De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Naar de ordening van Melchlzedek".

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Naar de ordening van Melchlzedek".

8 minuten leestijd

Een en ander over den brief aan de Hebreen.

XI. (Slot).

Wij willen ten slotte uit den rijken inhoud van den brief aan de Hebreen nog één greep doen, en op het volgende wijzen : De openbaring Gods, waarin Hij komt tot Zijn volk en hun Zijn kennis en gemeenschap schenkt, is voor den schrijver gekenmerkt door het optreden van de „verbonden" Gods in de historie.

Ook hierin draagt het gedeelte der Heilige Schrift, waarmede wij ons bezighouden, zijn eigen stempel.

De wisseling en wenteling der eeuwen is hier gemaskerd door het nieuwe verbond, dat door God wordt gegeven ter voltooiing en dus ter vervanging van het Oude.

In de combinatie van de gedachte van een opvolging van „eeuwen" of tijdperken met die van het testament of verbond komt weer een eigenaardigheid van den brief aan de Hebreen aan het licht.

Niet, alsof wij niet ook elders soortgelijke gedachten zouden aantreffen ; wij zullen daarop aanstonds wijzen ; maar de verbinding van deze beide is eigen aan dezen brief.

Door de-gansche Schrift loopt de gedachte van een zich openbaren Gods in de historie. Zij is eigenlijk vanzelf gegeven in de erkentenis van God als Schepper.

Hierin ligt opgesloten, dat Zijne openbaring, waarin Hij met Zijn schepsel in aanraking komt en Zich voor den mensch. Zijn schepsel, ontsluit, zoodat deze Hem zoekt en kent en liefheeft, plaats moet grijpen in een historisch beloop. Ook dit gebeuren geschiedt binnen de perken van plaats en tijd.

En de geschiedenis van het menschelijk geslacht is in zijn verloop gekenmerkt door de momenten der openbaring Gods. Vooral sedert deze historie is geworden de geschiedenis van een gevallen geslacht, en de openbaring werd tot heils-openbaring.

Het heil, door God beloofd, in uitzicht gesteld, bedoelde, de verloren paradijs-heer lijkheid te doen terugkeeren, maar dan als een onverliesbaar goed.

Deze belofte opende een perspectief, dat aan de gedachten van menig schrijver van Oud-en Nieuw Testament een breede en hooge vlucht verleent. Zij zien, door Goddelijk licht verlicht, dat heil voor hun geestesoog verrijzen „in het laatst der dagen." Dan zal in vervulling gaan al wat de genade des Ontfermers aan heil heeft toegedacht en weggelegd voor die Hem toebehooren.

Daar nu dat „laatste der dagen" ten nauwste verbonden is aan den door God aan Israël beloofden Messias, komt er in de historie een rythmus, die een rustpunt vindt in de komst van dien Messias, een doel, waarheen de gangen van het wereldgebeuren en de lotgevallen van Israël worden heengestuurd naar den raad Gods ; en dit doel is wederom : het verschijnen, het in de historie van ons gevallen geslacht optreden van dezen Gezalfde Gods.

De kentering der tijden is dus : de geboorte van Christus.

Zijn komst in het vleesch is in den stroom der tijden de rots, waar de wateren een andereii loop beginnen te nemen.

Op dat punt stuwden zij aan, daar wordt hun bedding in andere richting geleid.

Spreekt niet reeds jeremia van zulk een insnijding, die Gods hand in der eeuwen gang maken zal ?

En doet hij het niet in dezen vorm, dat hij gewaagt van dagen, die komen zullen, dat God een nieuw verbond zal maken met het huis van Israël en het huis van Juda" ? Jer. 31 VS. 31.

En gewaagt niet Faulus van een „volheid des tijds ? Toen deze gekomen was, „zond God Zijnen Zoon uit". Gal. 4 vs. 4.

Hij kon, ziende op de beteekenis van Christus' verschijning, schrijven, dat op hen, d.i. den apostel en zijne tijdgenooten de einden der eeuwen gekomen zijn, d.w.z. het doel, door God met de wisseling der eeuwen beoogd, hadden zij bereikt gezien, n.l. in de verschijning van Christus, 1 Cor. 10 vs. 11, -

De Joodsche theologen spreken van „deze eeuw" en de „komende eeuw" ; waarmede zij bedoelden de periode, die zij beleven, en de periode, die zou aanbreken met de komst van den Messias.

Deze beschouwing, al vinden wij in de H. Schrift deze terminologie der Joodsche godgeleerden niet, vindt echter wel haar grond en steun in de historie-beschouwing van de Schrift.

In zooverre n.l., dat het aan Israël geschonkene was het voorloopige ; in Israël was als de werkplaats Gods, waar Zijne genade het heil toebereidde, dat dagen zou in de „komende eeuw". „Deze tijd" was de tijd van het wachten, het hopen, het uitzien. Straks „in die dagen", in het laatst der dagen, zou het heil komen, waarnaar het hart der vromen in Israël smachtte.

Voor het jodendom is die „periode van den Messias" nog altijd de komende tijd".

Voor de gemeente van Christus is het anders. .Zij leeft „in het laatst dezer dagen", want Christus is verschenen.

En tegelijk leeft zij nog in „dezen tijd", want Zijn heerschappij is nog niet aan gansch de wereld openbaar.

Voor het besef der Kerk des Heeren schuiven dus, als wij ons zoo mogen uitdrukken, deze beide perioden over elkaar heen. In „dezen tijd" zijn „de krachten der toekomende eeuw" in-gelegd, in-gedaald, met de komst van den Christus en de uitstorting van den H. Geest.

En tegelijk is die „komende eeuw" nog iets van de toekomst n.l. van Christus, wanneer Hij in heerlijkheid zal gezien worden, en de levenden en de dooden zal oordeelen. Het is echter niet onze bedoeling, deze gedachten hier breeder te ontwikkelen.

Wij willen thans slechts er kort op wijzen hoe ook in dit opzicht, terwijl deze visie gemeengoed is van geheel de Schrift, de brief a.d. Hebreen in een eigen licht haar doet zien.

Wij noemden dit eigene reeds met een enkel woord ; het is de verbinding van de voorstelling van twee wereldperioden met die van de beide testamenten of verbonden.

De „komende eeuw" is het „nieuwe verbond", dat ingeleid is met de komst van Christus, en ingewijd door Zijn bloed. Al wat er aan heil kan zijn, is in Christus geschonken en gewaarborgd, die is de Middelaar des nieuwen testaments.

Deze verbinding van de voorstelling „opvolging van twee wereldperioden" met de andere „opvolging van twee testamenten" verklaart o.m. de uitdrukking in hfdst. 9 vs. 26 : dat Christus eenmaal „in de voleinding der eeuwen" is geopenbaard om de zonde te niet te doen door Zijns zelfsofferande. In dit hfdst. stelt de schrijver het nieuwe verbond als het definitieve en blijvende naast het oude als het voorloopige en verdwijnende. De „eeuwen", de tijds-wisselingen, in Israels historie aanschouwd, liepen uit op „de voleinding der eeuwen", in Christus' offer bereikten zij hun doel en einde.

Met Hem en in Hem is „de toekomende eeuw" in de wereld van tijdelijke dingen ingedaald. Deze tijd en „de toekomende eeuw" is niet maar een opeenvolging, het is de uitdrukking geworden voor tweeërlei gebied : zij, die in Christus zijn ingeplant, sma ken , , de krachten der toekomende eeuw", hfdst. 6 vers 5.

Hetgeen door de profeten van het Oude Verbond nog niet anders kon worden gezien en omschreven dan als in elkanders verlengde liggend, is thans, voor den brief aan de Hebreen, iets gelijktijdigs geworden : deze tegenwoordige wereld heeft nog niet afgedaan, is nog niet voorbijgegaan ; en in Jezus Christus is „de toekomende eeuw" iets wezenlijks geworden.

Die eerste wereld, dat eerste tijdperk, zij worden door den schrijver vereenzelvigd met het eerste Verbond. De nieuwe wereld, de toekomende eeuw, de dienst van het hemelsch heiligdom, dit alles is verwerkelijkt in den hemelschen en eeuwigen Hoogepriester, die „een bedienaar is van den waren tabernakel."

Zij, die Christus eeren als „den apostel en hoogepriester hunner belijdenis", zijn dan ook gekomen „tot de stad des levenden Gods, en tot het hemelsche Jeruzalem, en tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn", hfdst. 12 vers 22, 23.

Nu is het echter, naar de voorstelling van den brief aan de Hebreen, niet zóó, dat tusschen dat oude en dit nieuwe geen verband hoegenaamd bestaan zou ; dat het oude, vergeleken met het nieuwe, eigenlijk volstrekt geen waarde of beteekenis zou hebben.

Volstrekt niet! Integendeel, gansch die oude bedeeling hangt samen met die nieuwe, zooals een voorloopige schets, een schetsmatige afdruk, een ontwerp, samenhangen met het beeld, dat straks in al zijn schoonheid uit de hand van den kunstenaar zal voortkomen.

„De wet had een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken", hfdst. 10 vers 1. De volle werkelijkheid zou eerst komen met den Christus, den eeuwigen Hoogepriester, in Wien het „eeuwig testament was in­gewijd.

Doch zij was, voorloopig en onvolkomen, toch afgedrukt en uitgedrukt in hetgeen aan Israël was geschonken.

De tegenstelling tusschen het Oude en het Nieuwe is dus niet volstrekt, slechts betrekkelijk.

De rust van Israël in het land Kanaan is een type, vóórbeeld van de rust, die er overblijft voor het volk van God. De tabernakel onder Israël was een afdruk van 't hemelsch heiligdom, waarvan Christus de volmaakte bedienaar is. Mozes moest dan ook alles maken „naar het voorbeeld, dat hem op den berg getoond" was, hfdst. 8 vers 5.

En ten slotte ligt de diepste samenhang tusschen het oude en het nieuwe hierin : beide zijn ze, ieder op zijn eigen wijze, een uitdrukking van Gods eeuwige gedachten, een verwerkelijking van Zijn raadsplan.

Daarom is ook het nieuwe, hoewel in Christus voltooid en volkomen, toch in den tijd nog niet ten volle verwezenlijkt.

Dat zal eerst dan zijn, wanneer, uit Zijne volheid. Zijn werk zal zijn voltooid, en de oorspronkelijke heerlijkheid zal zijn hergeven. Dan, wanneer Hij andermaal, maar dan niet als het offer, dat de schuld verzoende en de straf der zonde droeg, doch „zonder zonde zal gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid", hfdst. 9 vers 28. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

„Naar de ordening van Melchlzedek".

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's