Financiën.
De Zendingsdag. Als ik dit zet, dan moet ge niet denken dat ik over dien dag een verslag ga schrijven. Om u te vertellen wie daar heeft gesproken en wat. Of er veel menschen waren, meer of minder dan een vorig jaar, of het weder zich goed heeft gehouden, of dat het heeft geregend. Of het er ordelijk was, of de consumptie goed was enz. Van al die dingen vertel ik niemendal. Dat zult ge alles kunnen lezen in de eerstvolgende nummers van „Alle den Volcke". Zijt ge met dit blad nog onbekend, dan is dat een bewijs dat ge nog geen lid zijt van den Gereformeerden Zendingsbond en dan wordt het hoog tijd dat ge dat wordt.
Maar als gij mij vraagt of ik op dien dag soms ook iets ontvangen heb voor onzen Bond of voor onze Fondsen, dan komt ge op mijn terrein en dan wil ik u daar gaarne alles van vertellen. Ik heb zeer veel vrienden ontmoet, die er op gerekend hadden mij daar te ontmoeten en mij iets te overhandigen voor onze Fondsen. Ook zullen er zijn, die naar mij gezocht hebben en niet gevonden. Dat is mogelijk, vv^ant hoewel het terrein niet zoo bijzonder groot is, om uit zooveel duizenden iemand te vinden, van wien men nu niet, evenals van Saul kon zeggen : dat hij boven al het volk uitstak, dat is nog niet zoo gemakkelijk. Laat ik tusschen twee haakjes aan dezulken even zeggen dat ik in de Pels Rijckenstraat 28 altijd te vinden ben en een postwissel in te vullen is nog zoo'n moeielijk werk niet. Er zijn er echter ook die het vaste plan gehad hebben om naar den Zendingsdag te gaan en ook voor mij iets bestemd hadden en door onvoorziene omstandigheden verhinderd werden. Als die nu het voorbeeld volgen van
A. Z. te Diemen bij Amsterdam, dan heb ik daar geen schade van. Deze schreef mij :
Geachte Penningmeester, Hierbij ontvangt u ƒ 5 voor het Leerstoelfonds en ƒ 5 voor het Studiefonds, tezamen ƒ 10. Mijn plan was om den Zendingsdag bij te wonen, maar ben tot mijn spijt verhinderd geworden. Ik had gedacht : Ik zal mijn gave medenemen, daar zie ik onzen penningmeester wel, dan behoef ik dat niet te sturen. Maar nu ik verhinderd was, laat ik er maar geen gras over groeien, maar zend het u direct.
zend het u direct. Zeg penningmeester, kan u er niets aan doen, dat die Zendingsdag ook eens in het Gooi gehouden wordt. Het is altijd bij Utrecht, kan het ook niet eens bij ons in den omtrek ? Ik vraag het maar, en hoop dat u het mij niet kwalijk zal nemen.
Met vr. groete,
Een lezer van De Waarheidsvriènd.
Zie, waarde vriend, in den Geref. Zendingsbond heb ik niemendal te vertellen, dat is een ander bestuur als dat van den Geref. Bond tot verbreiding enz.
Maar de B.B. zullen uw vraag nu ook wel lezen en ongetwijfeld overwegen of die voor inwilliging vatbaar is.
inwilliging vatbaar is. Ik kan over alle ontmoetingen die ik dien dag heb gehad niet in het bijzonder uitwijden. En neem eenvoudig mijn aanteekenboekje voor mij en schrijf er uit over wat ik heb genoteerd.
De eerste die mij handgeld geeft is ds. jongebreur uit Veenendaal, ƒ 9.46 van de Centsvereeniging
Iemand komt met een nieuw lid aandragen (altijd in figuurlijken zin genomen, hoor lezer !) n.l. mej. J. van Beek te Slikkerveer en betaalt ƒ 1 contributie en geeft ƒ 1 voor het Leerstoelfonds.
D. U. uit Kamerik, als ik die ontmoet, dan weet ik altijd dat direct zijn hand in zijn zak verdwijnt en er met zijn beurs uitkomt, dat gebeurde ook nu ; hij gaf mij ƒ 2.50, voor ieder der fondsen de helft ; C. v. Walbeek te Baambrugge vraagt om het referaat; vriend Slappendel uit Rotterdam kan ook nooit laten om zijn beurs een kleine aderlating te doen ondergaan en geeft mij ƒ 2 ; een onbekende die zijn naam ook niet wil noemen geeft mij ƒ 1 ; N. N. uit Alphen evenzoo ƒ 1 ; ds. De Bruin uit Zeist, overhandigt mij een pakje, waarin ƒ 5.96 voor het Studiefonds uit de catechisatiebus te Blaauwkapel en ƒ 1.60 van B. te Zeist voor het Leerstoelfonds ; A. Offers te Zwammerdam geeft zich op voor abonné van „De Waarheidsvriend". Ik maak kennis met den heer C. B. te Leeuwen en zijn dochter, de laatste is een 'goede verzamelaarster voor de postzegelzaak. Bij het afscheid drukt hij mij een briefje van ƒ 10 in de hand. Het was een aangename kennismaking. Een stevige landbouwer uit Zeist zegt : Hier, penningmeester, pak an ! Ik heb een goede oogst gehad en ik heb gedacht : daar moet jij ook wat van hebben en geeft mij ook ƒ 10. Ds. v. d. Berg uit Ermelo komt met drie jongedochters naar me toe en zegt : deze dames wilden dat ik ze den penningmeester eens aanwees, waar ze elke week van lezen. Hier heb j'm nu. Of ik haar nu meeviel, zou ik niet kunnen zeggen. Zij lieten echter wel een goeden indruk bij mij achter, want zij gaven mij elk ƒ 1 en beloofden, nu zij mij kenden, bij een volgenden Zendingsdag weer wat voor mij mee te brengen. Heel aardig. Een dominé uit een dorp aan den IJssel komt met twee broodjes aan en geeft mij er een van. Ik begon toen werkelijk ook te gelooven wat ze zoo dikwijls van mij gezegd hebben, dat ik een echte bedelaar ben, die men uit medelijden zelfs een stuk brood geeft. Nu, ik heb het met smaak gebruikt en dank hem nog zeer voor zijn medelijdend hart. Ik zie juffr. Verbeek op een heuvel zitten en spreek even met mijn oude coni^agnon. Ze Is blij dat er iemand gevonden is, die haar bedrijf heeft overgenomen en heeft ook nog eenig geld van de laatste pakjes. Ze hoopt, dat het er goed mede mag blijven gaan. Een juffr. uit Zeist heeft al lang naar mij gezocht en geeft mij ƒ 1. N. N. uit Diemen ƒ 2.50 voor het Studiefonds ; eenige broeders uit Zeist spreken mij aan over het kerkelijk bericht in „De Waarheidsvriend" over de begrafenis van ds. H., waar zij alles behalve over gesticht waren. En mij dunkt, niet ten onrechte. Ik voelde direct toen ik het las : Da's door geen gereformeerd-vriendelijke hand geschreven. Wij mogen wel voorzichtig zijn om alles maar zoo niet op te nemen wat verslaggevers inzenden. Ik zit op een heuvel te luisteren naar ds. Holland met zijn diepe, zware reuzenstem. Ik geniet van hetgeen ik hoor en ben een en al aandacht.
Ja, lezer, je moet niet denken dat ik zoo'n heelen dag maar niets doe als geld ontvangen ? Gelukkig niet. Ik heb ook met veel genoegen en zegen verschillende sprekers gehoord. Naast me zit iemand uit Gouda en stopt me ƒ 1 in de hand. Hij zegt : we zullen je binnenkort eens wat echte Goudsche pijpen sturen, want ik weet, dat je daar een liefhebber van ben. Nu ik sla niets af, geen geld, geen brood, geen pijpen, geen tabak, Een bedelaar kan in den regel alles gebruiken. Voor mij zit iemand uit Bodegraven en hij geeft mij ƒ 5. Da's van mijn vrouw en mijn zoon. Een ander uit Bodegraven kom ik tegen en zegt : je krijgt niets van mij van daag. Zoo, da's niet veel. Neen, ik ben aan het sparen voor je en ik zal het je geven als je het zelf komt halen. Je heb al zoo lang beloofd eens te komen en nu wil ik zien of ik je zóó bij me kan krijgen. Nu, als ik kom zal ik een grooten zak meebrengen, dat doe ik vast. R. uit Vlaardingen geeft mij ƒ 2.50 voor het Studiefonds.
Zie zoo. Het is afgeloopen. Ds. Beekenkamp heeft de slotrede gehouden voor een onafzienbare menigte. Het was een voor mij bekend geluid, waar ik altijd gaarne naar luisterde. Onder het heengaan klampt ds. A. Dekker uit Hoevelaken mij aan en brengt mij een nieuw lid, den heer K. v. d. Pol te Hoogland bij Amersfoort, en gaf mij ƒ 1 voor het Leerstoelfonds. Ik maakte ook kennis met zijn vrpuw en dochtertje, welke laatste onlangs een busje heeft ontvangen, waar al heel wat in zit, zei ze. Mijn trein blijft nog een uur weg. Ik ga in een der restaurants een kop koffie gebruiken. Ik zit nauwelijks of word uitgenoodigd bij een gezelschap, om daar plaats te nemen. Het zijn vijf luidjes uit Slikkerveer en IJsselmonde. Ze hadden nog iets voor mij, een reispenning en lagen elk op hun beurt een gulden voor mij neer. Zoo, dacht ik, dat zal nu wel het laatste zijn. Neen, toch niet, want op den weg naar het station ontmoette ik nog iemand uit Veenendaal, die nog ƒ 1 kwijt moest, waarmede hij den geheelen dag al naar mij had loopen zoeken.
Lezer, ik zit in den trein naar Arnhem na te denken over alles wat ik gezien, gehoord en ontvangen heb en ik zei in mijzelven : Het was een goede, een gezegende dag, deze 13de Zendingsdag. Evenals de voorgaande.
De Heere zij hiervoor gedankt en geprezen.
Mijn verslag is ongemerkt grooter geworden dan ik gedacht had en durf van de ruimte niet meer vergen. Ik laat dus tot de volgende week alles liggen, wat er aan postwissels is binnengekomen uit : Dodewaard, Stolwijk, Delft, Kampen, Schoonhoven. Met hartelijken dank aan allen.
De Penningmeester,
J. C. FLIEHE.
Arnhem, Pels Rijckenstraat 28.
POSTZEGELS, CAPSULES EN ZILVERPAPIER.
Deze week ontving ik van :
Ie. Mej. Buis te Leeuwen een reuzenpak postzegels, capsules en zilverpapier enz., grootendeels verzameld door de kinderen van de Chr. School;
2e. Van het hoofd van de Chr. School te Dubbeldam postzegels, capsules, zilverpapier, munten, oude pennen, enz., eveneens bijeengebracht door de kinderen van de Chr. School ;
3e. Mej. N. Starink te Zeist postzegels, theelood en zilverpapier ;
4e. Corns. Visser te Hilversum een zeer groote partij postzegels ;
5e. Van een onbekende uit Utrecht theelood, capsules, zilverpapier en postzegels.
Het doet mij genoegen ditmaal met een flinke lijst te kunnen komen. Ik hoop, dat het gestadig zoo zal doorgaan en het aantal pakjes met iedere week meerder worde. Evenals mijn voorgangster ben ik niet ongevoelig voor verrassingen van zilverbons of andersoort geldswaardige papiertjes.
Met vriendelijken dank aan allen.
Mej. J. DEN HARTOG. Malie baan 70a, Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's