Uit het kerkelijk leven.
DE VERGADERING TE UTRECHT.
Donderdag 15 Juli zijn op uitnoodiging van den Bond van Predikanten afgevaardigden van verschillende kerkelijke Colleges en groepen te Utrecht saamgekomen om te spre ken over het Synodaal ontwerp van reglement, tot verbetering van de predikantstractementen, pensioenen, enz.
Tegenwoordig waren het Algemeen College van Toezicht, het bestuur der Vereeniging van Kerkvoogdijen, de heeren dr. De Vrijer, ds. Boer en ds. Den Hertog (van Rotterdam), als vertegenwoordigend het bestuur van den Bond van Predikanten, de h.h, ds. Tammens, ds. De Haan, ds. Bongers en ouderling Bom, als leden van de Synode en voorts prof. Obbink, ds. Van Paassen, ds. Gouverneur van de Ethische Vereeniging ; ds. Drijber, ds. Frijling, ds. Hefting van de Evangelische Vereeniging ; ds. Wagenaar, ds. Riemens, ds. IJsseling, van de Herv. Broederschap ; ds. Niemeyer, ds. Eilerts de Haan, ds.. Meindersma van de Vrijzinnige Hervormden, mr. Schokking, ds. Kromsigt, ds. Te Winkel van de Confessioneele Vereeniging en ds. Jongebreur, ds. Goslinga en ds. Van Grieken van den Gereformeerden Bond.
Het inleidend woord van den praeses, dr. De Vrijer, deed gevoelen, dat de vergadering bijeengeroepen was „om de verschillende principiëele bezwaren, voortvloeiende uit de richtingsverschillen en de beheerskwestie te bespreken of wellicht het verlossende woord zal kunnen worden gevonden, waaraan dringende behoefte is vanwege den nood der predikanten."
„Komt deze bijeenkomst", zoo vervolgde de voorzitter „niet tot overeenstemming, dan is er slechts zeer geringe kans, dat de Synode het aanhangige voorstel zal aannemen."
Bij de discussie moesten dus onderscheiden worden : Ie. de bezwaren van principiëelen aard, n.l. voortvloeiende uit de richtings-of de beheerskwestie en 2e. de practische bezwaren welke er waren ingebracht tegen het voorstel.
Inzake de beheersmoeilijkheden kwam de vergadering vrij spoedig tot overeenstemming door zich uit te spreken voor centrale leiding (Raad van Beheer) met gedecentraliseerde uitvoering (aanslag over de gemeenten, medewerking van kerkvoogden) en het aannemen van een door den heer v. Voorst van Beest ingediende motie, luidende: de vergadering enz. gehouden te Utrecht den 15 Juli 1920, overtuigd dat het voor een oplossing inzake de predikantstractementen zéér gewenscht is, dat de Synode in overleg treedt met den Bond van Ned. Predikanten en de Beheerscolleges (Algemeen College van Toezicht en Vereeniging van Kerkvoogdijen), dringt er bij de Synode krachtig op aan, tenspoedigste daartoe de noodige maatregelen te treffen, zoodat de behandeling nog in de a.s. Synodale zitting zal kunnen geschieden."
Dat het hiertoe gekomen is, is vooral te danken aan de groote bereidwilligheid van heeren kerkvoogden, die herhaaldelijk hebben uitgesproken, dat er geholpen èh spoedig geholpen moest worden om tractementen, pensioenen, enz. te verhoogen, daar de nood alom schreiend groot is.
Toen het aan de richtingskwestie kwam ging het niet zoo vlot. Natuurlijk niet. Want men mag niet vergen, dat iemand van z'n beginsel af laten zal. En elke regeling die daarop gegrond is, is daarin ook reeds veroordeeld en onbruikbaar geworden.
Toen dan ook pogingen werden gedaan, om aan de regeling tot verbetering der predikantstractementen a la dr. Niemeyer hier aan te verbinden het geven en erkennen van rechten van minderheden in onze Kerk, hebben we aanstonds geprotesteerd en gezegd, dat we daar nooit aan zouden meedoen. Wij willen als het over de oplossing van het kerkelijk vraagstuk gaat, mee van de partij zijn en willen dan alles doen wat mogelijk en oorbaar is om tot een goede oplossing te komen (vóór dat onze Herv. Kerk geheel futloos en dood is, verscheurd door den richtings-strijd), maar om aan dit ontwerp-Reglement tot verbetering der predikantstractementen als terloops de erkenning van de rechten van minderheden te verbinden, dat vinden we oneerlijk en niet toelaatbaar en krachtens ons beginsel zullen we er ook tegen blijven protesteeren.
Vooral dr. Niemeyer scheen dat niet te begrijpen.
Maar dat kennen we al en we laten er ons niet door van de wijs brengen.
Men mist nu eenmaal het recht om in het midden van onze Herv. Kerk, met haar belijdend karakter alles zoo maar, zonder meer, te gaan erkennen. Ook dan niet, als er nood in de pastorieën is. En weverklaren nogmaals, dat we ons er tegen zullen blijven verzetten als men tracht van den nood in de pastorieën gebruik te maken om voor de minderheden rechten te verove ren. Dat vinden we immoreel en niet toelaatbaar.
Maar laten we liever inplaats van zélf een soort verslag te gaan geven van de discussie welke gehouden is, overnemen wat als officieel communiqué is gepubliceerd door het Bestuur van den Bond van Predikanten (secretaris ds. Boer). We lezen dan in de couranten het volgende :
Over de richtingsmoeilijkheden spreken eerst de leiders zich uit.
Dr. Niemeyer (Vrijz.) acht fiasco bij de invoering van het tractementsreglement onafwendbaar, als niet wordt tegemoetgekomen aan de behoeften der minderheden, daar anders zeer velen zullen weigeren te betalen De manier waaróp, is van bijkomstig belang.
Ds. van Grieken (Geref.) acht mislukking onvermijdelijk, tenzij getracht wordt buiten de richtingsvragen om als Hervormden een oplossing te vinden.
Mr. Schokking (Conf.) wil trachten te komen tot een solutie die niets praejudiceert omtrent de oplossing der richtingskwestie en wil daarom het zwaartepunt leggen in de gemeente (heffing over gemeenten).
Ds. Drijber (Ev.) noemt het ondenkbaar dat allen zullen betalen wanneer men den toestand laat zooals hij is ; ook voor de meerderheid is dat ondragelijk.
Dr. Riemens (Herv. Br.) acht aanneming van dit reglement alleen mogelijk wanneer het kerkelijk vraagstuk zoo spoedig mogelijk tot oplossing wordt gebracht.
Dr. Obbink (Eth.) wil na deze principiëele uiteenzettingen toenadering zoeken : kan links de gemeenteheffing aanvaarden ; meent rechts dat als het voorbeeld van Haarlem regel wordt, dat dit erkenning van de rechten der vrijzinnigen zou zijn ? Ook wil hij de kerkgebouwen ter beschikking gesteld zien.
Dr. Niemeyer accepteert de gemeentelijke heffing en zal tevreden zijn als het geval Haarlem regel wordt, maar acht dit ook het minimum.
Mr. Schokking acht regeling van 't geval Haarlem voor de gansche kerk onmogelijk. Hij wil dit overlaten aan de vrije ontwikkeling ; 't zal niet overal op dezelfde wijze gaan ; 't recht van den kerkeraad moet blijven, 't Geld moet wel komen voor alle predikanten, maar dat wil niet zeggen, dat het voor speciale groepen komt, ook al is daar geen predikant.
Dr. Obbink vraagt nu of mr. Schokking het geoorloofd zou achten als aan de gemeenten niet de plicht, maar het recht werd gegeven te doen wat Haarlem deed.
Dr. Riemens acht financieele billijkheid aannemelijk.
Ds. Wagenaar (Herv. Br.) noemt rechts verantwoordelijk voor de mislukking als zij niet tegemoet wil komen ; 't moet de eer der rechterzijde zijn geen geld te aanvaarden dat onder bezwaar wordt gegeven. Rechts en links moeten met elkaar samenwerken, anders komt er niets tot stand.
Ds. Boer (Bond) geeft in overweging om gegeven het bezwaar ter rechterzijde tegen het denkbeeld dat het Haarlemsche geval tot regel zou worden gemaakt, om de restitutie niet plaatselijk te doen geschieden, maar over de geheele kerk uit de kas voor de predikantstractementen.
Dr. Niemeyer verklaart zich bereid dit te aanvaarden.
Mr. Schokking kan daar niet mee meegaan ; hij ziet daarin een vooruitloopen op de erkenning der minderheden en vreest dat er dan steeds meer georganiseerde minderheden zullen komen. De Kerk moet één blijven.
Dr. Kromsigt (Conf.) sluit zich hierbij aan ; de algemeene Kerk zorge voor de minima der predikantstractementen, plaatselijk moeten kerkvoogden weten wat zij doen willen.
Ds. Wagenaar geeft de moreele verzekering dat hij geen oplossing van het kerkelijk vraagstuk wil dan in gemeen overleg met allen die tot de Kerk behooren en vraagt.of dr. Niemeyer zijn bezwaar zou kunnen laten vallen, wanneer de vergadering van de Kerk vraagt een principieel aan de orde stellen van het vraagstuk op de basis dat er recht geschieden zal ten opzichte van de financieele regeling. Spr. voelt dat de mogelijkheid voor restitutie voor de minderheden zal worden de oplossing van het kerkelijk vraagstuk op materieele basis.
Dr. Niemeyer, vraagt of niet omgekeerd de rechterzijde in afwachting van een definitieve oplossing aan de georganiseerde minderheden restitutie geven wil. Spr. wil ook wel een beslissing in het kerkelijk vraag stuk op de genoemde basis, maar dat moet dan geschieden door de kerk zooals ze nu en niet na een groote exodus, welke het gevolg zou zijn van invoering van het regie, ment zonder tegemoetkoming.
Ds. Boer wijst er op dat de raad van beheer evengoed een zuiver administratief lichaam is als kerkvoogden. Laat die Raad dan ook mogen weten wat hij doen wil.
Mr. Schokking verzet zich tegen het oogluikend toelaten van wat kerkvoogden doen.
Ds. Wagenaar wil in 't oog houden, dat het gaat om de predikantsbezoldiging en zou daarom kunnen meegaan als de predikanten verbonden aan georganiseerde minderheden uit de kas voor de predikantstractementen werden gesalarieerd op gelijken voet met de predikanten in de kerk. Ds. Gouverneur en ds. Riemens stemmen daarmede in. Ds. Van Grieken en dr. Kromsigt en mr. Schokking verklaren dat denkbeeld onaannemelijk.
Ds. van Grieken kan niet uitgaan van het tegenwoordig kerkelijk leven, maar wil wel zonder contact met de richtingskwesties zoo veel 'mogelijk naar voren brengen wat allen verbindt als Hervormden.
Mr. Schokking meent, dat de richtingskwestie die er ten onrechte in is gehaald er weer uit moet, want de nood dreigt zoo hevig en er moet in worden voorzien.
Ds. Boer constateert aan het einde van deze discussie als reeds eenigen zijn heengegaan, dat z.i. aan beide zijden een zeer ernstig willen aan het licht is getreden om door de meest mogelijke tegemoetkomendheid de uitvoering van het aanhangige reglement mogelijk te maken. Dat dit doel niet bereikt is doet allen zeer leed, vooral om de wille van de vele armoelijdende pastoriebewoners. Toch meent hij te mogen zeggen, dat indien de Synode, die niet spreekt namens partijen, maar zorgt voor de gansche kerk, een brug mocht vinden, dat dan wel allen bereid zouden worden gevonden over die brug te gaan, ook al mocht er iets aan te merken zijn op zijn ligging. Alleen van Gereformeerde zijde werd dit weersproken.
De voorzitter sluit de vergadering met de betuiging van zijn groote droefheid over het resultaat."
Wat wij na dit alles nog zeggen willen ? Dit: Laat men overal van gemeente tot gemeente, vast beginnen om te doen wat mog: elijk is om de predikantstractementen te verhoogen.
Laat kerkeraad en kerkvoogdij samenwerken.
En laat de gemeente komen tot offervaardigheid.
Daar behoeven we niet mee te wachten tot er een Synodaal reglement is.
We moeten deze dingen doen om Gods wil.
We moeten het doen om de wille van het ambt, van de pastoriebewoners. We moeten het doen om de wille van de Kerk — opdat niet alles ten onder gaat.
En immers ons Gereformeerd beginsel brengt mee dat wij, Gereformeerden, hier een voorbeeld geven.
Omdat we immers eerbied hebben voor Gods Woord !
Bovenstaand artikel was voor het vorig nummer bestemd, doch kon wegens plaatsgebrek niet worden opgenomen.
GEHEEL ONJUIST.
We lazen in onderscheidene bladen het volgende bericht dat we vermelden, omdat er zooveel onjuiste dingen in staan. Het luidt als volgt:
Predikantstractementen.
„De Bond van predikanten heeft aan de Ned. Herv. Synode een uitvoerig schrijven gezonden, waarin wordt erkend, dat op de vergadering van 15 Juli de meeningen zeer uiteen liepen, maar dat toch op deze vergadering ten slotte werd verklaard, dat men, indien de Synode mocht besluiten het reglement zonder tegemoetkomingen vastte stellen, alle beschikbare kracht en invloed zou aanwenden om mislukking te verhoeden.
Het hoofdbestuur, zoo heet het verder, laat gaarne de beslissing in deze teere aangelegenheid over aan de prudentie van uwe vergadering, maar meent de vrijheid te mogen nemen uwe aandacht er op te vestigen, dat'blijkens gemelde wederzijdsche verklaringen een eenstemmigheid is verkregen, grooter dan in de gegeven kerkelijke verhoudingen eigenlijk was te verwachten. Het hoofdbestuur voegt hieraan toe dat medewerking hoezeer wellicht hier en daar schoorvoetend toegezegd tusschen organen en kringen, wier onderlinge verhouding zich tot hiertoe nu juist niet door samenwerking heeft gekenmerkt, straks als het op daden aankomt stellig zal blijken krachtiger te zijn dan deze of gene a priori wellicht zou durven hopen.
Op grond hiervan dringt het hoofdbestuur met groote kracht bij uwe vergadering aan op vaststelling van het ontwerp. Nu de uitvoering daarvan blijkt mogelijk geworden, door de verkregen algemeene medewerking, mag dewel zeer dringende nood een prikkel zijn om tot dit zeer belangrijke besluit de vereischte vrijmoedigheid te vinden.
De gansche kerk, de predikanten in het bijzonder wachten met groote spanning en aandacht op het besluit, waartoe uwe nadere overwegingen zullen leiden.
Geve God u de wijsheid en den moed voor een besluit dat de Kerk in deze moeilijke lijden redden kan uit onhoudbargn nood."
Dit schrijven van het Bestuur van den Bond van predikanten wemelt van onjuistheden en wij begrijpen niet wie aan het Bestuur (den secretaris) het recht gegeven heeft zulk een schrijven aan de Synode te zenden. Het geeft daar een totaal verkeerden indruk van de Vergadering — gelijk gelukkig door de heeren Eilerts de Haan c.s. reeds is opgemerkt.
Dat de nood in de pastorieën groot is ; dat geholpen moet worden — dat is uitgesproken en daarover waren allen het eens. Maar over de richtingkwestie waren we het oneens en over het aanhangige reglement is zoo goed als niet gesproken.
Hoe het Bestuur van den Bond dan ook b.v. kan schrijven : „Op grond hiervan dringt het hoofdbestuur met groote kracht bij uwe vergadering aan op vaststelling van het ontwerp" — is ons een raadsel. En nog grooter raadsel is ons wat volgt : „Nu de uitvoering daarvan blijkt mogelijk geworden door de verkregen algemeene medewer. king, mag de wel zeer dringende nood een prikkel zijn om tot dit belangrijke besluit de vereischte vrijmoedigheid te vinden."
We kunnen best begrijpen dat het Bestuur van den Bond van predikanten heel graag zou willen, dat de Synode zijn voorstel maar aannam. Maar daarom mag het Bestuur (de secretaris) maar niet schrijven, dat de Utrechtsche vergadering daartoe heeft geadviseerd.
Wij hopen dan ook, dat het ontwerp zooals het daar ligt niet zal worden aangenomen. Wij hebben ernstige bezwaren gehad en hebben die nog.
Met belangstelling wachten we, wat het resultaat zal zijn straks van de bespreking dezer dingen tusschen de Synode, het College van Toezicht, de Vereeniging van Kerk voogden en het Bestuur van den Bond van predikanten.
Maar laat men intusschen toch niet den indruk geven alsof men het op de Vergadering van 15 Juli te Utrecht over het Synodaal ontwerp zoo roerend eens was.
Daar is niets van aan !
Gelijk ieder die daar tegenwoordig was zéér goed weet.
ZELDZAAM BRUTAAL.
Dr. Niemeyer geeft in het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden een beschouwing over de te Utrecht gehouden vergadering en constateert dat het overleg is mislukt.
„Sommigen ter vergadering toonden zich" zoo schrijft hij dan „over deze mislukking niet alleen bedroefd, doch ook verwonderd.
In die verwondering hebben wij niet kunnen deelen. Wij zijn langzamerhand genoeg bekend geworden met de gedragslijn, die gereformeerden en confessioneelen beweren, dat hun door hun beginselen wordt voorgeschreven, om ons over hun starre onverzoenlijkheid niet meer te verbazen."
Daarna zegt hij : „Aan het einde der vergadering werd de opmerking gemaakt, dat de Synode nu staat voor een buitengewoon moeilijke beslissing. Ongetwijfeld is dat waar.
Toch mag de Synode, naar wij meenen, blij zijn, dat de vergadering is gehouden. Want zij weet nu, nauwkeuriger dan zij anders zou weten, hoe het met de zaak staat.
De vrees van sommigen, , dat de Synode nu wel genoodzaakt zal zijn, het aanhangige Reglement te verwerpen, en dus den bestaanden noodtoestand te laten voortduren, achten.wij niet gerechtvaardigd.
Dat kan de Synode niet doen. En dat zal zij ook niet doen.
Zij zal ongetwijfeld in het Reglement belangrijke wijzigingen aanbrengen, om de grondgedachten, die in het voorstel van prof. Slotemaker de Bruine zijn belichaamd, tot haar recht te doen komen.
De aandrang in die richting is zeer groot geweest, met name de aandrang, om een omslag te heffen van de gemeenten, en niet van de leden rechtstreeks."
Tot zóóver kunnen we aardig wel instemmen met hetgeen dr. Niemeyer schrijft. En had hij het hierbij gelaten, zouden we ook zeer zeker niet als opschrift boven dit stukje hebben gezet : „zeldzaam brutaal."
Dat hebben we gekozen met het oog op 't volgende.
„De groote vraag" zoo schrijft hij „waarvoor de Synode staat, is naar ons oordeel deze, of zij zulk een gewijzigd Reglement zal aannemen met of zonder voorziening in de zorg voor minderheden."
En dan komt het:
„Wordt een gewijzigd Reglement aangenomen zonder eenige voorziening in de zorg voor minderheden, neen, dan zullen niet onmiddellijk zóóvelen de betaling weigeren en de Kerk verlaten, als bij ongewijzigde aanne ming het geval zou zijn, maar dan zullen toch duizenden, die van de Kerk niets ontvangen, ook aan de Kerk niets willen geven, en dan zal daardoor de tractementsregeling zijn veroordeeld tot mislukking.
En wordt een gewijzigd reglement aangenomen met eenige voorziening in de zorg voor minderheden, ja, dan zullen confessioneelen en gerefoiMneerden ontevreden zijn; maar dan zullen zij toch ongetwijfeld óf térstond óf weldra zich neerleggen bij de nieuwe gevolgtrekking uit het feit, dat er in onze Kerk verschillende richtingen zijn, evenals zij zich hebben neergelegd bij andere gevolgtrekkingen, die uit dat zelfde feit vroeger reeds zijn gemaakt.
Wenscht de Synode inderdaad het belang van de geheele Kerk te bevorderen, en wenscht zij terwille daarvan de tractementsregeling te doen slagen, dan zal zij daarom moeeten kiezen voor een gewijzigd Reglement met eenige voorziening in de zorg voor de minderheden."
In die staart zit de brutaliteit ; en niet zuinig.
Wil de Synode het belang der geheele Kerk dienen, dan moet zij maar niet met de bezwaren van de confessioneelen en gereformeerden rekenen ; die zullen wel inbinden straks ; maar dan moet zij rekenen met de eischen van de vrijzinnigen, die bij de regeling van de predikantstractementen tegelijk erkenning van hun rechten vragen en de Kerk willen maken tot een Vereeniging van elk wat wils.
't Is zeldzaam brutaal, als men zegt, dat zóó de belangen van de geheele Kerk het best gediend worden !
Als het niet zoo treurig was, zouden we er eens hartelijk om lachen.
Dr. Niemeyer denkt misschien : „Een brutaal mensch heeft de halve wereld."
Maar we hopen, dat de Synode verstandiger en rechtvaardiger zal zijn.
NIET THUIS.
Onze Hervormde Kerk is een belijdende Kerk. Is heelemaal niet een Vereeniging van elk wat wils, Draagt heelemaal niet het karakter van een Volière, waar ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, om dan uit eigen zaadbakje voedsel te halen en te drinken uit eigen fonteintje. Overal komt in uit, dat onze Hervormde Kerk een belijdend karakter heeft en die dat niet wil erkennen en niet wil aanvaarden, zal telkens ervaren in heel de praktijk van ons kerkelijk leven, dat het belijdend karakter zich niet laat verdringen, waardoor men overal en telkens tegen de werkelijkheid aanbotsen moet.
Vrijzinnigen voelen zich dan ook niet thuis in de Hervormde Kerk. Honderden en duizenden die er nog toe behooren erkennen dat, al is 't niet altijd even royaal.
En zeer velen zijn dan ook van hen reeds heengegaan, omdat zij zich elders beter thuis voelden.
Nu gaat dr. J. C. A. Fetter, voorganger bij de Vrijzinnige Hervormden te Haarlem, weer heen ; en wel naar de Remonstrantsche Gemeente te Rotterdam.
Eerst voelde hij zich als dominé al niet thuis in de Hervormde Gemeente te Zutfen. Nu weer niet te Haarlem als voorganger van den Vrijzinnigen kring.
Want, zoo schrijft hij in de „Kerkbode voor Haarlem" :
„Het kerkgenootschap dat ik nu ga dienen, heeft een doel-en beginselverklaring, waarmee ik mij volkomen kan vereenigen. Zoolang de Ned. Herv. Kerk niet bewust in dezelfde richting gaat, zullen werkelijk vrijzinnige menschen zich in haar niet thuis voelen, en kan' zij hun godsdienstige behoeften niet bevredigen."
Daar staat het dus weer voor de zooveelste maal, neergeschreven nu door een man die lang tegen den stroom opgeroeid heeft en het lang voor de zaak der vrijzinnigen in de Herv. Kerk heeft opgenomen : dat werkelijk vrijzinnige menschen zich in de Herv. Kerk niet thuis kunnen voelen, omdat de Herv. Kerk niet — zooals b.v. de Remonstrantsche kerkgemeenschap — een vrijzinnige, maar een belijdende Kerk is.
En dat zegt dan iemand te Haarlem, waar, zooals breed uitgemeten wordt, de kerkvoogden zoo'n breeden blik en zoo'n milden geest hebben, dat ze aan de vrijzinnigen restitueeren van den kerkdijken hoofdelijken omslag.
Nader verklaart dr. Fetter zich in een „Ingezonden" in de N.R. Ct. als volgt :
„Toen ik het beroep naar de Rem. Gem. te Rotterdam had aangenomen, was ik verplicht uiteen te zetten, waaróm ik dit gedaan had.
Ik verlaat de Herv. Kerk omdat ik een beroep ontving naar de Rotterdamsche Remonstrantsche Gemeente en omdat 't kerkgenootschap, waartoe die gemeente behoort, mij wegens zijn beginselverklaring en organisatie sympathiek is."
En dan zegt hij verder dat in Haarlem niemand der belangstellende vrijzinnige Hervormden zich in de Herv. Kerk „thuis" voelt. „Hoe zou dat kunnen in de tegenwoordige omstandigheden ? Doopsgezinden en Remonstranten voelen zich in hun kerkgenootschappen meestal wel „thuis". Zullen de vrijzinnige Hervormden zich in hun eigen kerkgenootschap „thuis" voelen, dan moet dit tot een beginselverklaring komen, ongeveer gelijk aan die der Remonstrantsche Kerk. Ik hoop van harte, dat het eens zoover zal komen. Komt het niet zoo ver, dan hoop ik, dat de orthodoxie de Ned. Herv. minderheid financieel in staat zal stellen, een eigen kerkgenootschap te stichten, dat dan principieel niet van de Remonstrantsche Broederschap verschillen zal en met haar kan samengaan of zich vereenigen. Niemand zal zich meer verheugen dan ik, wanneer de vrijzinnig Hervormden, hoe dan ook, zich „thuis" zullen voelen in hun Kerk"
Laten we nu die laatste tirade weg — welke wat vreemd klinkt als een vrome wensch uit den mond van iemand die maar vast héén gaat! — dan komt het dus hierop neer : in de Herv. Kerk kan een waarlijk vrij zinnig mensch niet ademhalen, hij voelt er zich niet „thuis." Doopsgezinden en Remonstranten voelen zich in hun kerkgenootschap pen wel „thuis" ; daarom is het maar het beste dat de vrijzinng Hervormden óók maar een eigen kerkgenootschap stichten of met de Remonstrantsche Broederschap zich vereenigen.
Wij oordeelen, dat dr. Fetter nog niet zoo'n verkeerden kijk op de dingen heeft en wij hopen, dat hij in Rotterdam in de Remonstrantsche Kerk nog vele vrijzinnigen mag stichten met zijn bezielend woord, wat overigens toch ook weer zoo hol en zoo ledig is, omdat de mensch verwezen wordt naar zich zelf en de prediking van den Christus der Schriften niet gevonden wordt,
NIET OVER HET HOOFD LEZEN !
Ds. Drijber, Herv. predikant te Zutphen, schrijft in 't „Evangelisch Zondagsblad" ook over het heengaan van dr. Fetter van de Herv. Kerk naar de Remonstrantsche Broederschap, en zegt dan :
„Ik kan mij ook voorstellen dat een moderne gaarne behoort tot een kerk van enkel modernen, en dat hij daarom zich b.v. bij de Remonstranten voegt.
Maar dat een Vrijzinnige niet in de Ned. Herv. Kerk bevrediging zou kunnen vinden, — en dus alle vrijzinnigen eigenlijk Remonstrant zouden moeten worden — dat zie ik niet in.
Op de laatste bladzijde van De Remonstranten, ten vorige jare bij Sythoff te Leiden uitgegeven, schrijft dr. C. E. Hooykaas : „In de beginselverklaring, die aan het hoofd staat van het Algemeen Reglement der Broederschap wordt gezegd dat zij staat „op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus, "
En in de proponentsformule der Ned. Herv. Kerk beloven zij die worden toegelaten tot proponent, dat zij „overeenkomstig de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus verkondigen" zullen.
Wanneer wi| die woorden naast elkaar leggen, dan zien wij niet in dat thans de beginselen der beide kerkgetiootschappen veel verschillen. Zeker is dat een vrijzinnig-Christen geen bezwaar kan hebben tegen onze formule, en dat hij met deze belofte even vrij staat als hij, die zich moet houden aan den grondslag van de Remonstranten."
Hier wordt dus gezegd dat de grondslag van de Herv. Kerk dus eigenlijk precies ge lijk is aan den grondslag van de Remonstrantsche Broederschap n.l. het Evangelie van Jezus Christus.
Wie nu een weinig met de historie bekend is en van de beginselverklaring der Remonstrantsche Broederschap wat nader heeft kennis genomen weet beter.
Maar waar het ons hierbij om gaat is dit: dat in onze Herv. Kerk dus het Evangelie van Jezus Christus moet worden gepredikt overeenkomstig de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk hier te lande.
En als we dat hier even onderstrepen, met bijvoeging van 't geen in elken beroepsbrief staat, dat het prediken van het Evangelie van Jezus Christus moet geschieden overeenkomstig Gods Heilig Woord, dan krijgen we dus van dat Evangelie van Jezus Christus in het midden van onze Hervormde Kerk hier te lande een dubbele nadere omschrijving en wel : dat ieder in de Hervormde Kerk zich te stellen heeft op de basis harer belijdenis, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid en dat een ieder zich te houden heeft aan Gods Heilig Woord.
Dat mag men, als men het heeft over de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus maar niet over 't hoofd zien.
Want men behoort immers tot de Hervormde Kerk hier te lande, welke Kerk dit karakter draagt en van dat beginsel is..
BLIJ MET EEN DOODE MUSCH ?
In het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden schrijft dr. Niemeyer dit merkwaardige stukje :
, , Door verschillende bladen is medegedeeld, dat de bijzondere kerkeraad van Rotterdam op principieele gronden afwijzend heeft beschikt op een verzoek van de vereeniging van vrijzinnige Hervormden aldaar, om des Zondags een kerkgebouw te harer beschikking te stellen voor het houden van godsdienstoefeningen onder leiding van Hervormde predikanten van vrijzinnige richting.
Wij waren niet van plan, hiervan melding te maken, omdat afwijzingen van dien aard zoo gewoon zijn.
Wij vestigen er daarom alleen de aandacht op, als wij meenen, dat er aan het geval iets bijzonders is.
En ten aanzien van deze afwijzing werd niets bijzonders bericht.
Wij vernemen echter, dat er toch een bijzonderheid bij het geval is te vermelden, en willen daarvan nog even mededeeling doen.
Van iemand, die bij de behandeling van het verzoek der vrijzinnigen in den bijzonderen kerkeraad van Rotterdam tegenwoordig is geweest, hebben wij namelijk vernomen, dat tien predikanten — er. zijn in het geheel zeventien — zich vóór inwilliging van het verzoek hebben uitgesproken.
Wij moeten verklaren, dat dit ons zeer is meegevallen.
Ook anderen zullen wel niet hebben gedacht, dat zóó de stemming was onder de Rotterdamsche predikanten.
Het schijnt niet uitgesloten, .dat weldra te Rotterdam de vrijzinnige Hervormden van de orthodoxie, of althans van sommige orthodoxen, eenige erkenning en tegemoetkoming zullen ondervinden."
Wij willen dr. Niemeyer vragen zijn zegsman — een lid van den Bijzonderen Kerkeraad te Rotterdam, een predikant of een ouderling dus — te noemen, misschien dat we dan in staat zijn iets anders omtrent deze zaak mee te deelen.
Iets, dat wel een heel stuk van hetgeen hier boven vermeld is, verschilt, maar dat wat dichter bij de-waarheid staat.
We zijn wel benieuwd te weten wie dr. Niemeyer zóó geducht bij den neu» heeft gehad.
VERSCHRIKKELIJK.
Volgens het laatste no. van het orgaan van den Bond van Ned. Predikanten bedraagt het tractement van den Ned. Herv. predikant te Etten (N.-Br.) — waar sinds 1900 staat ds. J. H. L. Dijkman — de kapitale som van ƒ 1000.— (niet per 3 maanden, maar per jaar)
Het rijk betaalt daarvan ƒ 860 ; de Synode draagt ƒ 90 per jaar bij, zoodat de Gemeente zélf ƒ 50 geeft, zeggen ƒ 1 per week, terwijl dan gedurende de twee vacantieweken die gulden niet wordt uitbetaald (anders zou het 52 gulden per jaar voor de Gemeente worden, en dat gaat niet).
Nu is er in die gemeente (met ongeveer 150 Hervormden, alles en alles meegerekend) 30 H.A. land, dat aan de Diaconie behoort.
Het is gebleken, dat zonder bezwaar uit de opbrengst van dat Diaconieland jaarlijks een som zou kunnen worden gestort in de kerkekas. De armen — die er ongeveer niet zijn — komen dan toch nog niet te kort.
Maar wat blijkt nu ?
Het Diaconieland wordt gewoonlijk maar ondershands verhuurd en in 1918 was dat voor een prijsje van ƒ 1143.—.
Twee rijksschatters, daartoe beëedigd door den kantonrechter in het ressort, hebben nu op verzoek en op kosten van een Commissie uit het Classicaal Bestuur het land geschat en het resultaat is, dat * huurwaarde zou moeten gerekend worden ± ƒ 3000.—,
De heeren die over het Diaconieland gaan verdeelen dus het land maar onder elkaar en bevoordeelen elkander maar even met een paar duizend gulden, ten koste van de Diaconie, en in dit geval ook ten nadeele van den predikant, die met ƒ 1000 maar moet zien rond te komen.
' Zou men zulke menschen, die zoo enorm rommelen en dat nu al jaren gedaan hebben, niet naar behooren kunnen straffen ?
't Is toch verschrikkelijk, dat zulke dingen kunnen voorkomen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's