Stichtelijke overdenking.
„Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen." Psalm 73 vers 28a.
NABIJ GOD TE WEZEN.
Tusschen wereldraadselen wandelt de niensch, nu nog meer dan vroeger. En de levensproblemen vermeerderen met den dag. Hoe ouder dat hij wordt hoe meer zijn geest moede wordt, omdat er zooveel vraagt om een antwoord, terwijl geen antwoord komt.
Onder die omstandigheden verkeerend, slaan we Gods Woord op. Is het niet een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad? En ja, dan kunnen wolken nog van donkerheid ons omringen en ons benauwen ; maar dan zingen we : „Och ! dat ik klaar en onderscheiden zag hoe 'k mij naar Uw bevelen moet gedragen, Uw wond'ren recht betrachten dag aan dag !" (Ps. 119 vers 14)
Dan laat de Heere weer zien Zijn wonderen en dan worden Zijne inzettingen ons gezangen in het land der vreemdelingschap.
Bij Asaf kunnen we met deze dingen terecht ; en wel zooals hij zijn ziele heeft bloot gelegd in Psalm 73.
Een stormwind van twijfel en moedeloosheid viel op het huis van zijn geloof en het wankelde. De-dingen welke hij zag en mee doormaken moest, verbijsterden hem. Hij kon 't alles niet verstaan. Hij had er geen vrede mee ; ergerde zich er aan en begon te twijfelen aan de wijsheid en de rechtvaardig heid Gods. Hij schreef den Heere ongerijmde dingen toe. De goddeloosheid was niet verre van God, overpeinsde hij.
Schrikkelijk, als de mensch zóó in de war raakt, als hij zóó zich boven God verheft om den Heere te beoordeelen en te beschuldigen. Want ja, de mensch mag denken, dat liet niet goed gaat, dat er geen wetenschap is bij den Heere, — maar met Asaf zal hij ten slotte moeten uitroepen : „Als mijn harte opgezwollen was en ik in mijne nieren geprkkeld werd, toen was ik onvernuftig en wist niets, ik was een groot beest bij U." (Psalm 73 vers 21, 22)
Neen, de mensch weet niets. Dat bewijst hii elk oogenblik, juist als hij meent, dat hij alles zoo goed weet. En geen heerlijker ding, als hij zich dan maar gevangen mag geven aan den Heere, om naar Zijn Woord te luisteren en Hem te vertrouwen. Die alles bestuurt naar Zijn raad en de dingen doet naar Zijn welbehagen.
Asaf dacht dat de zegeningen verkeerd vielen en dat de slagen en rampen elders thuis hoorden. Immers hij zag voorspoed bij de goddeloozen en smarten bij de vromen ; en dat werd hem een struikelblok en hij viel er over. Hij verstaat niet, waarom God de boezen niet treft met Zijn oordeelen en ze verdelgt van den aardbodem. Hij begrijpt niet, waarom de Heere de vromen niet vertroetelt en zegent en weldoet. Is het dan tevergeefs God te dienen 7 Weet God deze 'l'ngen dan niet, merkt Hij er niet op ?
Zij mergelen de lieden uit, zij spreken uit de hoogte, zij zetten hun mond tegen den hemel en hunne tong wandelt op de aarde, spotten met God en nochtans hebben zij rust in de wereld en vermenigvuldigen het vermogen. Zij zijn niet in de moeite als andere menschen en worden van menschen niet geplaagd, hunne kracht blijft frisch, de hoovaardij omringt.hen als een keten, het geweld bedekt hen als een gewaad, zij hebben geen banden tot hun dood toe."
Dat schijnt God te bevorderen, te zegenen, te bekronen en te beloonen.
En de vromen daarentegen zijn meestal arm en worden beproefd : den ganschen dag worden zij geplaagd, de wateren eens vollen bekers worden over hen uitgestort, de bestraffing is er allen morgen.
We voelen, dat Asafs ziele hijgt en dat zijn harte is opgekropt met leed, met smart, met twijfelmoedigheid, met vijandschap, met ongeloof, met murmureeren. Neen, gelukkig! hij durft alles zoo niet te zeggen (lees vers 15), maar, wat hij zegt, is toch al genoeg, om ons te doen voelen, dat hij vreeselijk in opstand leeft: „Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijne oogen ; totdat ik in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte." (Vers 16, 17).
Asaf is hier één uit duizend.
Aan Asaf voelt ieder kind van God zich verwant — al is 't niet tot zijn eere gezegd !
Duizend vragen zijn er. Waarpm gebeurt dit en waarom geschiedt dat ? Waarom laat God dit toe en waarom geeft Hij dat niet ? En o ! als de mensch zoo op het gestoelte klimt om alles te overzien en alles te igaan beoordeelen, wat ergert hij zich dan vaak aan God ! Wat wordt Gods doen en laten hem dan vaak een aanstoot. En waar de ongeloovige wereld, wijs in eigen oog, maar nochtans dwaas zijnde, spottend roept „Er is geen God !" — daar bemerkt Gods kind ook zoo dikwijls, dat hij 't met zijn God niet vinden kan en zich boven God verheffend in wijsheid en rechtvaardigheid en goedheid, overlegt hij gruwelijke dingen aangaande God bij zichzelf, waarvan hij later moet uitroepen : „Toen was ik onvernuftig en wist niets, ik was een groot beest bij U."
Wat kan de mensch zich pijnigen met allerlei vragen. Vv'aarom vermoorden de volkeren elkander en waarom bedenken de vorsten ijdelheid ? Waarom vergooit de een zijn gezondheid en waarom verzwelgt de ander 't geen hij heeft met schande te bedrijven ? Waarom zwoegen en worstelen duizenden bij duizenden om door 't leven te komen en vertrappen duizenden bij duizenden hun geluk ? Waarom sterft het kind en blijft de grijsaard leven ; waarom gaat de vrome in rouw en leeft de goddelooze alle dagen lekkerlijk ?
Wat zondigt de mensch dikwijls in het bedenken en bespreken van deze dingen. ' Want wat raakt hij gemakkelijk aan Gods eer. Wat komt hij den Heere dikwijls te na, ' door heimelijk of openlijk te zeggen : „Hoe ; zoude het God weten en zoude er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ? "
Ja, hoe menig kind van God moet Asaf • hier nazeggen : „Immers is God Israël goed, dengenen die rein van harte zijn. Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne treden waren bijkans uitgeschoten."
Wankel gaat de mensch door 't leven, die niet op God vertrouwt en die niet van harte gelooft en belijdt : „De HEERE is groot en ' zeer te prijzen en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk. Geslacht aan geslacht zal Uwe werken roemen en zij zullen Uwe mogendheden verkondigen." (Psalm 145).
Dat leert ook Asaf ons.
God alleen kan hem voor wanhoop bewaren ; Die moet hem uit de moeite uitbeuren, door hem te doen ingaan in Zijn heiligdom — dan ziet hij de dingen weer anders, en veel beter en neen ! dan beschuldigt hij den Heere niet meer van oihcclit en dan spreekt hij niet meer van goddeloosheid waarmede zijn God zou zijn bezoedeld. Dan ziet hij de wijsheid en de goedheid Gods. Dan bewondert hij Zijn majesteit en heerlijkheid.
En neen, hij benijdt de goddeloozen niet meer in hun schijnvrede. Want de Heere is ; rechtvaardig, ook in der goddeloozen toekomstig lot. Straks zullen ze vallen en hun oordeel zal vreeselijk zijn, waar ze zoo veel hebben veracht en verworpen wat de Heere hun bood en waar ze zonde op zonde stapelden, waar de goedheid Gods hen omringden. Dwazen, die ze zijn, om te meenen, dat mooie' kleeren een mensch gelukkig maken, dat veel geld een mensch adelt en met vrede vervult ; om te overleggen, dat dat i eeuwig zal worden bestendigd om alle dagen lekkerlijk te leven en vroolijk te zijn. Straks komt het einde. En dan zal het laatste erger zijn dan 't eerste. Is God niet rechtvaardig ?
Asaf raakt uit de strikken uit, als hij door den Heere gelokt is om in te gaan in des Heeren heiligdom en hij daar alles bij Geesteslicht zien en onderscheiden mag.
Neen, dat zijn niet de ongelukkigste menschen, die aan zonde en schuld ontdekt tot den Heere hun toevlucht mogen leeren nemen, roepende tot Hem uit grooten nood. En laten de vromen dan behooren tot de eenvoudigen, tot de armen, tot de ongeleerden — hun schat welken zij mochten vinden in dem, gjoütea^en volzaligen Verbondsmiddelaar Jezus Christus gaat alle schatten der wereld te boven en koningskinderen kunnen niet rijker zijn, dan zij, wanneer zij in Jezus Christus God mogen aanroepen, zeggende : lieve Vader ! Wat woelen de volken en wat bedenken de ijdele lieden goddeloosheid !
Zouden ze zóó gelukkig kunnen genoemd worden, ook wanneer ze de lip uitsteken tegen God, wanneer zij Christus verachten, ' wanneer zij Gods Woord bespotten, wanneer zij de vromen verdrukken, daarbij voor spoed genietend ? '
Neen, ze vermoorden zich zelf. Ze schaden zich zelf naar lichaam en ziel. j
Ze zijn diep, diep te beklagen, daar zij als de os worden heengeleid naar de slacht-; bank, zij 't dan ook met kransen omhangen. !
Dwaze mensch, die het hoogste geluk ' zoekt in de vergankelijke dingen, terwijl er maar één schrede is tusschen hen en het; graf, tusschen de ure van hun spotten en het oogenblik van het verschijnen voor Gods rechterstoel.
En welgelukzalig is de mensch, die den Heere heeft leeren verkiezen boven alles, ervarende dat alles wat de Heere aan hem ten koste legde was om hem te winnen voor het heil in Christus voor arme zondaren bereid,
Dan ziet de mensch de dingen anders. En als hij zóó leven en zóó wandelen mag, omdat de Heere „zijn rechterhand gevat heeft", dan roept hij 't uit: „het is mij goed nabij God te wezen."
Door den Heere uitgebeurd uit al dat zondig en dwaas beoordeelen der dingen, komt de mensch op een hoogte, vanwaar hij 't gezicht krijgt op een kostelijk land, op een heerlijke erfenis, op een zalig goed.
En hoe dichter hij daarbij leven mag, hoe meer vrede en vreugde in zijn harte woont.
Ruth wilde niet meer naar Moab terug. Zij zag het goed harer vaderen nu met andere oogen. En zij mocht bewonderend staren op al Gods wijze en wondere en genadige wegen om haar loste maken van den dienst der wereld en haar te voegen bij Gods volk, dat Jehova kent in oprechtheid in al Zijn heil. Daar moest ze wezen. Dien God kleefde ze aan. Dat volk beminde ze. Die zaligheid verrukte haar ziel en lokte haar hart. Neen, ze wilde niet meer terug naar Moab, ze riep: maar mij aangaande, het is mij goed nabij U te wezen, o Heere en te wonen in het midden Uws volks,
Dat kende ook de blinde Bartimeus, door Jezus ziende gemaakt. Hij volgde Jezus, God verheerlijkende.
Wat wordt het een groot wonder, dat de Heere ze er uit haalt uit een krom en verdraaid geslacht, die leeren zien, dat de Heere bezig is Zich een volk te vergaderen, dat het geklank leert kennen en dat den goeden Herder volgen wil, waar Hij ook henen gaat.
De Heere zorgt voor de eere Zijns Naams en Hij vergadert de Zijnen van alle plaatsen Zijner heerschappij. En daar wordt gehoord: Gij hebt mijn rechterhand gevat — Gij zult mij leiden door Uw raad — en daarna zult • Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Daar weet de wereld niet van. Die vergaapt zich aan het vergankelijk goed en vreugde scheppend in het leven sterft zij weg ver van God de weelde zoekend. Hoe verder van God verwijderd hoe liever. Totdat het voor eeuwig te laat is.
Maar die door den Heere bij aanvang of voortgang geleerd mag zijn en door Zijn Geest en Woord dagelijks mag onderwezen worden, die roept uit : hoe dichter bij U, o Heere, hoe zaliger lot!
Want daar is verzoening voor de zonden in Christus, Die voor Gods aangezicht staat, dagelijks pleitend voor de Zijnen op Zijn kruis-en zoenverdiensten, om dagelijks ook in de besprenging des bloeds gerechtigheid te schenken en door den Geest de vruchten der verzoening te geven, met vrede en barmhartigheid.
Hoe dichter bij den Heere, hoe beter, Want vèr van Hem levend omringt de zonde ons overal en is het vallen nabij, gelijk de geschiedenis der vromen van den ouden en van den nieuwen dag Waarlijk bewijst,
Bij den Heere is het goed. Daar is troost in het lijden, daar is sterkte in het strijden, daar is blijdschap en overwinning,
Hij die Zijn kinderen bij de hand grijpt, Hij leidt hen naar Zijn raad en straks neemt Hij ze op in Zijn heerlijkheid, om dan altijd bij God te zijn en eeuwig Hem te loven en te prijzen voor de onverdiende zaligheid in Christus geschonken om niet.
Kennen wij iets van die hoogte, staande in Gods gunst, om door Geesteslicht de dingen zóó te zien, dat de Heere groot wordt en te prijzen, daar al Zijn doen majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid wordt ?
Kennen wij iets van dat staan op de hoog te des geloofs, belijdende : „de Heeve .regeert, de aarde verheuge zich".
Kennen wij iets van dat schuilen bij den Heere met al zonze zonden en schuld, om bij Hem sterkte en troost te vinden in den strijd des levens ?
Kennen wij iets van dat heilig heimwee naar het vaderland dat boven is, verlangende om dan altijd bij den Heere te zijn, verzadigd wordend met de gerechtigheid van Jezus Christus ?
Wat een geluk, dat God voor zulke onvernuftige zondaren opening maken wil, om dicht bij Hem te komen en door Zijn hand te worden geleid, aan Zijn Vaderhart te worden getroost.
Dat ook wij, reizende in een vreemd land, dicht bij den Heere mogen gevonden worden, om in Christus Jezus te mogen gelooven en belijden : „Gij zult mij leiden door Uwen raad — en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen."
Wat zijn de wonderen des Heeren dan nu ook reeds, gedurende deze pelgrimsreize, vele. „Ja waarlijk , God is Israël goed." En straks — daarna — als de Heere komt opnemen in 'heerlijkheid, dan zal het zijn, zóó heerlijk, zóó zalig, dat de eeuwigheid alleen in staat zal wezen het naar waarde te prijzen
En dat is alles in God Zelf gelegen. Die Zich komt geven aan Zijn volk i\i Christus. ! , , Wien heb ik nevens U in den hemel ? Nevens U lust mij ook niets op aarde." „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid."
Mogen wij ook door genade zingen :
[ Getrouwe HEER, Gij wilt mijn goed, mijn God, Mijn erfenis en 't deel mijns bekers wezen ; Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot. Dat Gij, zoo mild, voor mij, hebt uitgelezen. De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren ; O heerlijk erf ! gij kunt mijn ziel vervoeren,
Psalm 16 vers 3.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's