Van den Diaconalen arbeid.
DE DIAKENEN EN DE BESTUREN.
Organisatie is het wachtwoord van onzen tijd. Daar is op alle terrein des levens een dringen en streven om zich aan te passen aan de veranderde tijidsomstandigheden en om zich met dat doel te organiseeren, opdat men des te sterker sta in den strijd, die gevoerd moet worden. Organisatie toch maakt de verschillende onderdeelen tot een krachtig geheel en het Oud-Nederlandsche spreekwoord zegt reeds : „eendracht maakt macht.
Het is geen wonder, dat een geest, die alle geledingen der maatschappij doordringt ook op het kerkelijk leven zijn invloed oefent. De Kerk toch heeft vooral in deze dagen een moeilijken strijd en meer en meer begint het in alle kringen door te dringen, dat de tegenwoordige organisatie onzer Herv. Kerk aan haar bloei niet bevorderlijk is, integendeel, haar bewegingen belemmert en vaak met lamheid slaat. Zelfs wordt hier door het eigenaardige gezien, dat zij, die eenige jaren terug met het verlangen van hen, die op Schriftuurlijke gronden om reorganisatie vroegen, solden en haast den spot dreven, nu zelf gaan zoeken en vragen naar een andere organisatie, die de Kerk beter in staat zal stellen haar tegenwoordige roeping te vervullen. Het bijna algemeene verlangen naar een grootere Synode, „althans naar eenige verandering, welke dan ook, wijst daarop zeer duidelijk. .
Bij de klachten der verschillende organen onzer Kerk over de tegenwoordige organisatie voegen zich in den laatsten tijd ook die van diakenen. Zoo heeft het College van Diakenen van de Ned. Herv. Gemeente van Delfshaven een schrijven aan de Synode ge 1 ; zonden met het verzoek in het Algemeen ' Reglement de bepaling op te nemen, dat in ' de Classicale en de Provinciale Kerkbesturen ; alsmede in de Synode ook diakenen zitting zullen hebben. „Daar genoemde colleges zoo luidt de toelichting, menigmaal diaconale aangelegenheden te behandelen krijgen, acht adressant het wenschelijk, dat zij, die direct met dergelijke zaken te doen hebben, hun advies in de Bestuurscolleges. kunnen geven."
De bezwaren, die genoemde Diaconie heeft, zijn duidelijk. In de Classicale en Provinciale Kerkbesturen, ook in de Synode, hebben slechts predikanten zitting, benevens eenige ouderlingen. Het toezicht op de Diaconieën, haar werk en beheer, is dus geheel in handen van niet-'diakenen. En niet alleen het toezicht. Volgens het Regl. voor de Diaconieën mogen de diakenen geen gelden van de Diaconie leenen, noch beleeningen aangaan zonder toestemming van den kerkeraad en goedkeuring van het Class. Bestuur. Ook wordt de goedkeuring van het Classicaal Bestuur vereischt, indien de geldbelegging op andere wijze plaats heeft dan door inschrijving op één der grootboeken van de Nationale Schuld, alsmede tot het verkoopen, verruilen, bezwaren of verpanden van goederen der Diaconie. Zelfs mag een Diaconie, wier inkomsten de uitgaven te boven gaan, uit het batig saldo geen bijstand verleenen aan een behoeftige Diaconie dan na goedkeuring van het Classicaal Bestuur. Op allerlei wijze is dus de vrijheid der diakenen beperkt. Maar dat op zichzelf is niet wat ontstemming veroorzaakt; het feit, dat men in tal van belangrijke zaken onderworpen is aan de goedkeuring van een College van niet-diakenen wekt ontevredenheid met den tegenwoordigen gang van zaken.
Het komt ons voor, dat tal van diakenen niets zullen gevoelen voor het verzoek van de Diaconie te Delfshaven, schoon ze het bezwaar, dat tot genoemd verzoek den stoot gaf, ten volle erkennen. Men moet namelijk niet meenen, dat men hier enkel met een theoretisch bezwaar te doen heeft. Niet de begeerte om óók een stem in het kapittel te hebben drijft hier. Maar de practijk heeft getoond, dat de tegenwoordige regeling rechtvaardige klachten wekt. Afl. 2 van het Maandschrift voor Kerkelijke Armenzorg, jaargang 1920, bevat een artikel van een diaken uit Haarlem, waarin zulk een moeilijkheid aan de practijk ontleend, naar voren wordt gebracht.
De Haarlemsche Diaconie had in 1916 een huis aangekocht naast haar Diaconiehuis voor ƒ 7500, om tot woning te dienen voor haar administrateur. De koopsom wordt voorloopig uit het kasgeld voldaan. Later echter blijkt, dat het niet wenschelijk is deze betrekkelijk groote uitgave uit de gewone inkomsten te bestrijden en men besluit om ± ƒ 6000 van 't grootboekkapitaal af te schrijven. De Algem. Kerkeraad vindt dit goed. Edoch het Classicaal Bestuur weigert goedkeuring. Eerst na in hooger beroep te zijn gegaan bij het-Provinciaal Kerkbestuur wordt deze verkregen.
Zooals zoo menige stads-Diaconie ondervindt ook Haarlems Diaconie de moeilijkheden van de oorlogsjaren. De toenemende duurte brengt de Diaconie voor een groot tekort, zoodat besloten wordt ƒ 15.000 van het Grootboekkapitaal af te schrijven. Daartoe kon gereeder worden besloten omdat juist in de oorlogsjaren der Diaconie een paar vrij groote legaten waren te beurt gevallen, benevens nog eenige kleinere. ook na afschrijving van deze ƒ 15.000 zou nog van een belangrijke kapitaalsvermeerdering gesproken kunnen worden. Maar ook nu werd door het Class. Bestuur eenvoudig afwijzend op het verzoek beschikt zonder over deze aangelegenheid eenig overleg met de desbetreffende Diaconie gepleegd te hebben, zonder ook eenige aanwijzing te hebben gegeven hoe de moeilijkheden dan wèl op te lossen waren.
Het spreekt vanzelf, als een College van der zake kundige mannen, die voor een ; groot deel midden in het practische leven ' staan, en zelf zaken drijven, na rijp beraad tot dergelijk besluit komt en ook heel de kerkeraad zijn toestemming verleent dat dan zulk een absolute weigering van een College waarin niet één diaken zitting heeft, ontstemming verwekt en men zich gaat afvragen : „Heeft het Classicaal Bestuur recht tot zulk een daad ? " Is dat de bedoeling van het Reglement ? Zoo ja, is 't dan niet gewenscht dat deze dingen anders geregeld worden ? ' Maar hoe ?
In no. 7 van het Maandblad voor KerkeIlijke Armenzorg handelt dr. J. H. Adriani ; over het voorstel der Delfshavensche Diaconie. Hij verwacht er niet veel verbetering van en ziet in het voorgestelde geen oplossing der moeilijkheden. Dat hij een anderen weg wenscht te volgen, behoeft niet te verwonderen. Zooals altijd wanneer naar nieuwe wegen gezocht wordt, is er een tasten en zoeken naar den rechten weg. En het is de vraag of men spoedig tot éénstemmigheid over den te volgen koers zal komen.
Dit evenwel staat voor ons vast. Indien het nog eens komt tot een oplossing van het kerkelijk vraagstuk en een nieuwe organisatie ruimte zal bieden voor vrijer en schriftuurlijker ontwikkeling van het kerkelijk leven, dan zal ook de organisatie der Diaconieën ter sprake moeten komen.
In een opnemen van de diakenen in de kerkelijke regeering zien wij geen heil. Evenals nu tal van diakenen meenen, dat in de tegenwoordige kerkinrichting aan de predikanten en ouderlingen tegenover de Diaconie een taak is toevertrouwd in een mate als hun niet toekomt, zoo zou dan aan de diakenen eèn roeping worden verleend, die o.i. krachtens het diaken-ambt hun niet toebehoort.
Het komt ons voor dat het het beste ware, indien de zaak der Diaconieën van onderaf geregeld kon worden door een kerkelijken band te leggen tusschen de verschillende Diaconieën in één Classis, in één Provincie, etc. Thans staat iedere Diaconie op zichzelf. Waardoor veel willekeur plaats grijpt en bovendien aan de groote eischen van het tegenwoordige leven, waarin samenwerking onmisbaar geworden is, niet kan worden voldaan. De Vereeniging van Diakenen heeft nuttig werk verricht ; een Vereeniging van Diaconieën zal ongetwijfeld óók nuttig werk kunnen doen, , maar ten slotte blijft alles ten deele. Een groot aantal Diaconieën, misschien het grootste deel, voelt het gewicht der zaak niet en blijft van verre staan. Daartegenover zal een onderlinge kerkelijke band tusschen de Diaconieën veel wijder strekking en veel omvangrijker gevolgen hebben. Dan kunnen alle krachten mobiel worden gemaakt. En zulk een kerkelijke organisatie der Diaconieën zou tevens naar een oplossing kunnen zoeken van de besproken moeilijkheden. Indien ze tenminste daarmede niet opgelost zijn, inzooverre het haast vanzelfsprekend is, dat de bevoegdheid, die nu den kerkelijken besturen is opgedragen, dan aan de eigen vertegenwoordiging der Diaconieën zou moeten toekomen.
Alleen de verhouding tusschen de vertegenwoordiging der Diaconieën en die van de kerkeraden in engeren zin zou moeilijkheden kunnen meebrengen, maar met eenige inspanning zou hier de goede lijn toch wel te vinden zijn. In de grootere gemeenten vormen toch ook nu reeds de Diaconie en de bizondere kerkeraad een afzonderlijk College. Waarom zou over heel de Kerk niet kunnen, wat in de afzonderlijke gemeente wè! kan ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's