Stichtelijke overdenking.
„Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op den Naam des Heeren betrouwen." Zefanja 3 vers 12.
EEN ELLENDIG EN ARM, MAAR BETROUWEND VOLK.
Zefanja is een der profeten, die de oordeelen des Heeren verkondigen.
De hoofdtoon zijner profetiën is, dat de dag van Gods toorn komen, zekerlijk komen zal.
Toch doet ook hij uitkomen, gelijk dat ook in zijn naam — de Heere bewaart — ligt opgesloten, dat de Heere in den toorn des ontfermens gedenkt.
Er is nog een volk, dat uit die oordeelen des Heeren behouden zal worden en het is v.n.l. in het bekende woord dat wij hierboven schreven, dat Zefanja voor dat volk onze aandacht vraagt.
Dat volk stelt hij ons voor als een ellendig, als een arm volk, maar nochthans als een volk, dat door den Heere bewaard, op den Naam des Heeren zijn betrouwen stelt.
Ik zal' in het midden van u doen overblijven een ellendig volk.
Het woord dat hier in 't oorspronkelijke voor ellendig staat, beteekent eigenlijk : door verdrukking vernederd zijn, geen kracht hebben om te wederstaan, onmachtig zijn om zichzelf te redden.
Als de Heere hier belooft dat Hij zich zou doen overblijven een ellendig volk, dan wil dat voor Zefanja dus zeggen : daar zou een volk zijn, dat door verdrukking vernederd zou worden ; een volk, dat geen kracht zou bezitten om te wederstaan, een volk, dat onmachtig zou zijn om zichzelf te verlossen. En wat dunkt u, kunnen deze drie gedachten in de eerste plaats al niet aanstonds op het volk des Heeren van alle tijden en van alle plaatsen worden overgebracht ?
Menschen die door verdrukking vernederd zijn. Maar dat zal immers ieder kind Gods voor zichzelf moeten bekennen, dat hij voor het aangezicht des Heeren vernederd is. Vroeger toch ging hij in hoogheid zijn weg. Is dat niet het groote Babel dat ik gebouwd heb ? Dat bleek altijd weer de inspraak van zijn hart en de uitspraak van zijn leven te zijn. Maar de Heere kwam hem leiden in een weg van moeite en druk, en toen Hij hem vernederde kwam daar, evenals bij Manasse in den kerker, een roepen tot God. Iemand, die door verdrukking vernederd is, O ik denk dat er geen enkel kind Gods is of hij zal moeten bekennen : ja, dat was met mij het geval.
Maar zoo iemand, die door verdrukking vernederd was, had ook geen kracht om te wederstaan. Maar ook dat zal immers ieder, die door Gods Geest werd ontdekt, voor zichzelf belijden moeten : in mij is geen wacht tegen die groote menigte die tegen wij komt; in mij geen kracht tegen de booze. omleidingen van satan, in mij geen kracht tegen de verleidende lokstemmen der wereld '" mij geen kracht tegen de booze lusten en mijn onreine hart. En omdat er geen wacht is om te weerstaan, daarom is zulk een ook onmachtig om zichzelf te verlossen. Het is dus met hem als met Israël in de Babylonische heerschappij'. Zij hadden immers ook geen macht om zich te bevrijden uit de wreede slavernij waarin zij geketend waren. Zij hadden wel zichzelf in de ellende gebracht. Het was eigen schuld dat zij aan net juk van een vreemden overheerscher waren onderworpen. Maar zichzelven verlossen, zichzelven bevrijden konden zij niet. En zoo is het nu immers ook met al 's Heeren volk. Zij hebben zichzelf in de diepte hunner ellende gestort. Immers door eigen schuld, moedwillig en vrijwillig zijn zij van God afgevallen ; zij hebben het zichzelf te wijten, dat de poort van het aardsche pawijten, dat de poord van het aardsche paradijs voor hen gesloten is, dat de weg naar den boom des levens voor hen is versperd. Maar zichzelf uit de ballingschap, uit de ellende redden, kunnen zij niet. Zelf de banden breken, waarmee zij door satan en wereld gebonden zijn, zal hen onmogelijk wezen. Maar o, gelukkig als we tot aan de diepte onzer ellende zijn ontdekt; als we zoo bij Geesteslicht gezien hebben, dat God ons op onzen weg is tegengekomen, als we het verstaan hebben dat wij zelf geen kracht hebben om te weerstaan, en dat we dus onszelf niet verlossen kunnen. Immers dan behooren we tot het ellendige volk, waarvan in ons tekstwoord gesproken wordt.
Maar dat ellendige volk is in de tweede plaats ook een arm volk. Het woord dat in het oorspronkelijke voor arm staat, wil eigenlijk zooveel zeggen als gering, veracht, missend niet alleen allen rijkdom, maar ook alles wat tot onderhoud des levens noodig is Niet waar, een arme, daar verstaan we niet bepaald onder, iemand die niet rijk is ; maar iemand, die juist het tegendeel is van rijk ; iemand wien het aan het allernoodigste ontbreekt ; iemand, die geen spijs heeft om te eten, die geen kleeding heeft om aan te trekken, die eigenlijk geen huis heeft om te bewonen.
Nu gevoel; ge wel, dat met de armoede van onzen tekst geen natuurlijke, maar wèl geesteiijke armoede wordt bedoeld. De Heere Jezus spreekt immers ook van de armen van geest, en zegt, dat hunner is het Koninkrijk Gods. We gevoelen dan ook allen, dat hier nooit natuurlijke armoede bedoeld kan zijn.
Immers, als dat waar was, dan hadden de monniken bij Rome gelijk, die afstand doen van al hun bezit om voortaan in 'n klooster dan armoede onderhevig te zijn. Dit echter is zoo niet. Geen natuurlijke, maar wèl geestelijke armoede wordt hier door Zefanja bedoeld, een armoede dus die niet alleen bij armen, maar óók bij rijken en niet alleen bij rijken, maar óók bij armen gevonden moet worden.
Een arm volk, menschen die arm zijn, men schen die dus het allernoodigste missen, menschen die niets hebben van wat zij móéten hebben, zal het voor tijd en eeuwigheid wèl met hen zijn.
Maar dat zal immers ieder kind Gods •weer van zichzelf moeten bekennen, dat hij niet alleen 'n ellendige, maar dat hij in dien zin, ook al is hij nog zoo rijk naar de wereld, een arme is.
O, eenmaal is hij rijk geweest; het was toen hij zich in den staat der rechtheid in de gemeenschap des Heeren verlustigen mocht. Maar des te erger, dat hij door de zonde al zijn rijkdom verloor. Niet waar, wat is het in het natuurlijke leven niet erg, als iemand schatrijk is geweest en gij ziet hem dan, vooral als hij door eigen schuld zijn rijkdom verloor, als een bedelaar langs de woningen gaan.
Maar hoeveel erger dan voor ons, dat wij, die eenmaal schatrijk zijn geweest, nu zoo doodarm zijn geworden. En gelukkig als we nu nog maar aan onze geestelijke armoede zijn ontdekt. Immers daar zijn arme menschen, die toch rijk en verrijkt zijn en geens dings gebrek leeren te hebben. O, wie van Gods kinderen zal het voor zichzelf niet belijden moeten dat hij ook in dien zin tot de rijken heeft behoord. Maar sinds de Heere Zijn ontdekkend licht uitzond, is dat immers anders geworden. Ja, gelukkig als Gods arm makende genade aan ons gewerkt heeft; ' als we gezien hebben dat we arm zijn aan kennis ; arm aan gerechtigheid, arm aan heiligheid, arm aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde, ja, dat we arm zijn aan alles wat noodig is om zalig te worden, dat we dus in geestelijken zin geen huis hebben : om ons te beschutten, ja, dat we niets hebben om voor God te bestaan. Immers als dat het geval is, dan behooren we tot het arme ' volk, waarover in ons tekstwoord gesproken wordt.
Maar dat ellendige en arme volk is ook ' een bewaard volk. Immers : Ik zal in het midden van u doen overblijven, zegt God, een ellendig .en arm volk.
De Heere zorgt er dus voor, dat dat volk overblijft. Om die reden wordt Gods volk dan ook niet zelden 'n overblijfsel genoemd.
De dochter Sions is overgebleven, zegt Zefanja, als een hutje in den wijngaard en als een nachthutje in een komkommerhof, als een belegerde stad. Ja, zoo niet de Heere der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, we zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
Nu gevoelt ge, dat wat overblijft, daarin afgezonderd is. Van datgene wat wordt weggenomen en weggedaan.
Als er iets overblijft dan is er ook iets dat niet overblijft. Als de Heere dus een ; ellendig en arm volk doet overblijven, dan ^ is dat een bewijs dat er ook volken zijn die i worden weggedaan.
En inderdaad, als gij de geschiedenis der volken nagaat, wat zijn er dan een volken die niet alleen opkwamen, maar ook weer ' zijn ten ondergegaan ? Waar zijn de oude ' volken die weleer woonden in Kanaan ? I Waar is het Babylonische, het Medo-Perzische, het Macedonische, het Syrische, het , Grieksche en Romeinsche volk ? Waar is zelfs het oude volk van Israël ? O we weten immers allen dat het als volk niet meer bestaat.
Maar van het ellendige en arme volk van onzen tekst wordt gezegd dat de Heere het in het midden der volken zou doen overblijven. En zoo vraag ik u heeft de Heere die belofte niet tot op heden vervuld, en mogen wij dus niet gelooven dat Hij ze zal blijven vervullen ?
Ja, daar is altoos een overblijfsel naar de verkiezing der genade geweest. Al was de eerste wereld ook nog zoo verdorven, God had nog een overblijfsel in Noach ; al was Sodom ook nog zoo diep gezonken er was nog een overblijfsel in Loth.
En zoo zouden we kunnen voortgaan, en we zouden u kunnen wijzen op Abraham in Ur der Ghaldeën, op Melchizedek in Kanaan, op Mozes in Egypte, op Job in het land van Uz, op Daniël in Babel, op de zeven duizend in den tijd van Elia. En zoo heeft de Heere er immers altoos, niet alleen in den ouden, maar ook in den nieuwen dag, ja in gansch de geschiedenis van Zijn Kerk was gezorgd dat Zijn gemeente door de poorten der hel niet overweldigd kon worden.
En dat overblijfsel is er nog. Door Gods genade worden zij er immers nog gevonden, menschen die van zichzelf geen andere belijdenis hebben af te leggen dan dat zij zijn ellendig en arm, jammerlijk en blind en naakt.
Maar nu wordt er in ons tekstwoord van dat ellendige en arme en door God bewaarde volk nog iets gezegd, en dat is dit: die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.
De Naam des Heeren. Wat heeft Zefanja daarmee bedoeld ? Daar heeft hij mee bedoeld de openbaring van Gods heilig wezen We weten dat die uitdrukking telkens voorkomt in de H. Schrift.
Nu is het met dien Naam des Heeren heel anders dan met onze namen. Niet waar, onze namen hebben zoo vaak geen beteekenis, en ook al is het dat zij wel een beteekenis hebben, dan nog drukken zij vaak zoo weinig uit wie en wat wij eigenlijk zijn.
Maar de namen die God van zich Zelf geopenbaard heeft, daar ligt niet alleen een rijke beteekenis in, maar die vettolken ook, voorzoover dat in menschelijke taal mo gelijk is, volkomen wie en wat de Heere is. In Zijn Naam heeft God zich geopenbaard. Nu ligt de hoogste openbaring Gods, zooals we allen weten, in Christus. Daarom is met den Naam des Heeren in den grond der zaak geen ander als de Heere Christus bedoeld. Vandaar dat de Spreukendichter ook kon zeggen : De Naam des Heeren is een sterke toren ; de rechtvaardige zal daarhenen vluch ten en in een hoog vertrek gesteld worden. Van die zijde bezien, is het dan ook geen wonder dat er bij het ellendige en arme volk dat de Heere deed overblijven, een betrouwen op dien Naam gevonden wordt. Immers als ik mijzelf ellendig gevoel, als ik mijzelf niet verdedigen kan tegenover een heirleger dat mij van alle zijden omringt, dan heb ik een toren, d.w.z. een toevlucht, een schuilplaats noodig, waar ik tegen de mij omringende gevaren veilig ben. Als ik mijzelf niet verlossen kan, dan heb ik een ander noodig, die mij verlost. En als ik mijzelf arm gevoel, zoo arm, dat het mij aan het hoogst noodige ontbreekt, dan zoek ik het niet bij iemand, die net zoo arm als ik zelf, maar dan neem ik mijn toevlucht tot Een, van Wien ik weet, dat Hij niet alleen machtig, maar ook willig is om mij te helpen en van al het noodige te voorzien.
Welnu, daarom is er alleszins reden, dat het ellendige en arme volk nu ook betrouwt op Hem, in Wien de Naam des Heeren zijn hoogste openbaring vond, , in Wien die Naam als 't ware verpersoonlijkt is. Immers daar is voor het ellendige volk geen andere toevlucht dan Hij. Alleen onder Zijn Middelaars vleugelen zullen zij veilig, zullen zij volkomen veilig zijn.
Daar is voor een mensch die zichzelf niet kan verlossen geen andere Verlosser dan Hij En daar is voor het arme volk geen ander om hen van al het noodige te voorzien dan Hij, van Wien de apostel eens sprak : Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, waar Hij rijk was, opdat gij door Zijne genade zoudt rijk worden. En daarom gelukkig als er iets van dat betrouwen op den Naam des Heeren, in Christus geopenbaard, ook bij ons gevonden mag worden.
Wat dunkt u ? Zoudt ook gij reeds behooren tot dat volk, dat Zefanja ons in ons tekstwoord geteekend heeft ?
Moet deze vraag door u misschien nog ontkennend beantwoord ?
O, dat de Heeré u dan nu nog deed zien, hoe ellendig gij zijt in uzelf en hoe gij niets hebt om voor Hem te bestaan.
Of moogt gij niet ontkennen, dat daar voor door genade uw oog is opengegaan ? Zegt gij misschien bij uzelven : ja, dat weet ik, dat ik door verdrukking vernederd ben, dat ik mijzelf niet verdedigen kan, dat er voor mij geen redding mogelijk is ; dat weet ik, dat ik arm ben en ellendig, en dat ik met het beste wat ik heb voor eeuwig verloren moet gaan. O, dan is er voor u geen andere weg dan uw betrouwen op den Naam des Heeren te stellen. Dan is er voor u geen andere weg dan er was voor de Kananeesche vrouw ; dan er was voor die bloedvloeiende vrouw, dan er was voor Zacheüs, dan er was voor den hoofdman te Kapernaüm. Dan is er voor u geen andere weg dan de weg tot den Heere Jezus Christus en Zijn volbracht Middelaarswerk.
O, dat die weg dan maar veel door u betreden mocht worden. Dan zult ook gij het ervaren dat nog altoos waar is, dat wie op den Heere vertrouwen, niet beschaamd zullen worden. Immers
't Is de Heer' die 't recht der armen, . Der verdrukten gelden doet. Die uit liefderijk erbarmen, Hongerigen mildelijk voedt; Die gevang'nen vrijheid schenkt, En aan hun ellende denkt.
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's