De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Toon Mij uwe gedaante, doe Mij uwe stemme hooren, want uwe stem is zoet en uwe gedaante is liefelijk. ' Hooglied 2 vers 14b.

De hemelsche Bruidegom treedt hier uit ' in een van Zijn meest liefelijke gestalten,  n.l. Hij zoekt Zijn arme, telkens vervolgde ; bruid het harte rustig te stemmen.

Gij, zoo spreekt Hij tot haar, die daar weg ; schuilt, die u bedreigt gevoelt van alle kanten, kunt het toch zoo geheel op Mij wagen. Er is geen vijand bij machte u eenig leed te berokkenen onder Mijn wakend oog. Kom maar te voorschijn.

Toon Mij uwe gedaante, en laat Mij uwe stem hooren.

„Zou ik dat durven bestaan ? Zou ik U mijn gedaante durven toonen ? Mij dunkt, dan is het meteen met onze vriendschap gedaan.

O Heere, als ik het niet beter wist zou ik moeten denken dat Gij mij niet kendet, want mijne gestaltenis is in werkelijkheid zóó, dat Gij mij zoüdt moeten wegbannen.

Heere, Gij weet het hoe ik uittrad op deze wereld en hoe ik in plaats van naar U toe, me steeds verder van U vervreemd heb. Ik heb toch niets meer, wat U kan behagen."

Toon Mij toch uwe gestalte, aldus de dringende uitnoodiging des Heeren.

„Gij wilt spreken, ge wilt op Mijne goedertierenheden een beroep doen, Ik gun u daarin een vrije greep. Voor Mijn arme bruid heb ik een nimmer moewordend oor. Laat Mij uwe stem maar hooren."

Wat dunkt u van zulk een Bruidegom ?

Zou dit geen liefde mogen heeten ?

't Is alsof de Heere bij Zijn schuchter volk steeds dichter aanhoudt. Hij dringt aan op dezen grond : Want uwe stem is zoet en uwe gedaante is liefelijk.

Wanneer men den zin dezer woorden niet vat, om de heel eenvoudige reden, dat men niet weet op welken wortel deze waarheid stoelt, zou men den indruk verkrijgen, dat de Heere er iets aan heeft, wijl Hij het zondig schepsel zoo naloopt met telkens weer op nieuwe gronden bij hem aan te houden.

Hoe zou het zijn ?

We kunnen het u wel in één woord weergeven. De Heere mint, wat door Zijne hand is ingeplant.

Ge kunt u niet beter vergelijking in dezen aan de hand zien gedaan, dan wat ge opmerkt bij een aardschen vader en eene aardsche moeder. Wanneer het eerste levensteeken zich beluisteren laat van de kleine kinderlip, is het iets wonderlijks. Deze eerste schrei, moge zijn in het oor van een vreemde als een wanklank, zij klinkt in het vaderoor en het moederhart als een zoete levenszang.

Dit is leven van ons leven. Zoo is het ook bij den Heere ten opzichte van de zijnen.

Uwe stem is Mij zoet, zegt de Heere. Immers daarin beluister Ik wat Ik zelf heb geplant. Dat is leven van Mijn leven. De eerste schrei die tot God opklimt, evenzeer als Wat dagelijks wordt opgezonden, het is alles een plantinge Zijner vingeren.

Vandaar hoort de Heere ook niets liever dan het roepen van Zijne kinderen, dan het betuigen hunner toegenegenheid.

We nemen dit tesaam, het vragen naar en het belijdenis doen van Zijn Naam.

Het vragen voorop, want een luide spreken van Gods grootheid, zonder dat in kleinheid 's Heeren aangezicht wordt gezocht, is een plant zonder wortel, m.a.w. zij leeft niet.

Koning David, waarlijk een begenadigde zooals weinigen, betuigt : „tot U zal ik bidden, 's morgens zal ik mij tot U schikken, 's avonds en 's morgens en 's middags zal ik klagen en getier maken. Mijn stem is tot God, en ik roep."

/t Is een verschrikkelijke gedachte God niet noodig te hebben, nooit geen drang tot gebed, nimmer noodzaak Hem aan te roepen

Wat God vreest, moet het geschrei laten hooren. Niet zoodra is Saulus neergeworpen of hij vraagt : Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal. Dat was de eerste schrei. Maar hierbij bleef het niet. Als Ananias tot hem gezonden wordt zoo zegt de Heere van dienzelfden Saulus : „zie hij bidt". Hier is een stem, welke zich voortdurend laat hooren.

Omdat er leven van binnen is geopenbaard, moet het zich telkens in verbinding stellen met de levensfontein. Hier is nood geboren van binnen. Wat de ademtocht is voor de borstkas, is het roepen tot God voor het kind des Heeren.

Maar nu het te hooren van den Levensvorst Zelven : uwe stem is zoet, wat schuilt hierin eeri nederbuigende goedheid. 

Hier wordt een beschroomde schuchtere ziel bemoedigd.

Wat dat is juist een eigenschap, een kenteeken van het ware leven, deze ontzegt zich zelve zoo ten eenenmale alle recht, men is vaak bevreesd te roepen. 

Wee mij, ik ben een man van onreine lippen, zegt de profeet. Is het niet veel te groot dat mijne gebeden zouden opklimmen.

En nu te mogen hooren : uwe stem is zoet peilt ge deze ontferming ?

De Heere treedt de zoodanigen tegemoet zeggende : ge vraagt Mij nooit te veel. Doe uw mond maar wijd open, Ik zal denzelve vervullen.

Van een heidenschen koning wordt verteld, dat hij verstoord was, wanneer zijn hovelingen niet dagelijks met nieuwe verzoekschriften tot hem kwamen.

Des Konings grootheid, meende hij, kwam hierin uit, dat van de vele vragers nooit een werd weggezonden.

De Hemelkoning spoort hier zijn schroomvallige kinderen aan, maar veel met hunne smeekgebeden zich tot Hem te wenden.

Geldt dit nu het vragen naar, niet minder heeft dit betrekking op het uitkomen voor Zijn Naam. Of dunkt het u ook niet, zou daar geen goedheid in schuilen, wanneer er van de lippen der verlosten gehoord mag worden : '

Ik zal gedenken, hoe voor dezen. Ons de Heer' heeft gunstbewezen.

De volgelingen van satan getuigen zoo luide voor hun heer. En zou dan de Heere geen recht hebben op lofprijzing.

Hij, die het pad voor hen effent door deze wereld en hun het uitzicht opent op een blijden hemel, zou Hij niet verwachten mogen dankzegging en aanbidding.

Wat is het vaak beschamend, wanneer een Paulus en Silas in den kerker gezeten nog lofzangen aanheffen, hoe mag dan uw weg zijn, kinderen Gods, die zulk een vrije wandeling hebt.

Moest niet uw mond te klein zijn om des Heeren lof te zingen ? Vergeet het nooit : uwe stem te hooren is den Heere zoetigheid. Een vrijmoedige en blijmoedige geest is van den Heere niet het minste geliefd.

De stem van 's Heeren kinderen moet zich laten hooren, en wat er noodzakelijk mede samenhangt: de gestalte die zij heeft, mag ze Hem toonen. Hiervan staat geschreven : Zij is liefelijk.

Hoe zoude menschelijke taal hier niet te kort schieten ?

Ge vraagt het u af : hoe-kan dit waarheid bevatten. Waar niemand iets ziet of 't geldt een aanklacht.

Waar niemand iets speurt of het is een verwijt, daar zegt de Heere van Zijn Bruid : Hare gestalte is liefelijk.

Niets is den Heere liever dan dat zij zich met al hare nooden en behoeften, met al hare zonde en ellende, maar tot Hem wendt.

O, Lezer(es), daar is geen liefelijker gedachte voor den Vader, die uitziet dan deze terugkeerende zoon.

Hoe vreeselijk gehavend hij er ook uitziet, hoe elke draad van zijn kleed ook spreke van armoede en elke trek van zijn gelaat van zonde, toch is dit ontmoeten den Vader het heerlijkste van al.

Uwe gedaante is liefelijk. Hoort gij het wel, die uzelven gezien hebt in den spiegel van Gods volmaaktheden, daar is maar ééne mogelijkheid dat ge deze waarheid leert verstaan en deze is, dat ge doet wat u hier geboden wordt. Vertoon maar uwe gestalte. Laat uwe gedaante maar zien. 

Hier geldt: In gehoorzaamheid, in het zich gewilliglijk buigen voor Gods Woord, ligt uw leven en rijkdom.

Zie, dit is nu het groote voorrecht van Gods kinderen, dat zij zich mogen vertoonen zooals ze zijn. Zij behoeven geen kleed aan ' te trekken, want de Heere kent hen. De . vraag : Zou ik wel durven, wordt beanti woord met „voorzeker". Uw levensdrang, ; uw nood, uwe behoefte, uw roepen werd uit Mij geboren.

Gij kunt uw rust, uw leven niet meer vinden in de wereld. Ge moet Mij hebben.

De duif uit Noach's arke is uw levenstype geworden. Ge moet naar de ark terug.

Laat uw levensgang dan ook op den haren gelijken. Vertoon u voor het venster. Laat uwe stem maar hooren. Laat uwe gestalte zien..

Zijne hand is niet verre. Hij ziet u. Hij hoort u. Zoo aanstonds steekt Hij zijn vingeren, uit, en laat u rusten in Zijne handpalmen.

O, wat zal dat een oogenblik zijn, als de hemelsche Bruidegom zijn Bruid laat rusten als een weggevlogene duif op Zijne hand, als Hij haar hooren laat : uwe gedaante is liefelijk.

Dan zal ze schoon zijn, als ze overgoten met hemelsch licht zal prijken in haar volle glorie.

Hier in deze bedeeling is zooveel, dat de vrijmoedigheid rooft, wat het spreken belet, maar hier Boven geldt :

Gelijk een duif door 't zilverwit. En 't goud, dat op haar veed'ren zit, Bij 't licht der zonnestralen Ver boven and're voog'len pronkt. Zult gij, door 't godd'lijk oog belonkt Weer met uw schoonheid pralen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's