De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Naar de ordening van Melchlzedek”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Naar de ordening van Melchlzedek”.

9 minuten leestijd

Een en ander over den brief aan de Hebreen. IX.

Na hetgeen wij de vorige maal hierover gezegd hebben, kunnen wij verder de vraag naar de beteekenis van het woord „testament" buiten beschouwing laten, voorzoover het buiten den brief aan de Hebreen voorkomt.

Niet, omdat hierover niet veel méér zo; i te zeggen zijn, of omdat deze vraag de overweging niet waard zou zijn. Doch eenvoudig om deze reden, dat wij ons een oogenblik hebben begeven buiten den brief aan de Hebreen, louter om daardoor toe te lichten en te komen tot hetgeen ons in dezen brief moet bezighouden.

Wij wezen er reeds op, dat hier het woord testament" méér gebruikt wordt dan in de andere boeken van het Nieuwe Testament tezamen.

Wat nu is er bedoeld, wanneer wij hier dit woord aantreffen ?

Zonder twijfel heeft het soms den zelfden zin als bij ons het woord „testament", n.l. van „uiterste wilsbeschikking."

Dit is zonder eenige tegenspraak het geval in hfdst. 9 VS. 16 en 17.

Hier toch heet het: „Want waar een testa ment is, is het noodzakelijk, dat de dood des testament-makers tusschenkome ; want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneef de testamentmaker leeft."

De bedoeling van den schrijver is duidelijk genoeg : hij spreekt in dit verband over de noodzakelijkheid en de kracht van Christus' dood ; Zijne bloedstorting had deze beteekenis, dat daardoor van kracht werd hetgeen Hij, naar den raad en bedoeling Gods, zou aanbrengen. En dan komt de beeldspraak, dat „een testament eerst rechtskracht verkrijgt, en kan worden uitgevoerd, wanneer de erflater gestorven is."

Hier moet wel iedere poging falen, om 'n andere beteekenis in de woorden te vinden dan die voor een elk voor het grijpen ligt; het is, naar onze meening, Volstrekt onmogelijk het woord „testament" op deze plaats anders op te vatten, dan als „uiterste wilsbeschikking."

Volgt hieruit nu, dat deze beteekenis onveranderlijk moet worden aangenomen, over al waar wij in den brief aan de Hebreen het woord gebruikt vinden ?

Deze gevolgtrekking, hoezeer zij voor de hand schijnt te liggen en inderdaad door sommigen wordt gemaakt, is echter eenigszins voorbarig.

Zij kan niet worden staande gehouden tegenover de wijze, waarop wij méér dan eenmaal de uitdrukking aantreffen. Integendeel, reeds de uitvoerigheid, waarmede de schrijver in vs. 16 en 17 spreekt, en de moeite, die hij zich geeft, om zich in de hier gebezigde wets-en rechts-termen uit te drukken, wettigt het vermoeden, dat hij op dit oogenblik iets anders met dit woord bedoelt, dan hij er gewoonlijk onder verstaat.

En dit vermoeden wordt aanstonds zekerheid, wanneer wij maar nauwkeurig de onmiddellijke omgeving van deze verzen in oogenschouw nemen.'"

Ook hier treffen wij de tegenstelling aan tusschen „het eerste testament", d.i. het Oude Verbond, en het tweede, in Christus' dood gesticht.

Welnu, van dit tweede „testament" wordt in VS. 15 gezegd, dat „de dood tusschenbeide gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren", degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden."

Nu zal toch aanstonds een ieder toegeven, dat de werking van een testament, een uiterste wilsbeschikking, niet bepaald is „de verzoening der overtredingen."

En evenmin is hierop de zegswijze van toepassing, dat het wordt „ingewijd." En toch, dit is de uitdrukking die de schrijver in VS. 18 gebruikt, als hij zegt, dat „ook het eerste testament niet zonder bloed is ingewijd."

Derhalve hebben wij het volste recht om te zeggen, dat wel in hfds. 9 vs. 16 en 17 „testament" in den zin van „uiterste wilsbeschikking" wordt gebezigd, maar in den regel een eenigszins andere beteekenis heeft.

De gedachte aan een „uitersten wil" en de uitwerking van het beeld in vs. 16 en 17 is zeer waarschijnlijk ontstaan in verband met de uitdrukking van vs. 15 „de belofte der eeuwige erfenis."

Doch dit sluit volstrekt geen gevolgtrekking in voor het doorgaand gebruik, dat de schrijver van het woord „testament" maakt.

Inderdaad nadert het in zijn beteekenis veel dichter tot wat in het Oude Testament het verbond Gods heet.

Het voegt zich volkomen in de gedachtengang en den kring van voorstellingen, die wij tot dusver, sprekende over het priesterschap en Hoogepriesterschap van Christus, in dezen brief hebben kunnen vaststellen.

De schrijver toch ziet het „testament", de door hem bedoelde genadige beschikking Gods, uit tweeërlei oogpunt. En juist daardoor komt de rijke en volle inhoud van het goed, in Gods openbaring geschonken, zoo geheel tot zijn recht.

De ééne maal doet hij ons het „testament" Gods zien als een instelling, van Godswege gegeven, die als middel moet strekken tot het bereiken van een door God gesteld doel.

En daarnaast vinden wij dit doel zelf, den mensch, of liever der Kerk Gods gesteld, omschreven met dezelfde uitdrukking.

Als middel moet het „testament" Gods dienen tot het bereiken van „de beloftenis", d.w.z. van datgene, wat God in Zijn genade aan Zijn volk heeft toegezegd.

Deze beloften vormen a.h.w. den achtergrond, waartegen het „testament" in zijn beteekenis uitkomt, en tot de bereiking waarvan het 't van God geschonken middel is.

Ook wordt gezegd, dat „de volkomenheid" gebracht moet worden door middel van het „testament." Deze als doel gestelde volkomenheid is het „naderen tot God", de gemeenschap met Hem.

Anderzijds verschijnt, gelijk wij opmerkten, het „testament" als doel in zichzelf.

Dit is bijv. het geval, wanneer de schrijver de beloften van Jer. 31 vs. 31 aanhaalt als inbegrip en volheid van het heil, door God toegezegd, in hfdst. 10 vs. 16.

Evenzoo in hfdst. 8 vs. 10, waar het zelfde woord wordt aangehaald als omschrijving van het nieuwe verbond, met welks ingang het oude vanzelf verdwijnen moest.

O.m. zal dit nieuwe verbond hierin bestaan, dat des Heeren belofte in vervulling gaat : „Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn."

Door het „Nieuwe testament", waarvan Christus den Middelaar is, is den gdoovigen het voorrecht en de gunst geschonken „den levenden God te dienen", hfdst. 9 vs. 14.

Fin daar dit een eeuwig en onvergankelijk, een zuiver geestelijk doel is, heet het testament, dat dit tot stand brengt „het eeuwige testament", hfdst. 13 vs. 20 : „de God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments uit de dooden heeft wedergebracht, n.l. onzen Heere Jezus Christus, die volmake u in alle goed werk."

De bedoeling van het „testament" alzoo te verstaan, èn zijn uitwerking is volgens den brief aan de Hebreen de gemeenschap met God, het „naderen tot Hem."

En juist hierin ligt, gelijk gemakkelijk is in te zien, een punt van aanraking tusschen de gedachte van het priesterschap en de voorstelling van 't hoogste, geestelijk goed, der ware religie als een „verbond", dat God geeft.

Nergens misschien komt dit in het gansche Nieuwe Testament sterker uit dan juist in den brief aan de Hebreen.

En welke voorstelling zou hiervoor dan ook meer geschikt zijn dan juist die van het verbond ? Immers, geheel in aansluiting aan de Oud-Testamentische verbondsgedachte en aan de historie van Israël, het volk des Ouden Verbonds, is dit verbond niet een contract, niet een accoord, na loven en bieden tot stand gekomen, maar toch wel de totstandkoming van een nauw en innig verband ; en wel, in dit geval, tusschen den Heere God en Zijn volk ; tusschen deze is een band gelegd, die van zuiver geestelijken aard en daarom eeuwig is.

Dit karakter van onverbrekelijkheid is gegeven in het feit, dat het God is, van Wien het verbond uitgaat, die het in Zijne genade schenkt aan Zijn Kerk, en met een eed Zijne belofte bevestigd heeft.

Dit verbond, het bestaat hierin, in zijn volie verwezenlijking „zij zullen Mij allen kennen, van den kleine onder hen tot den groote onder hen", Jer. 31 vs. 34, vgl. Hebr. 8 VS. 11.

Is hier in de teederheid, de neerbuigende goedheid der liefde Gods, evenals de onverbrekelijke trouw des Heeren uitgedrukt; en anderzijds de innigheid en het geestelijk karakter der aanraking, waarmede de begenadigde zondaar, die "in dit verbond staat, met zijn' God wordt gebracht, dan ligt het voor de hand, dat wij evenzeer van 't verbond gesproken vinden als van het„naderen tot God."

Inderdaad ligt voor den schrijver van onzen brief hierin het wezen van het priesterlijke, en een zeer belangrijk onderdeel van allen waarachtigen geestelijken dienst van God.

God. De hoogste functie van den priester is niet het offer ; het is, dat hij door middel van het offer, na de door het offer teweeggebrachte verzoening, tot God nadert, voor Gods aangezicht verschijnt.

En dat niet maar voor zich individueel, neen, ook in de plaats en in den naam van hen, die hij vertegenwoordigt.

Wien kan het verwonderen, dat de schrijver, het offer van Christus vergelijkende met dat der hoogepriesters onder het Oude Verbond, zijn hoogste vrucht hierin ziet bereiken, dat hij van Hem zegt : „Christus is ingegaan in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons", hfdst. 9 vs. 24 ?

, En dat hij elders de bedoeling en beteekenis van Israels priesterschap op soortgelijke wijze omschrijft ? Wel erkent hij hierin, nu de vervulling gekomen, de volheid geschonken is, het voorioopige en niet-afdoende. Maar toch, al kunnen de offeranden, die alle jaar geduriglijk worden opgeofferd, nimmermeer heiligen, omdat de wet slechts een schaduw heeft der toekomende goederen, niettemin zegt toch de schrijver van hen, die deze offers brengen, en van hen, voor wie zij gebracht worden, dat zij „toegaan" d.i. naderen tot God, hfdst. 10 vs. 1.

Daarom duidt hij het leven des geloofs, het verkeeren in de dingen, die men niet ziet, hfdst. 11 vs. 1, aan als een „gaan tot God" : wie tot God gaat, moet gdooven, dat Hij is, hfdst. 11 vs. 6.

En het voorrecht dergenen die den barmhartigen Hoogepriester waariijk kennen, is juist het priesteriijk, uit genade geschonken recht van „te staan voor Gods aangezicht."

Vandaar dat zij, die dezen „Grooten Hoogepriester", die de hemelen doorgegaan is", belijden, worden vermaand : „laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade", 4 vs. 16, en dat de schrijver, omdat wij hebben „een grooten Priester over het huis Gods", deze aansporing geven kan: „laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs", 10 vs 22.

De wet heeft, zoo zegt hij 7 vs. 19, geen ding tot haar einde gete'acht, zij was voorbereiding, introductie tot een „betere hoop, door welke wij tot God genaken."

Dat alles is geschonken aan hen, die Hem kennen, welke „een onvergankelijk priesterschap heeft", die de Middelaar is van het Nieuwe testament. Hij, zoo heet het 7 vs. 25 kan volkomen zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

„Naar de ordening van Melchlzedek”.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's