Kas in zake de Predikantstractementen enz. van 15 artikelen, waarin dan verwerkt is de gedachte, dat de Ned. Herv. Kerk niet bestaat uit leden maar uit gemeenten, alsook dat de gemeente en niet de Kerk in haar geheel de eerstaangewezene is om voor het tractement enz. te zorgen. Door de stichting der Kas v/ordt uitgedrukt, dat krachtens de solidariteit tusschen de gemeenten der Kerk, de kapitaalkrachtige gemeenten de andere moeten helpen en bijstaan.
De artikelen luiden aldus :
Art. 1. Er bestaat een kas inzake predikantstractementen ten behoeve van de gemeenten der Nederlandsch Hervormde Kerk.
Art. 2. De inkomsten der kas bestaan uit : a. een aanslag over de gemeenten der Kerk, b. giften, erfstellingen en legaten, c. de gelden uit de Generale Kas en het Fonds tot verbetering der schraalste predikantstractementen, die volgens besluit der Synode in de Kas worden gestort.
Hier worden de gemeenten aangeslagen en blijven deze volkomen vrij in de bepaling van de wijze, waarop zij de gevraagde som zuilen bijeenbrengen.
Art. 3. De aanslag over de gemeenten wordt vastgesteld door de Algemeene Synodale Commissie naar de draagkracht der gemeenten, de betrokken kerkelijke Besturen gehoord, en in gemeen overleg met de Provinciale Commissie van Toezicht, die de kerkelijke administratiën hooren, of, voor zooveel het gemeenten betreft, die niet bij het Algemeen College van Toezicht zijn aangesloten, in gemeen overleg met de belanghebbende administratiën.
Minstens eenmaal in de vijf jaren worden op dezelfde wijze de aanslagen herzien.
Van de te dezer zake door de Algemeene Synodale Comm. genomen besluiten staat beroep open op de Algemeene Synode.
Art. 4. Uit de kas worden verstrekt : a. toelagen aan gemeenten, die niet bij machte zijn, uit eigen middelen het in het reglement op de Vacaturen art. 41 bedoelde minimum te bereiken, b. toelagen aan predikanten in verband met dienstjaren en kindertal.
Art. 5. De bevoegdheid, om te bepalen, of een gemeente bij machte is, uit eigen middelen het minimum te bereiken, en, indien dit niet het geval is, om te bepalen, of een gemeente naar vermogen haar roeping inzake het predikantstractement vervult, berust bij de Algemeene Synodale Commissie, die zich daarbij gedraagt naar art. 3, al. 1 van dit Reglement.
Van hare besluiten te dezer zake staat beroep open op de Algemeene Synode.
Art. 6. Indien de stand der Kas niet toelaat, alle in aanmerking komende gemeenten volledig te helpen, is de Algemeene Synodale Commissie bevoegd, alle gemeenten gedeeltelijk te helpen of wel sommige gemeenten geheel en andere gedeeltelijk of in het geheel niet.
Art. 7. Tijdens een vacature worden geen toelagen uit de Kas verstrekt.
Art. 8. Aan zoogenaamde gestichtsgemeenten worden geen uitkeeringen uit de Kas gedaan. Predikantsplaatsen naar de vierde afdeeling van dit Reglement komen alleen in bijzondere gevallen, ter beoordeeiing van de Algemeene Synodale Commissie, in aanmerking voor een toelage.
Art. 9. Aan ieder predikant worden tien tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ 200.— uitgekeerd. De jaren, die een predikant als hulpprediker heeft gediend, tellen mede bij de berekening van zijn recht op verhooging.
Art. 10. Aan ieder predikant wordt voor elk kind tot 6 jaar ƒ 50, voor die van 6 tot 12 jaar ƒ 100, voor die van 12 tot de wettige meerderjarigheid ƒ 200 per kind uitgekeerd.
In gezinnen met meer dan drie kinderen worden de kindergelden met 50 % verhoogd.
Art. 11. Predikanten van zoogenaamde gestichtsgemeenten genieten geen toelage uit de Kas, predikanten voor bijzondere werkzaamheden slechts in bijzondere gevallen, ter beoordeeling van de Algemeene Synodale Commissie.
Art. 12. Het kindergeld wordt ook uitgekeerd voor hinderen van emeriti en van predikanten die als dienstdoend of emeritus zijn overleden. Kinderen, geboren uit een huwelijk, na het ingaan van het emeritaat gesloten, ontvangen het kindergeld niet.
Art. 13. Indien de stand der Kas niet toelaat alle uit art. 9 en 10 volgende uitkeeringen volledig te doen, geschieden de uitkeeringen voor allen ponds-ponds-gewijs.
(Omdat er voor alle predikanten gelijk recht moet heerschen).
Art. 14. Met de uitvoering van dit Reglement zijn belast de quaestor-generaal en de Classicale quaestoren.
De kosten, vallende op de uitvoering van dit Reglement, worden gedragen door de Algemeene Kas der Ned. Herv. Kerk ten behoeve van haar bestuur.
Dit is wel het voornaamste uit het door prof. Slotemaker de Bruine voorgestelde reglement.
Daar er volgende week, nadat de vergadering van 15 Juli te Utrecht gehouden zal ^'jn, nog wel meer zal zijn te vermelden, zullen we het hierbij laten en zien wat of bedoelde vergadering, uitgeschreven door den oond van Predikanten, voor resultaten gehad heeft.
VAN GROOTE BETEEKENIS.
Niet eiken dag maken we melding van een beroep. Maar nu geldt het Amsterdam, de eerste stad van ons land en nu betreft het een beroep van ds. Remme, lid van ons hoofdbestuur. De Kerk van Amsterdam neemt vanouds een voorname plaats in in het midden van het kerkelijk leven en ook nu nog is dit het geval. Daarom was het ons een zaak, waarover we ons hartelijk verheugden toen we lazen, dat er door het Kiescollege een drietal van Gereformeerde predikanten was gevormd. Dat teekent; niet alleen voor Amsterdam, maar voor heel het kerkelijk leven. We gaan vooruit ! Het gaat goed ! Het gaat goed in stad en dorp. En nu het beroepingswerk te Amsterdam zóó geleid is geworden, dat ds. Remme is gekozen, wenschen we hem gaarne ook langs dezen weg van harte geluk, den wensch uitsprekende, dat de Heere hem straks volle vrijmoedigheid mag geven om dit beroep aan te nemen.
En Huizen dan ? Huizen heeft alle oorzaak om dankbaar te zijn, nu jaren achtereen in ds. Remme een zoo uitnemend leeraar te hebben mogen bezitten. En nu heeft Huizen oorzaak van blijdschap, dat de Heere in Amsterdam den weg bereid heeft om zoo'n leeraar te beroepen, waarbij Huizen nu eens niets, niets in den weg moet leggen, om het zoo des te makkelijker te maken, dat onze groote steden — en nu voornamelijk Amsterdam — geholpen kunnen worden. Want ook in deze dingen zien we een teeken des tijds, waarop de Heere wil dat we zullen achtgeven. Daarom zouden we zeggen : Ds. Remme moet naar Amsterdam. In de groote steden klopt het hart van ons kerkelijk leven en ook daar — niet in onze dorpen — zal ten slotte de stoot tot de oplossing van het kerkelijk vraagstuk gegeven worden. En daarom hopen we harelijk dat ds. Remme naar Amsterdam zal gaan. De Heere heeft voor onze mannen nog iets weggelegd, wat zij zullen hebben te vervullen tot heil van onze Kerk, tot zegen voor héél ons kerkelijk leven, tot voordeel ook voor ons volksleven, dat bij het kerkelijk leven zoo zéér betrokken is. Geve de Heere hier nu maar genade en sterkte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's