De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

RUWE ONTKENNING.

Vroeger hebben we het ook al eens over ds. J. Deetman, toen Herv. pred. te Oostwoud (N.-H.) gehad, 't Was naar aanleiding van een stichtelijke (!) overdenking in de „West-Friesche Kerkbode" van 2 Juni '16 naar aanleiding van Hand. 1 : 11. Het ging over Jezus' hemelvaart en Z.Eerw. — gesproten uit orthodoxen kring en eerst rechtzinnig predikant te Hoogmade, bij Leiden, — schreef toen :

„Wij hebben Hemelvaartsdag gevierd I Dat deze dag voor ons, vrijzinnigen, een endere beteekenis heeft als voor onze vaderen (en voor vele christenen nóg wel) behoef ik u niet te zeggen. Gij verwacht niet van mij, dat ik u prediken zal, dat eens, 1900 jaar geleden, in Palestina op den berg der olijven iemand zóó ten hemel is gevaren. Zulk een geloof, zulk een voorstelling is voor óns althans oud en voorbij !

Zegt men, dat Jezus lichamelijk is opgestaan ja, dan moet men wel aan een soort hemelvaart gaan gelooven ; want het opgestane lichaam moet dan toch ergens gebleven zijn en een opvaren ten hemel is dan de eenige wijze, om het verdwijnen des Meesters te verklaren.

Voor óns vervallen deze moeilijkheden. Jezus was een mensch, onzer één, reiner, vromer wellicht dan één onzer, maar mensch — zijn lichaam is vergaan — stof was het dat tot stof wederkeerde — maar z'n geest voer op tot God, die leeft I

Trouwens een lichamelijke hemelvaart ! Wat voor begrip heeft men dan van den hemel ?

Eertijds — ja, tóén kon zulk een geloof ontstaan. Toen dacht men zich de aarde als een platte schijf, waarover de hemel als "een koepel zich welfde. Tegen dien hemel aan stonden zon en maan en sterren, en daarachter woonde God !

Natuurlijk denken wij het ons anders. Een bol is onze aarde, die draaiend om eigen as, tegelijkertijd wentelt om de zon ; en al die hemellichamen (waarvan de een verder nog van de aarde afstaat dan de andere) ze door klieven hun banen in regelmatigen gang.

En de hemel.. ; waar is de hemel? Ik weet maar één antwoord : nabij God te zijn, dat is de hemel; van God verwijderd, is de hel !

En als wij nu zeggen : „Jezus is ten hemel gevaren" geven wij daaraan déze verklaring : Jezus is bij God ! Zalig de reinen van hart, zij zullen (hier en ginds) God zien ! En vraagt gij klaarder omschrijving en duidelijker uitleg, dan bekennen we ruiterlijk onze onkunde — we leggen de hand op den mond — de verborgen dingen zijn voor den Heer onzen God ; de geopenbaarde voor óns en onze kinderen !

Het woord, dat ik boven dit stukje schreef, is ontleend aan de hemelvaartslegende, enz.

Tot zoover ds. Deetman, eertijds orthodox, nu modern.

Hemelvaartslegende.

Jezus was een mensch, onzer één, reiner, vromer wellicht dan één onzer; maar mensch — zijn lichaam is vergaan — stof was 't, dat tot stof wederkeerde

Zóó stond er toen. Zoo echt ruw modern. Zoo echt de heilsfeiten principieel anders voorstellend. En dan toch maar rustig zonder blikken of blozen blijvend in de Herv. Kerk, belovende het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen naar Gods Heilig Woord.

Hoe kan men Gods Heilig Woord onderst boven schoppen, zeggende dat men zal spre ken naar het beginsel van onze Hervormde belijdenis ?

Wat een oneerlijk, knoeierig, onoprecht gedoe toch !

Verwachten de modernen daar nu werkelijk nog zegen op, als zij zoo onoprecht handelen ?

Wij zouden ons schamen om zóó de proponents-formule te onderschrijven ; om zóó den beroepsbrief te teekenen !

Honderdmaal liever in eerlijkheid dan in 't midden van een modern Kerkgenootschap levend, dan zich met valsche beloften staande te houden in het midden van de Herv. Kerk met haar belijdend karakter, dat overal zoowel bij de prediking als bij het lied, zoowel bij de sacramentsbediening als bij heel den eeredienst uitkomt ; belijdende Jezus Christus, gestorven voor onze zonden en opgestaan tot onze rechtvaardigmaking.

Waarom wij weer met deze dingen komen ?

Omdat men telkens beproeven wil de modernen voor te stellen als zulke onschuldige, bijna ideaal-menschen.

Maar behalve dat zij gemeente na gemeente, ja geheele provincies bijna verwoest hebben door steenen voor brood te geven en zoo de bevolking ook in handen te spelen van het materialisme — dat, getuige Noord-Holland de moderne dominé's zelfs bijna van honger doet omkomen, daar kerkvoogden incluis niets meer van kerk en godsdienst moeten hebben ! — laten ze niet af, telkens weer voor den dag te komen met ruwe aanvallen op ons allerheiligst en dierbaarst christelijk geloof, gelijk ds. Deetman ook dezer dagen weer deed.

In „De Hoeksteen", Vrijz. Godsd. Weekblad voor Z.-Holland, waarvan ds. Deetman mede-redacteur is, lezen we in no. 426— het is in een discussie met het Rotterdamsche orgaan „De Vaan", in welk blad (tot verbreiding van de Geref. beginselen) gesproken was van het moderne gevaar — daar lezen we dan van de hand van ds. Deetman, een oud-Delfshavenaar, het volgende :

„Laat mij daar iets tegenover zeggen : Uw prediking, aanhangers van „Onze Vaan", heeft met het Evangelie van Jezus Christus niets en niemendal gemeen ; uw prediking, gebaseerd op een verkeerde bijbelbeschouwing ; op een dogmatiek, aan Paulus ontleend ; op een belijdenis van drie eeuwen geleden ; uw prediking is eerder voor de gemeente verderfelijk dan de onze. Uw prediking staat niet in het minste verband met wat Jezus heeft gepredikt aan den oever van het Galileesche meer ! Gij spreekt van de „tucht van Gods Woord !" Buigt zelf onder de tucht van het woord van Christus", zooals dat in de Bergrede en gelijkenissen e. d. tot u komt.

„Denkt ge, dat Jezus in uw prediking iets ontdekken zou van de „Blijde boodschap", die hij bracht aan vermoeiden en belasten ? Wat spreekt gij van onze dwaling tegenover uw waarheid ! De dwaling is aan uw kant, gelooft het vrij ! Mogen de oogen u hiervoor nog eens opengaan !

„Gij ziet neer op 't niet zoo groote getal van vrijzinnigen. Och, de waarheid staat meestal vereenzaamd — stond ook Jezus niet alleen ? Toen de bekende dominé Jo de Vries er eens teleurgesteld over was, dat het getal hoorders bij hem betrekkelijk klein was, troostte een vriend hem door te zeggen, dat in een 5 cents bazar altijd meer kooplustigen zijn dan in een eerste klas goudsmidswinkel !

„Dit even aan het adres van hen, die de schouders ophalen over het „klein getal der vrijzinnigen."

En in het no. van 2 Juli vinden we dan verder :

„Maar nu even over dat „moderne gevaar !" Dat is de roode vlag van den baan wachter, die waarschuwen moet. Het moderne gevaar? Dat kan ik me maar niet zoo laten aanleunen ! Ach, de arme gemeenteleden, die door fanatieke voorgangers op een dwaalspoor worden gebracht ! Want, wat wil de moderne richting ? Ze wil terug tot het Evangelie van Christus ! Niet naar „de Schrift en de Belijdenis", maar naar het Evangelie, de prediking des Meesters, zooals we die be­ luisteren in Bergrede en gelijkenissen e.d. Is dat nu gevaarlijk, orthodoxe vrienden ?

Weet gij wel, dat, wat gij Zondags hoort van den kansel, met het Evangelie van Jezus meestal niets, absoluut niets, uitstaande h.eeft ? Niet de prediking van Jezus, maar een leer over Christus in de eerste eeuwen uitgedacht, wordt u gebracht ! Ik wil daarom spreken van het orthodoxe gevaar ! De orthodoxe prediking met een tot mensch geworden God en een onfeilbare schrift is het reinste bijgeloof. En daartegen treden wij op ! En daarom is het onze bedoeling — althans de mijne — om een „halt !" u toe te roepen, opdat gij u „bekeeren zoudt van de dwaling uws wegs" en u zoudt wenden tot het reine, eenvoudige, klare Evangelie van Jezus (dat gij niet vindt in de Paulinische brieven, maar met oordeel des onderscheids gelezen in de drie eerste boeken van het N. T.) — het Evangelie, dat met zijn prediking van Godsvertrouwen, van naastenliefde en van levensheiliging zijn beteekenis behoudt ook nog voor de kinderen van onzen nieuwen tijd !"

Hier dus weer, dat het 't reinste bijgeloof is, dat uitkomt in de orthodoxe prediking met een tot mensch geworden God en een onfeilbare schrift.

De modernen komen dus met de prediking van Jezus — de orthodoxen met een leer over Christus in de eerste eeuwen uitgedacht

De modernen met het reine, eenvoudige, klare Evangelie van Jezus — dat men niet vindt in de Paulinische brieven, maar, met oordeel des onderscheids gelezen in de drie eerste boeken van het N. T.

Wat een reine onzin !

En die kwasi geleerdheid houdt men nu maar vol met een geweldige dosis grootdoenerij .

Geen Oud-Testament wil men. Geen Nieuw-Testament heeft men. Geen Bijbel met 66 boeken gebruikt men. Geen Paulinische brieven ook. Geen vier Evangeliën.

't Moderne bijbeltje is : de drie eerste boeken van het N. T. en die met oordeel des onderscheids gelezen.

Dan zal ds. Deetman eens zeggen, wat er wél en wat ér niét in deugt. Wat wél het reine, eenvoudige, klare Evangelie van Jezus is en wat er bijgemaakt is.

Maar zóó vraagt onze Herv. Kerk geen predikanten.

Die vraagt, dat men het Evangelie van Jezus Christus zal verkondigen naar Gods Heilig Woord, opgevat in den zin en naar den geesiivan onze Herv. Belijdenis, welke neergelegd en omschreven is in de Nederl. Geloofsbelijdenis, den Heidelb. Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt.

En die niet in den geest van Schrift en Belijdenis handelen en wandelen, hooren in onze Herv. Kerk niet thuis, omdat zij het reine, eenvoudige, klare Evangelie van Jezus Christus bederven en verknoeien in hun steil ongeloof en met hun kwasi geleerdheid.

. Drie, vier eeuwen straks, liggen nu achter ons dat het Protestantsch-Gereformeerd beginsel helder en klaar in deze is geproclameerd. En ons Gereformeerde volk, in hart en nieren theologisch, voelt nóg met die belijdenis, geschreven met het bloed der martelaren, gelezen en beleden bij het schijnsel van brandstapel en houtmijt, waarop de trouwe belijders van het Evangelie van Jezus Christus werden gedood.

En ja, nu weten we het wel, dat de modernen smalend zeggen : dat is een belijdenis welke is verouderd en nabij de verdwijning. Maar dan kent men de mentaliteit niet van ons Gereformeerde volk, dat zich één voelt met die kloeke belijdenis der vaderen, begeerig om diezelfde waarheid te handhaven tegenover nieuwe dwalingen. Het Gereformeerd beginsel in de dagen van Calvijn en De Bray en heden is hetzelfde !

En zoo houden we ook nu vast aan het gezag van de Schrift — ook tegenover de zuiver subjectieve, persoonlijke opvattingen van ds. Deetman of wien ook. Die komt met dat typische : „dit of dat uit den Bijbel wensch ik te gelooven, maar dit of dat niet" ; waarbij weer uitkomt de sterk subjectieve willekeur, waarbij men eerst gaat bepalen, hoe Jezus slechts geweest kan zijn, om daarna het evangelieverhaal zóó te plooi en, tot Hij in het kader past, dat men zelf heeft uitgemeten ; tot men krijgt den modernen Jezus.

Neen, wij hebben het anders geleerd. Wij hebben onzen Bijbel, waarvan in onze 37 Geloofsartikelen veel te mooie, teere, heilige, ware dingen gezegd worden, dan dat we ze ons door een man als ds. Deetman zouden laten ontrooven.

Om maar een paar dingen te noemen. Zoo zegt art. 5 : „Alle deze boeken ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen.

En wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is ; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt; maar inzonderheid, omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn ; en dewijl zij ook het bewijs daarvan bij zichzelven hebben ; gemerkt de blinden zelven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn geschieden".

En dan art. 7 : „Overmits de geheele wijze des dienstes, dien God van ons eischt, in de heilige schriftuur in het lange beschreven is, zoo is het den menschen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de heilige Schriftuur; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de Apostel zegt. Men mag ook geene menschenschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de goddelijke schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten, want alle menschen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve".

Daar ligt een van de fundamentstukken van ons geloof.

Onze Bijbel.

Waarnaast de Jood den talmud heeft, de Brahmanen met de vedas komen, de Mohammedanen met den koran en de modernen met hun bijbeltje, waaruit het Oude Testament is weggedaan ; waarin voor Paulus brieven geen plaats is ; waarin men Johannes' evangelie tevergeefs zoekt.

Waarin zijn overgebleven de drie eerste evangeliën, maar dan zóó geconstrueerd, dat de hemelvaartslegende er uit is en het nergens is te lezen die reine onzin dat God mensch is geworden.

De Bijbel zóó gehavend, dat hij spreekt van den modernen Jezus.

Welnu, wanneer wij kiezen moeten tusschen al die boeken : talmud, vedas, koran, gemoderniseerde Bijbel enz. enz. dan houde men het ons ten goede, dat wij als zonen der Reformatie kiezen voor onzen Bijbel, waarvan de belijdenis spreekt. En wij hebben dan in de Heilige Schrift het licht Gods, dat ons weerhoudt van den afgrond en ons leidt naar 't Vaderhuis ; dat ons doet vluchten van hen, die steenen geven in plaats van brood, om zelf aan te bieden hemelsche spijze tot verzadiging.

De Bijbel bewaart ons voor logen en geeft ons kennis, kennis des geloofs, kennis Gods, kennis van de wereld, kennis van ons zelf.

En waar we dit Woord hebben, hebben we niet van noode, dat men ons leert den modernen Jezus.

Neen, we zullen met dit Woord beproeven de geesten, of ze uit God zijn ; en alle geest die naar dit Woord niet spreekt is uit den duivel, den vader der leugen.

We kunnen dat Woord niet missen, wij niet en onze kinderen niet.

Onze Kerk mag dat Woord niet loslaten, óók hierom niet : „Want het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods."

Predikanten die in het midden van onze Herv. Kerk dat Woord dan ook verwerpen en een anderen Christus verkondigen, staan schuldig voor zich zelf en misleiden anderen.

De Kerk mag dat dan ook niet lijdelijk aanzien ; maar zal er naar moeten staan, om met Gods Woord in de hand en levend door den H. Geest tucht te oefenen, over allen die fundamenteel een ènder evangelie brengen dan de Heere haar in Zijn Woord heeft toebetrouwd.

We moeten óf bukken voor het Woord van God.

Of we bukken voor het woord door den modernen mensch geconstrueerd.

En dan kiezen wij te bukken voor Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's