De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

EEN SOCIAAL BELANG.

Het trekt niet weinig de aandacht dat tot de felle bestrijders van het nieuwe Zondags. wetsontwerp niet alleen de vrijzinnigen, maar óók de sociaal-democraten behooren. Van de eersten is het bekend, dat wanneer zij iets van eigen genoegens moeten opofferen ten bate van het algemeen, zij zich meestentijds verontschuldigen. Er wordt dan van dien kant gesproken over het aantasten van de vrijheid, het opleggen van geestelijken dwang, die tot onwaarachtigheid leidt, en als het op eene regeling der Zondagsrust aankomt, op het kweeken van bekrompen kerkelijke politiek. Dit alles werd onlangs in de bekende protest-meeting inzake het ontwerp-Zondagswet van Minister Ruijs nog eens in den breede uiteengezet.

Maar dat de sociaal-democraten zich op krachtige wijze zouden aangorden om zich tegen de voorgestelde regeling te verzetten, was niet te verwachten.

Immers komt men van die zijde steeds op voor verbetering van de voorwaarden, waar onder de arbeiders leven. Voor het arbeidende volk kan niet genoeg gedaan worden. Voor hooge loonen moet geijverd worden en op korter arbeidstijd worden aangestuurd Gaat het echter om krachtige bevordering I van de Zondagsrust, waarvan toch in de eerste plaats de arbeiders zullen genieten, dan maakt men bezwaar.

Het Zondagsvraagstuk heeft toch niet a - leen een religieusen kant, maar omvat óók een sociaal belang.

Dat de sociaal-democraten voor het eerste niets gevoelen, begrijpen wij, maar voor liet laatste dienden ze toch een open oog te liebben.

Of is de vijandschap tegen de religie zóó groot, dat men terwille daarvan de socia e zijde van het vraagstuk voorbijziet.

Wij zouden het haast moeten gaan geiooven.

Doch als dit zoo is, dan hebben de Christelijke arbeiders, die met groote dankbaarheid de indiening van het wetsontwerp zullen begroet hebben, zich er rekenschap van te geven, op welke wijze zij de beteeken s van de voorgestelde regeling ook voor de niet-geestverwante kameraden zullen hebben duidelijk te maken.

DE NIEUWE LAGER ONDERWIJSWET.

Aantal onderwijskrachten. Volgens art. 28 is voor het lager onderwijs de regeling zóó, dat er bij 26 kindenen één hoofd - |-één onderwijzer is ; 61 kinderen hoofd - 2 onderwijzers ; 91 kinderen hoofd + 3 onderwijzers ; 135 kinderen hoofd + 4 onderw. ; 180 kinderen hoofd - f-5 onderw. ; 225 kinderen hoofd - f-6 onderw ; 270 kinderen hoofd + 7 onderw. ; en voorts voor elk 56 tal leerlingen een onderwijzer méér.

Voor U.L.O. is deze regeling : 18 leeringen hoofd + onderwijzer ; 24 leerlingen hoofd 1 + 2 onderw. ; 41 leerlingen hoofd - f 3 onderw. ; 70 leerlingen hoofd - |-4 onderw. , •:100 leerlingen hoofd - f 5 onderw. ; 130 leer lingen hoofd + 6 onderw. ; 160 leerlingen hoofd + 7 onderw. ; 190 leerlingen hoofd + 8 onderw. ; 220 leerlingen hoofd + 9 onderw. ; 250 leerlingen hoofd 4-10 onderw. ; en voorts voor elk 30 tal leerlingen een onderwijzer méér.

Bij de toepassing van dit artikel wordt I niet meer genomen als grondslag het aantal leedingen op 15 Januari ; maar voortaan zal genomen worden het gemiddelde getal kinderen berekend naar het aantal, dat op 16 Maart, 16 Juni, 16 September en 16 December van het onmiddellijk voorafgaande kalenderjaar als werkelijk schoolgaande be_ kend stond.

Schoolgeld. Te beginnen 1922 zal er ter gemoetkoming in de kosten van de ouders der schoolgaande kinderen of, bij ontstentenis van beide ouders, van die kinderen zeL ven schoolgeld geheven worden (art. 62 van de wet). Deze heffing wordt geregeld naar evenredigheid van het inkomen.

Het schoolgeld wordt voor scholen, bestemd voor gewoon lager onderwijs en voor scholen, bestemd voor uitgebreid lager onderwijs afzonderlijk geregeld. Voor iedere school der zelfde soort is in elke klasse van heffing het verschuldigd bedrag gelijk. Men mag dus op de ééne school voor lager onderwijs geen hooger schoolgeld heffen dan op een andere school voor lager onderwijs in de zelfde gemeente. (Art. 63).

Voor scholen, bestemd voor gewoon lager onderwijs bedraagt het schoolgeld volgens de laagste klasse van heffing ten minste 5 cents per leerling en per week, de vacantiën inbegrepen. (Art. 64).

Indien meer dan één leerling uit hetzelfde gezin gelijktijdig eene school van de zelfde soort bezoekt, wordt het schoolgeld voor den tweeden leerling met twintig, den derden met veertig, den vierden met Izestig en den vijfden met tachtig ten honderd verminderd en is voor de volgende leerlingen geen schoolgeld verschuldigd. (Art. 66).

Op bijzondere scholen zijn de artt. 62—67 van toepassing. (Zie art. 95).

Het aanslaan in de schoolgeldheffing voor de kinderen der bijzondere scholen geschiedt door het gemeentebestuur.

Het innen van het schoolgeld kan door het bestuur der school geschieden, maar het bestuur kan het ook de gemeente laten innen. In beide gevallen komt het schoolgeld in de gemeentekas. (Zie art. 89 no. 11).

Deze nieuwe schoolgeldregeling gaat in 1 Januari 1922.

Art. 95 wordt dan ook voor de eerste maal toegepast over het jaar 1922.

Over 1921 blijft dus de schoolgeldregeling en schoolgeldinning op onze scholen, zooals ze tot op heden is.

De kinderen en het onderwijs. Op de lagere school, die zeven leerjaren zal hebben, wordt in de eerste zes jaren geen Fransch of een andere vreemde taal onderwezen, zoodat alle kinderen in die jaren hetzelfde onderwijs zullen ontvangen, dus een soort eenheidsschool.

Handen arbeid is als facultatief leervak in de wet opgenomen, dit beteekent, dat de gemeente-of schoolbesturen al dan niet tot het invoeren kunnen overgaan.

Bij het onderwijs in de beginselen van de kennis der natuur is inbegrepen het onderwijs in de beginselen der gezondheidsleer.

De leeftijd van toelating tot de school zal voor openbare en bijzondere scholen gelijk zijn ; vermoedelijk 6-jarigen leeftijd. (Zie art. 11 en 58).

Achtste leerjaar ; vervolgonderwijs. De gemeenten zijn bevoegd een achtste leerjaar in te voeren, desverlangd met het zevende der lagere school in een afzonderlijk gebouw onder te brengen.

Willen ouders hun kinderen dus na de zes eerste lagere schooljaren vervolgonderwijs laten geven, dan kan dit geschieden op daartoe te stichten vervolgscholen.

De Schoolhoofden. Om benoembaar te zijn als hoofd van een school moet een onderwij_ zer minstens 25 jaar oud zijn. Het ambulantisme wordt alleen voor openbare scholen afgeschaft, maar het afwijken van deze bepaling is geoorloofd. De Minister kan, den Onderwijsraad gehoord, ontheffing verleenen. Voor de bijzondere scholen kan het ambuiantisme blijven bestaan. De hoofden van scholen zijn gehouden, over de schoolzaken te beraadslagen met het personeel. (Schoolvergaderingen, art. 25 der wet).

De opleiding der onderwijzers geschiedt aan kweekscholen, welke op een diploma Mulo, 3-jarige H.B.S. of drie jaren van een H.B.S. 5-jarige cursus of einddiploma gymnasium geopend worden. De kweekschoolopleiding duurt vijf jaar, zoodat de onderwijzer gewoonlijk niet voor zijn 21ste jaar zelfstandig voor de klas komt. De hoofdacte vervalt. Er bestaat slechts één onderwijsacte, zoodat er voor de onderwijzers één bevoegdheid komt, terwijl er voor de lagere school geen afzonderlijke akten zullen bestaan voor zingen, teekenen, lichamej lijke opvoeding, talen en wiskunde.

Voor het geven van Fransch, Duitsch of Engelsch aan de U.L.O.-school — thans nog de M.U.L.O.-school heetende, zal een afzonderlijke bevoegdheid hoodig zijn.

De leeraren aan de Rijkskweekscholen moeten dezelfde bevoegdheid hebben als de leeraren aan 'n H.B.S. met S-jarigen cursus. I (Acte M.O.).

Zijn er geen bevoegde leerkrachten met akte M. O. te vinden, dan behoeft aan dezen eisch niet de hand te worden gehouden.

Het Schooltoezicht. Dit wordt uitgeoefend door het Rijks-schooltoezicht, n.l. hoofd- inspecteurs, inspecteurs en schoolopzieners ; het plaatselijk toezicht oefenen B. en W. en de plaatselijke commissies van toezicht uit. Deze bestaan uit vijf leden of veelvouden van vijf. De samenstelling is aldus : 2 onderwijzers ( een van een openbare en een van een bijzondere school), twee ouders een voor de openbare en een voor de bijzondere) en nog een vijfde lid.

Bovendien wordt voor elke openbare school een commissie van ouders, bestaande uit vijf ouders van schoolgaande kinderen, ingesteld. (Art. 20 der wet).

Waar in deze gesproken wordt van hoofdinspecteurs, inspecteurs, schoolopzieners enz, , zijn daaronder óók vrouwen te verstaan. (Art. 15 der wet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's