De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven. Matth. 11 : 28.

DE RUSTPLAATS VOOR VERMOEIDEN.
In drie trekken kan het levensbeeld onzer dagen in lijnen u worden geteekend. Rusteloosheid op alle levensterrein, gebrek aan teerheid op alle gebied, zware lasten, welke worden opgelegd aan alle rangen en standen. 

Nergens rust, overal harde eischen, lasten te zwaar om te dragen.

Of zoudt ge op een der genoemde punten iets weten af te dingen ?

Waar ge ook ter wereld uw oor te luisteren legt, overal klimt de verzuchting hemelwaarts „och dat er eindelijk eens een tijd mocht aanbreken, waarop de rust wederkeerde".

Er is geen rust onder de volken, wat het staatkundige leven betreft. Geen enkele regeering schier is van haar bestaan verzekerd Telkens dreigen de machten der omwenteling zich baan te breken, om wat tot nu als eerbiedwaardig heeft gegolden aan de verachting prijs te geven.

Op het terrein van het gewone dagelijksche leven is het vooral niet beter gesteld. Heer en knecht, werkgever en werknemer, staan ieder oogenblik als gold het twee elkander bekampende legers, tegenover elkander. Ieder oogenblik rijst de vraag : „wat zal het morgen zijn ? " Niemand die het u zeggen kan.

En is het nu zoo gelegen ten opzichte van het meer uitwendige bestaan van de wereld waarop wij wonen, niet minder groot is de rusteloosheid van wat op geestelijk terrein zich afspiegelt.

Telkens hoort men uitdrukkingen als deze : „daar komt iets nieuws".

En wie zou het ontkennen ?

Maar wat zal dit nieuwe zijn ? Verbetering, vooruitgang ? Of zou het een tegenovergestelde naam verdienen ?

Zijn de voorloopige resultaten wel geschikt om de gemoederen eenigszins rustig te stemmen ? Is een meer samengesteld wereldbeeld als' wat nu wordt vertoond, denkbaar ? We vermeenen van niet. 

Op het terrein van het kerkelijk leven, op geestelijk en zedelijk terrein, overal hoort ge dezelfde klachten: „er is geen rust meer". Het woelt en het werkt, het gist en het kookt van alle kanten.

Het is voor den armen mensch die een open oog heeft verkregen voor zijn geestelijken nood, wien de noodzakelijkheid op het harte werd gebonden om de zaHgheid hier, in deze korte spanne tijds, te zoeken, uitermate moeilijk geworden Zijn rusteloosheid wordt er nog grooter op.

Geen rust, zoo kan zonder eenige overdrijving van het heden waarin wij leven, worden getuigd.

Zou, wat we daarop lieten volgen, minder voor aanvechting zich leenen ?

We noemden als tweede levenstaak gebrek aan teederheid op alle gebied.

Schijnt het u ook niet, alsof uit het menschelijk leven al de lijnen, welke van teederen zin nog getuigen, hoe langer hoe meer als niet geldend voor onzen tijd worden beschouwd ? Een zekere harde trek is overal merkbaar.

Het kleine en het zwakke wordt als iets minderwaardigs terzijde geschoven. Heel de wereld streeft de hoogte in. Zachtmoedigheld is een woord, dat in breede kringen nog alleen in boeken wordt gevonden. Nederigheid is een levenstrek, welke steeds minder zich aanwijzen laat. Alléén het groote wordt geteld.

En wat hiervan het noodzakelijke gevolg moet zijn, kunt uzelf wel aanwijzen: lasten worden opgelegd, waaronder men loopt te zuchten.

Dat we hier weder een bekend terrein betreden, zal niemand durven ontkennen, immers ge ziet en hoort niet anders.

De overwinnende landen hebben lasten opgelegd, zóó bovenmenschelijk zwaar, dat alleen het vooruitzicht anders volkomen ver nietigd te zullen worden, tot aanvaarden dier eischen dwong.

„Onmenschelijk zwaar", zoo weerklinkt de verzuchting in gindsche landen. Klinkt ze niet overal ?

Noem welk deel van de wereld ge wilt, overal valt ze te beluisteren. De menschen leggen lasten op, te zwaar om te dragen. Och, lezer, wat is het nu een onuitsprekelijk voorrecht, dat we, temidden van deze rustelooze dagen, waarin zoovele harde dingen worden gezegd en zooveel harde dingen worden gedaan en zooveel zware lasten worden opgelegd, mogen heenwijzen naar één zeker punt. Wanneer ge hier in werkelijkheid moogt worden heengeleid, zult ge ervaren : Hier wordt de rust geschonken. Hier treft ge Eén met een teeder hart en met een zachte hand. Ge hebt Hem reeds herkend, het is de persoon van onzen Heere Jezus Christus, zooals Hij geteekend staat in Mattheus 11. Hier noodigt Hij de bedrukten en beladenen, de voortgedrevenen met deze woorden : „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven."

In de profetenrol stond van den komenden Christus reeds opgeteekend, dat Hij zoude verbinden de gebrokenen van harte en dat Hij zoude troosten al de treurigen.

Zoo kan het dan ook niemand verwonderen, dat ge Hem telkens ziet omringd door de zoodanigen.

Hier in ons tekstwoord wordt de noodiging uitgedragen tot de vermoeiden en beladenen.

Dat hiermede niet in de allereerste plaats bedoeld zijn de vermoeiden in natuurlijken zin, maar in igeestelijken, behoeft nauwelijks te worden betoogd.

Daar zijn er door de genade Gods, die hunne zonden hebben leeren kennen en die met hun zondenpak geen raad weten.

We noemden dit „door de genade Gods." Niet, dat ze hieruit reeds eenige vertroosting kunnen putten, integendeel. Zij zijn als waarvan de Grieksche godenleer spreekt, 'n Atlas gelijk, die de geheele wereld moest dragen. Deze, door de hand des Heeren staande gehoudene zondaren en zondaressen hebben voor niets anders meer oog en oor, dan voor de overtredingen door hen begaan.

Zij zien ook wel, dat anderen misdoen en telkens misgrijpen, maar dat is voor hen altijd iets geringers. Zij zijn de grootste der zondaren. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan zooveel misgrijpen, dat er geen vergeven mogelijk is.

Ja, als zij maar eens waren als deze en gene, maar zulke zwarte zonden als door htn zijn gedaan, neen, daarvan weten zij geen tweede te noemen. Zij zoeken 't overal. Zij zoeken het in de eerste plaats bij de _ menschen, bij degenen die kunnen spreken van vergeving, van kwijtschelding en vrijspraak.

Hoe zoeken zij zich hier aangenaam te maken. Als de toegang tot de woning dier lieden hun eens werd ontzegd, zouden zij geen raad meer weten. Zij willen ook zóó doen, zóó handelen. Maar ach hoe dikwijls de schuldig verklaarde zich derwaarts ook begeeft, al zit hij ook dagen en nachten hier, het pak blijft op niet den ontlast. schouder gebonden, de ziele wordt

Waarheen moet nu het oog worden gewend ?

Wéét ge wie van deze omstandigheden gebruik weet te maken ? Op dat moment' treedt de tot nu verscholen, maar nog immer aanwezige leugenaar, naar voren. Hij ; legt den grootsten last er nog op. Dit is wat de vermoeidheid tot stikkens toe opvoert.

Hij komt n.l. met deze leugen : „Gij bedriegt u zeker voor de eeuwigheid. Het is met u het waarachtige werk der genade nog nooit geweest. Gij behoort tot de geveinsden."

Lezer, er mag veel zijn op de wereld wat de schouders der ziel nederwaarts doet buigen, maar zóó diep als deze last doet het geen: één. Hier wordt proefondervindelijk geleerd wat vermoeidheid beteekent Zulke toestanden kunnen niet lang duren.

Tot de zoodanigen laat de Heere hier Zijn stem uiigaan.

Hij buigt Zich tot hen over : Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt."

Het Is, alsof de Heere het meest wijde woord gekozen heeft als om de mogelijkheid te voorkomen, dat in dit critieke moment nog eenig beletsel kan worden naar voren geschoven.

Zijt gij belast, zijt gij doodelijk vermoeid, zoo kanJk u de strikken losgespen.

Durf ik en mag ik dat wel ?

Zou mijn last niet te groot wezen ? Alzoo de overdenking in sommiger harte.

Mijne vermoeidheid schijnt wel zonder grenzen. Heere kan dat voor mij gelden ?

Het antwoord luidt kort en bondig : „Komt, zoekt het bij geen schepsel meer ; zoekt het niet bij uzelf, zoekt het enkel bij Mij."

Gij maaktet zoo even de opmerking : durf ik wel ?

Mag ik met een wedervraag u het antwoord geven ? zegt de Heere.

Wie der vermoeiden en belasten zond Ik ooit henen ?

Wie van hen werd van de poort van het koninklijk paleis weggedreven ?

Wie kreeg zelfs ooit een hard woord te hooren ? Tot de verbrijzelden van geest, tot de vermoeiden van ziel heb Ik immer Mijn liefelijkste noodiging uitgezonden.

Maar mag ik dit wel ?

Keert het liever om, zegt de Heere. Gij moogt niet op een afstand blijven staan. Gij moet vlak bij treden.

Maar zouden mijne zonden niet te groot wezen ?

Hoort hier het antwoord, het welk Mijn Geest op de lippen Mijner gezanten heeft gelegd : „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt." Mijn offerande is zóó rijk en Mijne gifte zoo alomvattend, dat wel 'n gansche wereld van zonde daarmede gedelgd zou kunnen worden. Mijn bloed reinigt van alle zonden.

Gij hebt nog één vraag : Kan ik dan. wél komen ?

Hoort hier het antwoord. Waar het uitsluitend Gods werk is, waardoor een zondaar zijn zonde ziet en Hij den nood op de ziele bindt om tot Hem te vluchten, daar is het deze zelfde Christus en deze en deze zelfde Geest der genade, die tot Hem doet naderen. Hij noodigt en de zondaar komt.  Die de stem des Heeren hoort met een door Hem geopend hart, heeft zich, al voordat hij 't zelf weet, overgegeven aan den Heere op genade alleen. Hier gaat het evenals bij . Samuel : „Heere, Gij hebt mij geroepen. Hier staat hij nu voor U, die vermoeide en belaste. 

Ik heb eens gelezen, hoe over de groote zeeën vaak de vogels blijk geven van groote vermoeidheid door zich neer te laten op de masten der schepen,

Zoo geschiedde het ook een keer, dat zulk een vogeltje niet verder kon. Het liet zich neervallen en kwam op het dek van het schip. Een der matrozen nam het kleine diertje op. In zijn warme hand nestelde het zich. Het blikte opwaarts, als van zijn volkomen veiligheid zich bewust.

Zoó is ook de zielservaring van den zondaar, die aan den voet van Christus' genadetroon zich nederlaat. Dan wordt in werkelijkheid bewaarheid :

Hier zijn Uw vleug'len uitgebreid. Hier wordlde rust geschonken, Hier 't vette van Uw Huis gesmaakt Een volle beek van wellust maakt Hier elk in liefde dronken. 

Welzalig, die alzoo met al zijn lasten en vermoeidheid tot Christus komt. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's