Uit het kerkelijk leven.
De finantieele verhouding tusschen Kerk en Staat.
Geen gunst maar recht
XXV.
Met hoeveel beslistheid we opkwamen voor 'de historische rechten van de Christelijke Hervormde Kerk, toch wil dit allerminst zeggen, dat hiermede bedoeld is het Kerkgenootschap, dat zich als de Nederlandsche Hervormde Kerk aandient. Al mag dit Kerkgenootschap zich zelfs als de wettige opvolger beschouwen van de aloude Gereformeer de Kerken, en al mag de Overheid de tractcmenten bij art. 171 der Grondwet vastgelegd aan de predikanten van dit Kerkgenootschap uitkeeren, daaruit volgt nog niet, dat de regeering, wanneer zij thans tot afwikkeling van den financiëelen band met de Kerkgenootschappen zou willen overgaan, zou kunnen volstaan met aan dit Hervormde Kerkgenootschap een kapitaal uit te keeren, waarvan de rente gelijk zou staan met de thans door de predikanten van dit Kerkgenootschap ontvangen tractementen.
In de eerste plaats toch dient wel in het oog te worden gehouden, dat het Hervormde Kerkgenootschap, toen deze verplichting in de Grondwet werd opgenomen, nog niet bestond. Hetzij men deze grondwettelijke verplichting wil afleiden uit de Grondwet van 1814, waarin uitdrukkelijk van de Christelijke Hervormde Kerk gesproken werd, hetzij uit de Grondwet van 1815, waarin aan de verschillende gezindheden de tractementen toen door hunne dienaren genoten, gewaar^ borgd werden, in geen van beide gevallen kan daaruit eenige rechtsaanspraak van het Hervormde Kerkgenootschap worden afgeleid, om de zeer eenvoudige reden, dat dit Hervormde Kerkgenootschap destijds nog niet bestond. Het Hervormde Kerkgenootschap dankt zijn ontstaan aan het Koninklijk besluit van 1816. Al kan men de vraag, of dit Koninklijk besluit wettig is geweest of niet, of wil men liever de vraag, of de Koning grondwettelijk wel bevoegd was, dit Kerkgenootschap te institueeren, hier laten rusten, in elk geval kan dit Kerkgenootschap, dat eerst in 1816 ontstaan is, niet bedoeld zijn, toen de Grondwet in 1814 of 1815 is vastgesteld. Met de Christelijke Hervormde Kerk, waarvan in de Grondwet van 1814, en met de gezindheden, waarvan in de Grondwet van 1815 sprake is, is dus niet bedoeld het Hervormde Kerkgenootschap, maar zijn bedoeld de Gereformeerde Kerken, die destijds bestonden.
Nu is het zeker juist, dat door de invoering van het Hervormde Kerkgenootschap door Koning Willem I, deze aloude Gereformeerde Kerken niet vernietigd zijn geworden. Noch bij de Separatie van 1834 noch bij de Doleantie van 1886 is beweerd geworden, dat de aloude Gereformeerde Kerken in 1816 hebben opgehouden te bestaan en eerst toen weder opnieuw zijn geïnstitueerd geworden. Veeleer heeft men beide malen volgehouden, dat het doel geen ander was dan deze nog altoos bestaande, maar onder het Hervormde Kerkgenootschap ingelijfde Gereformeerde Kerken weder tot vrijheid te brengen. Het Hervormd Kerkgenootschap met zijn hiërarchisch instituut, met zijn opsmelting van de plaatselijke Kerken tot één algemeen genootschap, was het gevangenhuis, waarin Koninklijke willekeur de Gereformeerde Kerken had ondergebracht. Maar al zucht iemand in de gevangenis, zijn persoonlijke rechten verliest hij daarom niet; want hij houdt daardoor niet op te bestaan, hij verliest zijn persoonlijkheid niet. En zoo zijn ook de Gereformeerde Kerken, toen zij door den Koning in het gevangenhuis van de Synodale hiërarchie werden gebracht, niet vernietigd geworden en hebben zij dan ook hare rechten en aanspraken niet verloren.
Er is dus geen oogenblik sprake van, dat we de rechten van de Gereformeerde Kerken zelfs al zijn zij in het Hervormd Genootschap, op deze tractementen zouden willen ontkennen of betwisten. Zelfs gaat het niet eens om de vraag, of deze rechten alleen toekomen aan die plaatselijke gemeenten, die nog in werkelijkheid als voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerken kunnen beschouwd worden, dan wel aan alle plaatselijke gemeenten, die zich in de Hervormde Kerk bevinden, hoever zij ook van de Gereformeerde belijdenis zijn afgeweken. Waar we alleen met nadruk op willen wijzen, is dat het Hervormd Kerkgenpotschap ls zoodanig, d.w.z. als één geheel genomen, geen het minste recht op deze rechten kan doen gelden en dus evenmin op een kapitaal, dat de Overheid in plaats van deze tractementen zou willen uitkeeren. De Grond wet van 1815, waaraan art. 171 ontleend is, kende dit Hervormde Kerkgenootschap niet en de gezindheden, waarvan dit Artikel spreekt, — welke beteekenis men aan dit woord moge hechten — hebben met het Hervormd Kerkgenootschap als zoodanig niets te maken.
Bij het bekende arrest van den Hoogen Raad van 7 Mei 1848 is dit dan ook uitdrukkelijk uitgesproken. Toen de Waalsche Kerkeraad van Amsterdam den Staat dagvaardde om de verschuldigde tractementen te betalen, was een van de verweermiddelen van den Staat, dat de toezegging van deze gelden alleen was geschied aan de gezindeden als geheel genomen, maar dat daaruit geen actie of recht voortvloeide voor de laatselijke Kerk. Maar de Hooge Raad verwierp dezen grond alsof alleen de gezindheid als geheel deze rechten kon doen gelden, zoodat alleen de Synode der Hervormde Kerk zulk een eisch kon instellen. Hij verklaarde, dat de toezegging niet gedaan was aan de gezindheid als geheel genomen, maar aan de plaatselijke gemeenten ; en evenzoo verwierp hij de bewering dat de Synode daarvoor in rechten zou moeten optreden, daar dit lichaam nergens is gemachtigd om in bemoeienis te treden, wegens elk materieel of financieel belang van elke gemeente.
Ook Buys in zijn studie over de Grondwet neemt geheel hetzelfde standpunt in. Zooals vaststaat, merkt hij op, wilde men in 1814 en 1815 alleen vastleggen den vroeger bestaanden toestand. Hier moet men dus van uitgaan. Onder de Republiek nu werden de tractementen enz. niet uitgekeerd niet bijv. aan het Genootschap als geheel, maar rechtsstreeks aan de predikanten. De bedoeling kan dus niet weten, dat na 1815 de gelden zouden toekomen aan het Kerkgenootschap als geheel. Bovendien, in 1814 was er nog niet één Kerk (het Herv. Kerkgenootschap) aanwezig. De bedoeling met gezindheid of Kerk, waar deze woorden gebruikt worden, is niet anders dan de kerkelijke gemeenten, welke door de belijdenis van eene gemeenschappelijke leer aan elkander verbonden waren. En nog duidelijker blijkt dit uit de Grondwet van 1815. Hier toch is sprake van de predikanten, wier tractement gewaarborgd wordt, niet van de Kerk; die deze tractementen voor haar predikanten ontvangen zal. Alleen de plaatselijke gemeente (of predikant) niet de Kerk als geheel, kan dus een eisch instellen.
Aan dit klaar en duidelijk betoog' van prof. Buys behoeft wel geen woord te worden toegevoegd. Ook hij neemt geheel het standpunt in, dat door den Hoogen Raad is ingenomen bij zijn arrest van 1848. En we hopen en verwachten van de Regeering, hoeveel moeilijkheden de regeling van dit vraagstuk ook moge medebrengen, dat in geen geval het Hervormde Kerkgenootschap als geheel of de Synode als representant van dit Kerkgenootschap als de rechthebbende zal behandeld worden, maar dat de uitkeering der kapitalen zal geschieden aan de plaatselijke gemeenten, die hier alleen als rechthebbenden kunnen optreden.
1) Buys, de Grondwet, Deel II, blz.
ONS BEGINSEL.
In 't weekblad voor de Vrijz. Hervormden • schrijft dr. Niemeyer over het afstaan van kerkgebouwen door orthodoxe kerkeraden aan moderne gemeenteleden tot het houden van godsdienstoefeningen in vrijzinnigen geest. Hij doet dat naar aanleiding van een artikel van prof. Obbink, in „Bergopwaarts" (het blad der Ethischen).
Laat ons daar eerst iets over zeggen.
Het voorbeeld van de kerkvoogden te Haarlem, die van alle gemeenteleden hoofd, omslag heffen, maar dan aan de vrijzinnige Hervormden een deel van dat geld restitueeren, omdat zij geen dominé en geen kerk hebben, en zelf in hun godsdienstige behoeften moeten voorzien, — dat Haarlemsche voorbeeld heeft op velen indruk gemaakt en ook op prof. Obbink. Dat was een vondst van die Haarlemsche heeren ! Dat was nog eens eerlijk en royaal ! Dat zou voortaan alom moeten worden nagevolgd. De „nieuwe koers !"
Maar 't mooie is er blijkbaar al weer een beetje af. Ten minste bij prof. Obbink. Want dat uitkeeren van 'n deel van den kerkdijken omslag aan de vrijzinnige minderheid brengt de kerkvoogdij onwillekeurig van het terrein van het Beheer op het terrein van het Bestuur. „De kerkvoogdij" — zoo schrijft prof. Obbink nu — „heeft er als zoodanig niets mee te maken, of een deel der gemeente zich in den gang van het kerkelijk leven niet kan schikken ; en zij kan een deel van het gemeentebezit niet schenken aan een bepaalde groep. Zoodra zij dat doet, verlaat zij haar eigen terrein, dat van het Beheer, en komt op het terrein van anderen, op dat van het Bestuur.'"
Dat is de principiëele reden voor prof. Obbink om zich nu tegen de handelwijze der Haarlemsche kerkvoogden te verklaren.
Waarbij dan ook een practische reden komt. Want er zijn niet maar twee, maar onderscheidene partijen in de gemeente, waarbij men andere partijen niet weigeren kan wat men aan de vrijzinnigen (modernen) geeft.
Op die principiëele en practische gronden wordt dan door prof. Obbink de handelwijze van de Haarlemsche kerkvoogden nu veroordeeld.
Wij vinden deze dingen merkwaardig genoeg om ze hier even te vermelden. Want blijkens de dagbladen, van de verslagen van onderscheidene vergaderingen vol, behoorden met prof. Obbink ook b.v. ds. Wagenaar van Rotterdam en ds. Vunderink van Haarlem (Herv. Broederschap), tot degenen die de handelwijze van de Haarlemsche kerk voogden alleszins lofwaardig vonden en die dan ook geen gelegenheid lieten voorbijgaan om hen te prijzen en ten voorbeeld te stellen voor anderen.
Voelen zij nu met prof. Obbink óók deze principiëele en practische bezwaren, die nog wel wat aan te vullen zijn bovendien ?
, Zooals de Haarlemsche kerkvoogden deden moet het dus niet, volgens prof. Obbink.
Maar hoe dan wel ?
Als een beteren weg om jegens de vrijzinnigen welwillendheid te toonen, beveelt hij nu — volgens „Bergopwaarts" — aan, dat men hun het gebruik geeft van een of meer kerkgebouwen op uren, dat zij voor. de gewone godsdienstoefeningen niet noodig zijn. Naar hij meent, kan daartegen ook de kerkeraad geen bezwaar hebben. Want zoo besluit hij : „Waarom zou de kerkeraad het gebruik dier leegstaande gebouwen wèl toestaan, b.v. voor een muziekuitvoering en niet voor een godsdienstige samenkomst ? Dan komt geen enkel beginsel in het gedrang en de vrijzinnigen zouden er misschien nog meer mee gebaat zijn dan met enkele honderden guldens."
't Is wel typisch dat prof. Obbink hier een godsdienstige samenkomst (godsdienstoefening) in een kerkgebouw gelijk stelt met een muziekuitvoering. Hij schijnt dus niet te voelen dat de kerkvoogden of de kerkeraad, wanneer een aanvrage komt om gebruik te mogen maken van het kerkgebouw voor een - concert of voor een godsdienstoefening principiëel en kerkrechtelijk voor een geheel verschillende zaak komt te staan ; daar immers een muziekuitvoering met de richtingskwestie, welke het kerkelijk en gemeentelijk leven verteert, niets te maken behoeft te hebben en een godsdienstoefening er juist wel mee te maken moet hebben. En zoo komt prof. Obbink er dan ook toe, om maar kalmweg te zeggen „dan komt geen enkel beginsel in het gedrang." Hij schijnt dan wel bizonder slecht op de hoogte te zijn met de beginselen van ons kerkelijk leven en met de gevoelens van onze rechtzinnige kerkvoogden en kerkeraden. En we zouden hem aan raden alvorens in „Bergopwaarts" als adviseur en wegwijzer te gaan optreden temid den van de huidige kerkelijke problemen, zich wat béter op de hoogte te stellen van de beginselen die er wèl bij in 't spel zijn en die bij al het schikken en plooien, waartoe men z'n toevlucht schijnt te willen nemen, wèl in 't gedrang moeten komen. 't Is dan ook, wat dat laatste betreft, dat dr. Niemeyer den Utrechtschen professor op 't bankje zet en hem aldus gaat toespreken in het Vrijzinnig Weekblad :
„Deze woorden bewijzen wel heel duidelijk, dat prof. Obbink zeer ver afstaat van het standpunt der confessioneele orthodoxie.
Hij, die toch zelf óók orthodox is, deelt niet alleen dat standpunt niet, maar hij kent het niet eens.
Natuurlijk zou het aan vrijzinnige minderheden aangenaam zijn, als aan zijn voorslag op vele plaatsen uitvoering werd gegeven. Zij hebben er immers reeds herhaalde malen om gevraagd.
Zoolang de confessioneelen niet veranderen, valt er echter niet aan te denken. Want dezen beweren zeer bepaald, dat hun beginsel zulk een handelwijze verbiedt.
Wij kunnen wei vertellen, boe het gaat, als een vraag om het gebruik van een kerkgebouw bij een confessioneelen kerkeraad inkomt:
Dan beginnen de heeren met de opmerking, dat zij volstrekt niet onverdraagzaam zijn, maar dat hun beginsel hun ver biedt om in de Kerk, die immers een belijdenis heeft, het bestaan van verschil lende richtingen te erkennen.
Zij hebben als ambtsdragers te waken voor het handhaven van de belijdenis en voor het verkondigen van de Waarheid. En omdat er maar één Waarheid is, kan de Kerk niet toelaten, dat haar eenheid in gevaar wordt gebracht. En als zij een kerkgebouw afstonden aan menschen, die met de verkondiging der Waarheid in de gemeente niet tevreden zijn, zouden zij het bestaan van verschillende richtingen erkennen."
„Als zij dan nog wat doorredeneeren, " , , verklaren zij, dat die zoogenaamde vrijzinnigen vijanden zijn van God en Christus, die met hun dwaalleer de zielen in het verderf storten."
„Zij noemen het een bewijs voor den zondigen toestand der Kerk, dat zij zulke gevaarlijke personen duldt, en geen tucht over hen uitoefent.
Zouden zij nu het verkondigen van ver. derfelijke ketterijen bevorderen door er een kerkgebouw voor beschikbaar te stellen ?
Maar dan zouden zij er immers medeplichtig aan zijn. En zij zijn juist geroepen, voor de eer van God op te komen en ketterijen te bestrijden.
En terwijl zij nog eens verzekeren, dat zij volstrekt niet onverdraagzaam zijn, verklaren zij beslist, dat zij tegenover God en hun beginsel verplicht zijn, het verzoek af te wijzen."
Prof. Obbink weet nu, hoe de „echte" rechtzinnigen redeneeren ; welke beginselen zij er op na houden en tot welke practijken zij op kerkelijk gebied niet te bewegen zijn. En dat weet de rechtzinnige hoogleeraar nu uit den mond van 'n modern man als dr. Niemeyer, die in den laatsten tijd zóó dikwijls met de orthodoxen heeft.vergaderd en gesproken, dat hij nu blijkbaar wel droomen kan hoe die rechtzinnigen redeneeren.
Vinde hij, — die deze dingen min of meer spottend naar voren brengt, omdat hij voor deze „beginselen" der orthodoxen niets voelt en ze niet voldoende ook kan waardeeren — de rechtzinnigen steeds als één blok saamgesnoerd door dezelfde beginselen steeds tegenover de vrijzinnigen !
Waarom we dit zeggen ?
Omdat hier gevaar dreigt. Omdat er onder de rechtzinnigen zijn, die niet schijnen te voelen, dat hier waarachtige beginselen, heilige beginselen in 't spel zijn ; en die, als men van de zijde der vrijzinnigen wat laat dunkend en sarcastisch uitpakt, o zoo gaarne voor „vredelievend" en „verdraagzaam" willen doorgaan en tot schikkingen zich bereid zouden gaan verklaren, welke door het orthodoxe beginsel absoluut zijn uitgesloten.
Want laat dr. Niemeyer hier, sarcastisch als hij zijn kan, prof. Obbink er „door nemen" en tegelijk de orthodoxen met al ffün vroom gefemel en hun piet-peuterig spreken van „heilige" beginselen en van „dé" Waarheid te kijk zetten — de rechtzinnigen en met name de confessioneelen en gereformeerden kunnen hier weer eens voelen, hoe laatdunkend over hen geoordeeld wordt en waartoe men hen wil verlokken.
Men wil ons bespottelijk maken met onze belijdenis aangaande den Christus ; met ons Evangelie, ons van God geschonken.
Men wil het recht hebben in onze Herv. Kerk dien Christus der Schriften te loochenen en een ander Evangelie te brengen.
Maar waar God in Christus ons Zichzelven gegeven heeft, daar moet de Kerk als draagster van dat heil, kloek uitspreken, wat zij bezit; ook met kloeke bestrijding van het geen er vierkant tegenover staat.
't Gaat niet om een letter, om een formule ; om iets dat aan den omtrek ligt. Het gaat om het wezen, *t beginsel, het karakter, den inhoud van ónze protestantsch Christelijke belijdenis.
En neen, dan zijn we in onze Herv. Kerk niet een vergadering van welwillende" menschen, die saam „op zoek" zijn naar de waarheid, waarbij we elkaar toch vooral te „waardeeren" hebben en waarbij we toch vooral „verdraagzaam" moeten zijn. We hebben en we weten wat we gelooven. En wat we weten en wat we hebben is het Evangelie van Jezus Christus, alom te verkondigen naar uitwijzen van Gods Heilig Woord, naar den aard en naar het karakter van onze gereformeerde belijdenisschriften.
Die ons dan ook de Drie formulieren van Eenigheid uit de handen willen rukken, die zullen we weerstaan, omdat ze ons vaderlijk erfgoed zijn, dat ons lief en dierbaar is, de uitdrukking van hetgeen onze gereformeerde Kerken in dezen lande nu meer dan drie eeuwen hebben gevoeld en beleefd, vasthoudende aan Gods Woord.
Die echter ons, met de drie Formulieren van Eenigheid in de hand, toevoegen : „Is dat uw Bijbel, is dat voor u „de" Waarheid, enz.", die antwoorden we, dat ze niets verstaan van wat gereformeerd is.
Maar die dan weer zouden zeggen : geef dan ook aan alle richtingen en alle stroomingen en alle partijen de vrije hand in het mid den van de Herv. Kerk, — zouden we antwoorden : Dat zou een loochening zijn van „het" Evangelie en daartoe krijgt ge ons nooit!
We willen dus maar zeggen, dat er voor hen die rechtzinnig zijn in onze Herv. Kerk principiëele bezwaren zijn, om dat, wat de Kerk bezit, en wat zij in haar belijdenis uitspreekt, zijnde het Evangelie van Jezus Christus, op gelijken voet te gaan behandelen met wat men hier of daar zelf als Waar heid belieft naar voren te brengen.
Dat zou een loochening zijn van het hoogste en heerlijkste wat God ons gegeven heeft.
En de Kerk toont dan alleen karakter als haar dat Evangelie boven alles lief is, óók boven de lieve knikjes van de vrijzinnigen, die zoo laatdunkend kunnen spreken over de orthodoxen met hun steile beginselen en zoo vriendelijk toelachen allen die vóór alles „verdraagzaam" willen zijn en getuigen wil. len een „breeden" blik te hebben.
We laten het belijdend karakter der Kerk niet los, hoe sarcastisch en smalend men dan ook over die „beginselen der confessioneelen en gereformeerden" spreken kan.
De Kerk toone haar karakter in het kloek uitspreken van hetgeen God haar gegeven heeft; óók in 't kloek bestrijden van 't geen daarvan naar uitwijzen van Gods Woord, vierkant verschilt.
DE HEILSWEG.
In het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden geeft dr. Niemeyer in den laatsten tijd telkens onder „Allerlei" eep godsdienstige beschouwing van zijn hand. Onlangs ging het over : „De Heilsweg." Laat ons van dat geschrijf iets mogen overnemen.
Dr. N. begint met te zeggen : „De vraag naar den weg, waarlangs voor den mensch het heil moet worden verkregen, neemt in alle godsdiensten een groote plaats in, ja, staat er menigmaal in het middelpunt. De antwoorden, die worden gegeven, zijn zeer verschillend."
„Zoo staat bij de Kerk van Rome, die een goddelijke instelling beweert te zijn, vóórop, dat in elk geval buiten haar geen heil kan worden verworven. En de Protestantsche orthodoxie, die dat steeds ten eenenmale heeft ontkend, en er tegenover heeft geplaatst, dat de zaligheid is uit het geloof, maar die — aldus de moderne dr. Niemeyer ! — maar die zeer overwegend „geloof" heeft verward met „geloofsleer", belijdt over het algemeen, dat de heilsweg loopt over een als waarheid aanvaarde leer."
Dat dr. Niemeyer hier al de plank heelemaal mis slaat en zich toont een vreemdeling te zijn in orthodoxe kringen, waar Christus verkondigd wordt, laten we passeeren. We willen liever hooren wat de moderne zelf nu van den heilsweg zegt.
Het artikel vervolgt dan : „Wat heeft Jezus daaromtrent eigenlijk geleerd ? " (Dat „eigenlijk" klinkt zoo „echt" hier!)
„De zedelijke geboden klinken in Jezus' prediking door alles heen, ja, boven alles uit. God is ook voor hem (met dat „hem" zal Jezus wel bedoeld zijn, denken we !) de Heilige, die het kwade verfoeit en het goede verlangt".
, , De liefde van God is bij Jezus begin en einde. En in het licht daarvan moet alles, moet ook de vraag naar den heilsweg worden bezien.
Uit liefde geeft God aan den mensch Zijn geboden, zelfs de zwaarste.
Maar ook — uit liefde zendt Hij den mensch Zijn beschikkingen, de smartelijke zoowel als de verblijdende.
Hij weet, wanneer in ons gemoed óf smart óf blijdschap voordeel doet.
Met alles, met Zijn beschikkingen en Zijn geboden, wil Hij de harten der menschen vormen, ze verdiepen en sterken, ze brengen tot reinheid en daarmee tot zaligheid.
Van de zijde der menschen gezien, is daarom de heilsweg hierin gelegen, dat zij Gods beschikkingen en geboden zonder tegenstreven op zich laten inwerken. Zijn beschikkingen gewillig aanvaarden, en Zijn geboden gewillig volbrengen, dat zij aan Hem zich overgeven.
En dat moeten zij niet doen met tegenzin en onvolkomen.
Van Zijn liefderijke bedoelingen overtuigd, moeten zij geheel en met wederliefde zich overgeven.
Met liefde het hart, zichzelf overgeven aan God, dat is naar Jezus' prediking de ware heilsweg.
Wil men alles zoo kort mogelijk samenvatten, dan kan men ook zeggen, dat de heilsweg is gelegen in wat hij het eerste gebod noemt, in liefde tot God.
Wie God waarlijk liefheeft, innig en krachtig liefheeft, en dus in liefdevol vertrouwen zich volkomen en bestendig overgeeft aan Hem en Zijn wil, die heeft het heil.
En hij heeft het niet slechts tijdelijk, niet slechts voor dit leven, hij heeft het voor eeuwig.
Want als het lichaam hem ontvalt, en hij is heengegaandoor de poort des doods, begint hij het nieuwe leven in de wijde landen aan de overzij zooals hij het oude eindigde, met een reine en zalige ziel."
Bij het lezen van deze woorden dachten we aan dat bekende woord der Schrift : „de barmhartigheden van de goddeloozen zijn wreed".
De modernen denken dat zij zoo veel barmhartiger zijn dan de orthodoxen. Maar wat is hun prediking ten slotte hard en ti'oos teloos..
Waar moet een arm zondaarshart zoo tenslotte terecht komen ?
O ! wat is het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften veel, véél heerlijker dan dat eigenwijs, oppervlakkig geknutsel van den zondigen en dwazen mensch.
En nu wil men dat Evangelie des Kruises bestrijden en verdringen, om daarvoor in de plaats te schuiven een vleeschelijke, dwaze menschelijke betrachting van deugd, vijandig staande tegenover het souvereine werk Gods in Jezus Christus voor Sion geopenbaard.
Waarom geeft men toch steenen voor brood en een slang als men vraagt om visch ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's