De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

9 minuten leestijd

Vergoeding schoolbouw wanneer men voor 1 Januari 1921 bouwt.

Waar ons in verband met hetgeen „De Waarheidsvriend" van 9 Juli 1.1. schreef over „vergoeding voor gebouwen" enkele vragen zijn gesteld, willen we over dit onderwerp nog iets schrijven.

Allereerst dit, dat in bovenbedoeld artikel van 9 Juli bij vergissing sprake is van art. 206 van de Lager Onderwijswet ; bedoeld is art. 205.

Het artikel dat afgedrukt is onder 206 is dus in de Wet art. 205.

En nu nog iets anders. Ons is gevraagd : wat is nu de vergoeding voor den bouw, wanneer nu nog vóór 1 Januari 1921 grond gekocht wordt en begin gemaakt wordt met het bouwen van een nieuwe school ?

Ons antwoord kan kort zijn : ^Wanneer men vóór 1 Januari a.s. grond koopt en bestek en teekening inzendt bij de betrokken Schoolautoriteiten (en dan vóór of na 1 Januari a.s. aan 't bouwen gaat, dan krijgt men volgens den regel van art. 205 van bouwkapitaal - schoblmeubden een jaarlijksche vergoeding van de gemeente a 61/2 %. Stelt dus dat aankoop grond - bouwen - \-meubileering saam ƒ 100.000 kost, dan krijgt men elk jaar, te rekenen van 1 Januari 1922, van de gemeente een vergoeding van ƒ 6500. Dat is dus over 40 jaar 40 X ƒ 6500 = ƒ 260.000.

Nu is de rekening dat, waar het schoolbestuur 61/2 % vergoeding krijgt, daarvan 1 % genomen zal worden voor aflossing. Veronderstellen we dus dat het schoolbestuur in 1920 bouwt en daarvoor noodig heeft ƒ 100.000, dan is de kwestie maar, dat het bestuur aan dat geld komt en als het dat geld heeft opgenomen, zeg tegen 51/2%, dan ontvangt het bestuur vanaf 1 Januari 1922 de jaarlijksche vergoeding van 1000 X ƒ 61/2 = ƒ 6500 ; waarvan dan ƒ 1000 moet worden gereserveerd om van de ƒ 100.000 schuld ƒ 1000 af te lossen.

Laten we nu rekenen, dat de eerste 10 jaren ƒ 1000 per jaar wordt afgelost, dan behoeft het bestuur na 10 jaar ook vóór 10 duizend gulden minder rente te betalen. Was het dus het eerste jaar ƒ 5500 rente, na 10 jaar is de schuld maar ƒ 90.000 en de rente dan ƒ 4950. Toch blijft men dan voor de waarde van ƒ 100.000 a ƒ 6I/2 % van de gemeente ontvangen, zoodat men de tweede 10 jaren ƒ 2000 per jaar kan aflossen ; de derde 10 jaren ƒ 3000 per jaar, de vierde 10 jaren ƒ 4000 per jaar, dan is na 40 jaren de geheele schuld van ƒ 100.000 afgelost.

Hierbij is misschien goed tegelijk art. 101 te noemen, waar omschreven is wat de gemeente aan het schoolbestuur jaarlijks betaalt als vergoeding van de kosten van instandhouding der school. Om te weten wat dat is, moeten we art. 55 onder e, tot en met h en o opslaan, alsmede wat staat onder c voor zooveel betreft het huren en de erfpacht van schoolgebouwen en terreinen en die vaa instandhouding.

Art. 55 onder c luidt : „de uitgaven voorhet stichten en instandhouden of het hurenvan de schoolgebouwen en die voor het aan koopen of huren en het inrichten en instand. houden van de terreinen voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding, een en ander met inbegrip van kosten wegens erfpacht van. grond."

En dan volgen :

e. die voor de geringe en dagdijkscHe reparatiën van de schoolgebouwen, als bedoeld in art. 1619 van het Burgeriijk Wetboek.

f. die voor het onderhouden van de school meubelen en voor het aanschaffen en onderhouden van de schoolboeken, leermiddelen, en schoolbehoeften ;

g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden van de schoolgebouwen;

h. die voor de schoolbibliotheken ; en dan onder

o. andere uitgaven ter verzekering van den goeden gang van het onderwijs.

Dat alles wordt elk jaar door de gemeenten aan de schoolbesturen vergoed.

Uit een en ander ziet men, dat de schoolhuishouding volgens de nieuwe wet voor een groot gedeelte, ja, zoo goed als gehéél, voor rekening van Staat en Gemeente komt en de besturen voor oneindig lichtere lasten komen te staan.

Hoe gaat het, wanneer men né 1 Januari 1921 bouwt?

Wanneer men dit jaar niet tot schoolbouw overgaat, maar wachten wil (of moet) tot het volgend jaar, dan gaat het anderi toe met de vergoeding in de bouwkosten, door de gemeente.,

Hierbij kunnen zich weer verschillende gevallen voordoen :

Ie. Het kan zijn dat de Schoolvereeniginf zélf grond heeft waarop men in 1922 of latet wil bouwen. Dat is dan voor de Vereeniging een gunstige conditie, want dan heeft men vóór, dat men zelf de plaats kan bepalen waar de school komen zal ; hetwelk van 't grootste belang is.

2e. Heeft men geen bouwterrein, dan moet men zich tot het gemeentebestuur wende» met verzoek, dat de gemeente zal bouwen, waarbij de gemeente grond koopen of geven moet in overieg met het schoolbestuur. (Art. 77 I). Waarbij tusschen de gemeente en het schoolbestuur overeenstemming moet worden verkregen omtrent de Reuze van het terrein en het bestek voor den bouw. (Art. 77 lil).

3e. Kan de Schoolvereeniging grond hebben, waarop een of ander gebouw staat, welk gebouw moet worden afgebroken om op het open terrein de school dan te bouwen Voor zulke gevallen geldt art. 77 VII : „Indien grond wordt gebruikt die eigendom der vereeniging of instelling is, en indien op dien rond zich bevindende gebouwen, welke eigendom der vereeniging of instelling zijn, hetzij worden gesloopt, hetzij geheel of ten cleele voor de stichting worden gebruikt, wordt in de raming der kosten de geschatte waarde daarvan begrepen. Deze waarde wordt verminderd met de geschatte waarde van de afbraak, enz."

Het schoolbestuur heeft zich dus voor den bouw van een bijzondere school te wenden tot het gemeentebestuur, waarbij een bewijs moet worden overlegd, dat de school door een genoegzaam aantal leerlingen zal worden bezocht (100 leerlingen in de groote steden met meer dan 100, 000 ingezetenen en 40 leerlingen in de kleinere gemeenten). Ten tweede moet het bestuur der Schoolvereeniging een verklaring overleggen, waarbij het zich verbindt een waarborgsom in de gemeentekas te storten, gelijkstaande met 15 ten honderd van de stichtingskosten. Dat is om roekeloos bouwen zooveel mogelijk tegen te gaan. Is de begrooting van den bouw en de inrichting der school daar ƒ 100.000, dan moet 15 duizend gulden als waarborgsom gestort worden door de vereeniging vóór met den bouw begonnen kan worden ; is de begrooting voor grond, bouw, meubileering ƒ 200.000, dan wordt de waarborgsom 30 duizend gulden, enz. De gemeente geeft dan verder alles wat voor bouw, enz. noodig is. (Dus de Schoolvereeniging stort 15 duizend van de ƒ 100.000 en de gemeente betaalt 85 duizend, enz.) Zie voor een en ander art. 72, 73, 74 enz.

't Kan ook gebeuren, dat, wanneer de Schoolvereeniging bij de gemeente haar wenschen om te bouwen kenbaar maakt, het gemeentebestuur zegt: wij hebben nog wel ergens een schoolgebouw staan, dat we u zullen geven, dan behoeft er niet gebouwd te worden. (B.v. een openbare school die ontvolkt is). Zie art. 77 II. Als de Inspecteur dan verklaart, dat het gebouw geschikt is, zal de Schoolvereeniging het moeten aanvaarden. Weigert de vereeniging (b.v. omdat het gebouw op een heel andere plaats staat dan de vereeniging haar school zou willen hebben), dan kan de gemeenteraad de beslissing van den Minister van Onderwijs enz. inroepen. Deze beslist, den Inspecteur en den Onderwijsraad gehoord.

In alle andere gevallen zal de stichting van het schoolgebouw alleen dan door de gemeente geschieden, wanneer tusschen de gemeente en het schoolbestuur overeenstemming verkregen is omtrent de keuze van het terrein en het bestek voor den bouw.

Natuurlijk kan het gebeuren, dat de kosten van bouw en meubileering aan het gemeentebestuur te hoog voorkomen dan moet men tot overeenstemming trachten te komen en anders moet ook hier het schoolbestuur of de gemeente de beslissing van den minister inroepen.

De waarborgsom behoeft het schoolbestuur niet te storten zonder vergoeding. Want art. 79 V zegt : „Jaarlijks keert de gemeente aan het schoolbestuur over de waarborgsom rente uit" ; en die rente is 6'/2 %.

20 jaren nadat de school in gebruik werd genomen moet de gemeente de waarborgsom aan het schoolbestuur terugbetalen.

Heeft men dus nu grond, maar bouwt men na 1 Januari 1921, dan heeft het schoolbestuur ongeveer dezen weg te volgen en deze rekening te maken :

Grond, bouw, meubileering, enz. kost ƒ 100.000 ; de waarborgsom is 15 duizend gulden ; daar wordt afgetrokken de koopsom van den grond, zeg 10 duizend gulden, blijft over als waarborgsom die te storten is 5 duizend gulden ; voor grondkoop (10 duizend) - f-waarborgsom (5 duizend) moet dus 15 duizend gerekend worden, welke het schoolbestuur noodig heeft. Veronderstel dat het bestuur die 15 duizend gulden leent tegen 6 %, dan kan over 20 jaren die 15 duidend gulden worden terug betaald aan degenen die geleend hebben en jaarlijks kan daar het bestuur van de gemeente 61/2 % ontvangt — behoorlijk rente worden betaald Voor hetgeen verder voor den bouw enz. noodig is zorgt de gemeente.

Men ziet dus, dat, wanneer eenigszins op «en behoorlijk aantal kinderen te rekenen valt — 40 in kleinere plaatsen en 100 in grootere steden — er volstrekt geen gevaar is voor het geld, dat men leent. Waarbij het o.i. voor de besturen het veiligst is, als ze nu nog vóór 1 Januari 1921 geschikt terrein zien machtig te worden om straks te bouwen.

Dat geld moet men zien te krijgen en straks zal men dan in gunstige conditie komen met het bouwen, rente betalen en aflossen.

Daarom nu aanpakken!

„Bouwt scholen waar het Evangeliezout den dierb're jeugd voor on- en bijgeloof behoudt."

ZÏELEKLANKEN.

Zielepijn.

Mijn door zooveel zonden En schuld gedrukte ziel ; Voelt telkens dieper wonden, Van 't-kwaad waarin zijn viel.

Steeds kent zij grooter smarten, Gevoelt zij meerder pijn. Van haar gedurig tarten. Hem, Die haar heil wil zijn.

Steeds klimt haar bitter weenen, Haar klagen uit gemis. Weer naar den hemel henen. Waarheen haar uitzien is.

Want daar, daar woont haar Koning, Haar Heere en haar God ; Die uit Zijn hooge woning, Aanschouwt haar droevig lot.

Voor Hem buigt zij zich neder. Tot Hem is hare klacht ; Hij is het telkens weder, Wiens bijstand zij verwacht.

Tot Hem klinkt hare bede : „Gedenk mijn zonden niet", Ga met zulk een nog mede. Die altoos U verliet.

'k Kan zonder U niet leven, 'k Vind buiten U geen vreugd ; Wil mij Uzelf dan geven, Dan ben ik weer verheugd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's