Uit het kerkelijk leven.
KLOK EN KLEPEL.
Het wordt nu vermakelijk. ,
Men weet, dat dr. Nlemeyer in het Vrijz. Weekblad de mededeeling deed dat de Vrijz. Hervormden te Rotterdam ca., aan den bijzonderen kerkeraad het verzoek hadden gedaan, de beschikking te mogen hebben over een der kerkgebouwen, teneinde daarin een of meer godsdienstoefeningen te houden, waarbij een Ned. Herv. predikant der vrijzinnige richting voorgaat ; welk verzoek door den bijzonderen kerkeraad wel is afgewezen, maar en nu komt het! — maar 10 predikanten hadden toch vóór gestemd en waren dus vóór inwilliging van het verzoek der Vrijzinnig Hervormden. Wij hebben toen aanstonds geschreven :
Dr. Niemeyer slaat hier glad de plank mis ; men heeft hem wat op de mouw gespeld of hij heeft de dingen, die hem verteld zijn — door een lid van den bijzonderen kerkeraad en dus door een predikant of ouderling — verkeerd begrepen. En wij hebben allen die het bericht van dr. Niemeyer gelezen hadden aangeraden, een paar groote vraagteekens achter de mededeeling te zetten.
Natuurlijk dat we nieuwsgierig waren te weten welk lid van den bijzonderen kerkeraad deze dingen aan dr. Niemeyer verteld had. En eindelijk, na lang over en weer schrijven, komt de naam te voorschijn. De zegsman van dr, Niemeyer is ds. G. H. Wagenaar, Herv. predikant te Rotterdam.
Maar dr. Niemeyer moet er bijvoegen, dat het toch eigenlijk een beetje anders is dan hij geschreven had, want de 10 predikanten hebben zich niet in de vergadering van den bijzonderen kerkeraad vóór inwilliging van het verzoek der Vrijzinnig Hervormden te Rotterdam verklaard — er waren er geen 10 zelfs tegenwoordig ! — maar de aanvrage der Vrijzinnig Hervormden is eerst — zoo heeft ds. Wagenaar meegedeeld — in de vergadering van het Ministerie van Predikanten behandeld en daar hebben zich toen 10 van de 16 predikanten vóór verklaard.
Nu komt het ons allereerst bedenkelijk voor of het goed is geweest van ds. Wagenaar om uit de vergadering van het Ministerie van Rotterdamsche predikanten te klappen. Dat zal, naar we meenen, door meerderen met ons worden afgekeurd.
Maar het vermakelijkste van het geval — ook in zulke dingen kan zelfs ironie zitten — is nu, dat toen het verzoek van de Vrijz. Hervormden in de vergadering van den bijzonderen kerkeraad kwam, dit verzoek — ik mag dat nu wel eens even zeggen hier — met algemeene stemmen is gewezen van de hand.
Allen verklaarden zich tégen. Ook ds. Wagenaar, die ter vergadering tegenwoordig was.
DE GEREFORMEERDEN EN DE ETHISCHEN.
Van de hand van dr. M. J. A. de Vrijer, Ned. Herv. predikant te Odijk ~ weldra te Bloemendaal — is een vlugschrift verschenen, getiteld : „De Gereformeerd-Ethischen" (Uitgave Kemink & Zoon, Utrecht, 1920).
Om meer dan één oorzaak vinden we dit een merkwaardig boek, waarom we er in de rubriek „Uit het kerkelijk leven" melding van maken.
Laat het ons vergund zijn uit dit boek een en ander aan te halen en over dit boek dan een en ander te zeggen.
In een inleidend woord (blz. I—X) zegt de geachte schrijver, dat nu de vreeselijke wereldoorlog voorbij is en de nasleep van allerlei ellende nog alle volkeren teistert, vijandschap en wantrouwen de natiën nog ongenaakbaar voor elkander maken, waarbij communisten en bolsjewiki met vrucht hun beginselen uitzaaien in de verschillende landen. Ongelukkiger dan dit alles is evenwel, dat de zware dagen van beproeving ons, christenen, niet bij elkaar gebracht hebben. Een oogenblik, heel in het begin van den oorlog, leek het, of het zou gebeuren. Maar nu zijn we onder elkander wantrouwender dan ooit. Intusschen brokkelt de Kerk af, de groote schare vervreemdt van God en godsdienst, wat de statistieken van jaar tot jaar treurig nauwkeurig bewijzen. Met den thermometer gemeten is het geestelijk leven in de groote steden en op tal van plaatsen van het plateland — wat onze Herv. Kerk betreft — tot bij het vriespunt gedaald. Moesten wij orthodoxen in de Herv. Kerk niet als één eensgezinde groep ons aaneensluiten, met het vaandel voorop, met vertrouwen van voorhoede op achterhoede, van voorganger op soldaat!
Maar helaas ! dat is niet het geval ; wij zijn altijd aan 't kibbelen, dikwijls over kleine, bijkomstige dingen, en onderwijl vergaat de wereld en de Kerk. Inmiddels vinden de arbeiders hun vakorganisaties honderd keer belangrijker dan de Kerk ; en Hij, die het middelpunt van al ons spreken, denken en doen moest zijn, blijft verre van hen. De ontwikkelde gaat zich vreemd voelen in de Kerk en de jeugd zal ons langzaam maar zeker ontvallen, en met haar de toekomst. Moest dat besef ons, orthodoxen, die gelooven het Woord van God te bezitten, niet bijeenbrengen ? Om allen samen tot dat Woord te brengen ? Welk een heerlijkheid, als wij in onze Kerk het Evangelie weer aan breede groepen van heel ons volk mochten prediken, aan rijken en arbeiders. Ons volk kan zijn God niet missen. Laten wij Hem dan verkondigen ; zie, hier is uw God !
Maar die bijeenhooren naar het beginsel, moeten óók bijeenzijn in Zijn huis ; moeten aaneengesloten marcheeren. En wat zien we nu? Dat het nu is een ordelooze bende.
Om nu aan die „aaneensluiting der gelederen" iets mee te helpen, heeft dr. De Vrijer dit boek geschreven. Niet om maar te zeggen, hoe droef het in onze Kerk is ; want aan ach en wee hebben wij niets, tenzij wij een weg ter ontkoming weten.
Nader tot elkaar brengen, die nu gescheiden zijn ; en dan wel dezulken die als orthodoxen te boek staan en die gelooven het Woord van God te bezitten — dat beoogt de schrijver van dit boek. En uit den titel blijkt reeds, dat hij bizonder bedoelt de Gereformeerden en de Ethischen dichter bij elkaar te brengen en te trachten het zóó ver te brengen, dat deze beide groepen elkander wat méér gaan waardeeren, tot voordeel voor Kerk en volk.
Zal er eenige waardeering en eenige toenadering komen tusschen die twee groepen, waarover in onze Herv. Kerk vooral veel gesproken wordt en die, naar het oordeel van zeer velen, zoo zéér veel van elkander verschillen, zooveel, dat nu van samen optrekken geen sprake is ?
't Beste lijkt den schrijver, om over elk van deze twee groepen afzonderlijk te schrij ven, met de bedoeling, om duidelijk te maken wie en wat de Gereformeerden en wie en wat de Ethischen zijn, waarbij dan getracht moet worden duidelijk te maken, dat bij veel dat scheidt méér is dat vereenigt waarom het vijandig tegenover elkaar staan uit moet wezen, om dan voorts samen op te trekken, waarbij de een den ander moet leeren waardeeren.
Daarom deelt dan ook de schrijver zijn boek in drieën in en schrijft eerst over de Gereformeerden (blz. 1—44), dan over de Ethischen (blz. 45—96) om ten slotte een hoofdstuk te wijden aan de Gereformeerd-Ethischen (blz. 97—128).
Eerst dan over de Gereformeerden. Daar zegt dr. De Vrijer dit van :
Heerlijk bloeide in de 16de eeuw het gereformeerd protestantisme in de vereenigde Nederlanden op. Er waren er die hongerden naar God en Zijn Woord. Het waren weer hooge dagen voor de Kerk, dagen van zingende martelaars, dagen van brandstapels en confessoren. Het was de tijd, dat de belijdenissen met bloed geschreven werden ; het was de tijd van Guido de Bray en zijn confessie ; het was de tijd van het onsterfelijk Heidelbergsche boekje. De eerste geestdrift, die van Wittenberg en Worms was uitgegaan, kreeg in Zwitserland haar scherpe bezonken afbakening door Calvijn. En die in Geneve aan zijn voeten hadden gezeten, droegen het Calvinisme heel West-Europa door, door hem bezield, mannen met onwrikbare overtuiging, onvervaard tegenover Rome, 'n kleine minderheid, die haar stempel zette op de breede, minder bewuste volksmenigte.
Zoo is onze republiek Calvinistisch geworden, hoewel er maar 'n klein groepje Calvinisten was ; en van die dagen af tot op den huldigen dag toe is de godsdienstige ondergrond van ons volk Gereformeerd, Calvinistisch. We zijn telgen van Calvijn.
Op de bezieling volgde inzinking, onvermijdelijke terugslag na de dagen van hooge spanning. Maar ook volgde de rustige bezinning op wat men in opbruisende geestdrift had gegrepen. Op de geestdriftige getuigenis volgde de dogmatiek. De bezinning is niet krachtens haar wezen versteening. Zij is onmisbaar bij het bestendigen van den toestand. Gemeenschap noch Kerk zijn zonder wetten, zonder samenbindende belijdenis, te handhaven.
Het spreekt vanzelf, dat met de intreding der rust ook velen meenden nu genoeg gedaan te hebben. Tal van leidslieden ook waren voor hun taak niet berekend. De pastoors, die in de eerste jaren na 1572 tot dominé's werden bijgewerkt, waren veelal onder den druk van de omstandigheden en onder overheidsdwang protestant geworden. Tal van latere predikers aanvaardden de gereformeerde leer zonder haar diepte tegenover de eeuwigheid, noch tegenover het aardsche leven, doorschouwd te hebben.
Daartegenover, welk een koene daad van onze vaderen om als eerste werk na de bevrijding van Leiden, de Hollandsche Academie te stichten. De groote menigte van het volk was analphabeet ; kon die niet tevreden gesteld worden met volkspreekers ? Onze vaderen, bezield door Calvijn, waren wijzer dan wij nu misschien zouden zijn. Zij wilden predikers met de hoogst mogelijke ontwikkeling. Zij wilden predikers, die de Schrift uit de bronnen zouden kunnen ver klaren. Heerlijk een volk, dat idealen heeft! Onze vaderen waren mannen als Nehemia, die treurden om het puin van Sion, maar die met zwaard en troffel, bij dag en nacht, de kleedij niet afgelegd, aan de muren hebben gestaan en gezwoegd.
Aan die Hoogescholen, die ons gereformeerde volk stichtte, Leiden, Franeker, Groningen, Utrecht, zijn scharen van predikers gevormd, die aan héél het volk met onverschrokken moed het Woord Gods hebben uit gedragen. De Kerk was toen nog de Volkskerk. Rijk en arm kwam er op Zondag en in de week. En heel de gouden eeuw door hebben, in steden en idorpen, mannen gearbeid om die reformatie, die Calvijn en Luther aanvankelijk hadden ingevoerd, nu óók in óns volk en in ons volksleven te doen doordringen. Welk een hooge opvatting van de Kerk en van het predikambt hadden ze toen ! Het Woord van God werd gebracht zoo zuiver, als zij meenden het te kunnen putten ; en het werd gebracht voor Kerk en Maatschappij, voor Overheid en enkeling. Wijdsche folianten schreven ze toen en innige verhandelingen over het geestelijk leven, den strijd, de verlatingen, van den afzonderlijken christen. Wat wij nu nog hebben, is de erfenis van onze vaderen ; de erfenis der gebeden van een Teellinck, van een Theodorus a Brakel, van een Lodensteyn. Den drang van een Voetius om het geheele volksleven te reformeeren naar de beginselen der reformatie — ten spijt van allen, rijke regenten, kapittelheeren en arme lombardhouders uit de steegjes, die hun belangen bedreigd zagen als 't goddelijk recht ook in 't maatschappelijke leven het hoogste woord kreeg — dien drang voelen wij, gereformeerden, nóg in ons. Het Calvinisme is niet een bekrompen denkrichting, het wil hemel en aarde omvatten ; het wil niet knechten, maar vrijmaken ; doch vrijmaken door de gerechtigheid van Christus en naar de tucht van Gods Woord !
Toch zal niemand ontkennen, dat op de gouden dagen versuffing is gevolgd. De 18e eeuw in ons vaderland vormt voor de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme een vale bladzijde. De predikers, de academieën en het volk heetten gereformerd, en waren 't in de breede behagelijkheid van den man, die geestelijk zijn schaap jes op het droge heeft. De achttiende eeuwsche gereformeerden werden rationalisten, maar niemand, die ze censureerde. Zij namen de leer aan, lieten haar in eere, en negeerden haar tegelijk. De preeken werden belachelijk van geleerden schijn, lang als de pruiken, en het volk sliep rustig er bij in. De gedichten uit dien tijd hebben voor een deel 'n godsdienstigen inhoud ; in onze Gezangenbundel werden ze opgenomen ; te goeder trouw werd er verklaard, dat ze niet in strijd waren met onze gereformeerde belijdenis, maar de dagen van het opbloeiend Calvinisme waren ondergegaan, 't Was een avond geworden van genoegelijk buiten zitten. Zoo knus als de prenten uit die dagen van buitenplaatsen, karossen en steden ; zoo bolrond als de portretten onzer overgrootouders, zóó was ook het geestelijk leven gereformeerd naar den vorm, maar niet te fijn, niet precies, vooral niet Voetiaansch.
Door tweeëerlei invloed is in den aanvang van de 19e eeuw aan die verdooving een einde gekomen, 't Was uit Zwitserland weer dat een adem kwam, die herleving bracht. Het was in de jaren van 1820 en later de heerlijke tijd der herleving, naar haar Fransch-Zwitserschen oorsprong het Reveil genoemd.
Calvinisme en Reveil kwamen beide van Zwitserland tot ons. Toch is er een kenmerkend onderscheid. Het Calvinisme vond in ons vaderland een reeds aanwezige aanvankelijke bezieling, die aldus onder zijn invloed consolideerde. De Reformatie van 1517 had het vuur doen ontvlammen, het Calvinisme schiep de vormen, waardoor de Reformatie in ons land voor eeuwen vaste lijnen en beschrijving ontving. De geestdrift, het geestelijk leven was er ; de leer van Calvijn volgde, met al de wisselwerking, met al de wederzijösche bezieling van die beide. Maar toen onder invloed van Malan, Vinet, Merle d' Aubigné, Secrétan, velen eerst in de Fransch-sprekende landen, daarna ook in óns land, tot bekeering kwamen, kwam die bekeering tot stand, niet in heidensche of buiten kerkelijke of onprotestantsche personen, maar juist in hen, die door Bilderdijk al gewonnen waren voor een nieuwe liefde tot onze oude historie, in hen dus, die wisten, dat onze nieuwe historie begint met 1572.
Omgekeerd dus als in Calvijns tijd, was in de dagen van het Reveil de leer aanwezig, maar onder 't stof van rationalisme en supra-naturalisme, de menschen in ons land waren gereformeerd, maar verdoofd. En het Reveil was de bezielende adem, die velen tot inkeer en wederker wekte. De leer werd levend. De mannen en vrouwen van het Reveil waren van oorsprong meest gereformeerde christenen. Nu werden zij levende gereformeerden, die leer en leven samen in nieuwe liefde droegen. Het Calvinisme omlijnde het leven ; het Reveil verlevendigde de omlijning. Het oorspronkelijk gereformeerd protestantisme werd door het Reveil weer bóvengeploegd. In onze landen ontbloeide, als in de 16e eeuw, zóó in die eerste decenniën van de vorige eeuw, een persoonlijk geestelijk leven, dat op hoog peil stond. Op nieuw was gelogenstraft de meening, dat de leer dor is of alleen verdorrend werkt ; want die bezielde gereformeerde protestanten had den wijde oogen voor al wat heilig en schoon was, voor Kerk en Staat, voor Kunst en Philantriophie.
Calvinisme en Reveil tesamen gaven den sleutel tot het begrijpen van het hedendaagsche Nederlandsche protestantisme.
Een andere trek van.het Nederlandsche . Reveil is, dat het zijn aanhangers meest vond onder de meer aanzienlijken in den lande. Dit stond in (Verband met het feit, dat zij voor de Fransche predikers bereikbaar waren. Door Merle d' Aubigné werd Groen van Prinsterer gewonnen. Maar gelijk tijdig met dien stoot van Zwitserland uit herleefde in breede groepen van het van ouds gereformeerde volk een begeeren om in de Kerk het Woord van God naar Gereformeerde belijdenis weer te hooren preeken ; wat velen met gevangenisstraf hebben moeten boeten.
Maar het martelaarschap gaf aan de zielen te hechter en onverzettelijker overtuiging ; de gevangenis gaf opnieuw in plaats van onderdrukking de zege aan de vervolgde beginselen ; waarbij Groen een machtig kampioen was voor de gerechtigheid, al behoorde hij niet tot de afgescheidenen.
Het is niet waar, dat de Afgescheidenen dorre Dordtsche leer wilden hooren. Ook in hén was reeds een reveil-adem. Maar zij wilden die Dordtsche belijdenis, waar zij zich verwant mee wisten, die bloed van hun bloed was, ook recht en klaar gepredikt hooren. Zij wilden predikers, die haar niet alleen onderteekenden, maar die haar ook geheel verkondigden. En men mag hen niet verwijten, dat zij zich in een kleinen kring terug trokken en afgesloten. Ten allen tijde werkt de waarheid afzondering en men kan nimmer vaste en felle overtuiging om de groote menigte heenweven. De wereld zelve zondert ons af en acht ons bekrompen-en daarna heeft zij dan als smaad, dat wij ons bekrompen afzonderen !
Nog werkt de Afscheiding na. Toen omstreeks 1870 het Calvinisme in dr. Kuijper zijn geweldigen kampioen en organisator kreeg, herleefde ook in velen van hen, die in 1834 de Groote Volkskerk trouw waren gebleven, het Gereformeerd besef. En met nieuwe bezieling wilden ook dézen hun heilig beginsel in Kerk en Staat tot openbaring brengen. Het volk moest zijn doop weer gaan verstaan. Van der Brugghen bouwde den Klokkenberg. De „christelijke vrienden" belegden op het Rusland te Amsterdam hun vergaderingen, waar de ellende der Kerk, waar ook de politiek ter sprake kwam.
De toepassing van het beginsel bracht scheidingen te weeg ; Beets en Groen gingen uiteen ; de toepassing eischte actie, kerkelijke en politieke actie en organisatie met al de gevaren daarvan.
„Ik ben een kind van De Clercq" — zegt dr. de Vreijer — „toch mag aan dr. Kuyper niet de eer ontzegd worden, dat hij de Gereformeerden in Nederland het volle besef van hun bezit heeft gegeven. Hij was de organisator, hij was de machtige leidsman. Met Kuyper hebben wij weer gekregen gereformeerde Theologie in Nederland, met hem ook gereformeerde politiek. Op Kuyper wordt het meest afgegeven door wie hem nooit lazen, maar alleen uit den mond van tegenstanders vernamen, hoe ijsselijk hij 't wel weer maakte. Hoe weinigen in ons land, die met den kerkelijken strijd zich bemoeien, kennen de groote beginselen van de groote schrijvers ! Kent men Calvijn en Kuyper en Bavinck, als men zich heden Calvinist noemt ? Kent men Vinet, La Saussaye en Gunning, als men heden hen bestrijdt of heden zich Ethisch-noemt ? Zie hier moeilijkheden, die een billijk oordeel uitermate in den weg liggen. Al in de gouden eeuw kenden de meeste dominee's de confessie niet, terwijl zij haar toch onderteekenden ; en heden ten dage wordt er gemoedelijk en vinnig vóór of tégen de confessie gevochten door die haar niet bestudeerden.
De gereformeerden zijn nog al verdeeld ; kerkelijk, maar ook in hun beschouwing b.v. ten opzichte van het avondmaal en ten opzichte van de politiek.
Ook in dezelfde kerkelijke groepeering vertoonen zij nog allerlei onderscheiding. Men heeft intellectualistisch-aangelegde gereformeerden en men heeft tot het mystiekbevindelijke geneigden ; beiden noemen zich gereformeerd. Onderling heerscht tusschen al deze groepen nog weer het grootste misverstand. Maar als we het hebben over de gereformeerden en over wat gereformeerd is dan moeten we hebben het gemeenschappelijke dat de gereformeerden bij alle schakeering verbindt. (Wordt vervolgd)
STAATSSUBSIDIE VOOR DE KERK ?
Belangrijk is het, de discussie te lezen over het onderwerp „Is de Christelijk Historische Unie tegen Staatssubsidie voor de Kerk" in „De Nederlander", zooals deze daar gevoerd werd tusschen dr. Kromsigt eenerzijds („pro") en jhr. De Savornin Lohman anderzijds („contra").
De grijze Eere-voorzitter van de Chr. Hist Unie is tegen staatssubsidie voor de Kerk en had dit in een artikel „Kunst en Kerk" laten voelen. Dr. Kromsigt — de man van Stahl — is er vóór en bestrijdt 't geen de heer Lohman schreef ; vooral in dézen toon, dat zulks wel het particuliere gevoelen van den heer Lohman kan zijn, maar dat de Chr. Hist. Unie als zoodanig toch niet van dat gevoelen is, wat ook wel te begrijpen is, daar de Chr. Hist. Unie is ontstaan door samensmelting o.a. van de vrij-antirevolutionairen en van de Friesch-Christelijk-Historischen (van daar de naam Unie). En het is toch bekend, dat, terwijl de eersten over het algemeen tegen staatssubsidie voor de Kerk waren, de laatsten er vóór waren. En die tweeërlei strooming schijnt dan nog altijd te bestaan, zonder dat de kwestie ooit officieel op een ledenvergadering is beslist.
-Waar nu dr. Kromsigt dus vóór staatssubsidie voor de Kerk is en wil betoogen, dat de Chr. Hist. Unie er óók voor moet zijn, daar blijft mr. Lohman op z'n stuk staan en geeft als bijschrift bij het ingezonden artikel van dr. Kromsigt dit wederwoord :
„Wij betwisten dat ons artikel Kunst en Kerk onze persoonlijke meening uitdrukt. Onze groep is voortgekomen uit de A.R. partij. Zij heeft, niet op staatsrechtelijke, maar op aan haar Christelijk geloof ontleende gronden, evenals de A.R. partij van harte den steun van den belastingheffer aan de Kerk van Christus verworpen ; als belijders van haren Heer en Meester heeft zij gemeend ook in stoffelijke dingen op Dezen alleen te moeten steunen, waar het de verbreiding aangaat van Diens leer.
Daarover is indertijd meer dan genoeg geschreven en gesproken.
De Friesche Chr. Hist, groep dacht vroeger daarover anders. Niettemin heeft zij zich bij de — tijdelijk als vrij-antirevolutionaire aangediende — groep aangesloten, zonder dat deze van standpunt is veranderd. De benaming Unie is, herinneren wij het ons wel, eenvoudig gekozen, omdat men tegen het woord partij, — waar het geldt het verdedigen der Christelijke beginselen op staatkundig gebied, bezwaar had. Daar destijds niemand meer dacht aan subsidie aan de Kerk is daarover ook geen discussie gevoerd maar het stilzwijgen daarover in de Statuten der Unie, waar het omschrijving van de taak der Overheid tegenover de Kerk betreft, is welsprekend genoeg : juist die taak toch is precies omschreven. „De Overheid behandele de Kerk in haar verschillende vormen als van eigen rechte ; niet als eene vereeniging, maar als eene openbaring in het volksleven (met eigen rechtskarakter). Zij bescherme haar in de uitoefening van den eeredienst, behoudens hare onderworpenheid aan de strafwet en eerbiedige de historisch verkregen rechten Zij bescherme ieders recht om zich van de Kerk los te maken."
Er was één punt van verschil, n.l. de vraag of de tegenwoordige uitkeeringen uit de publieke kas aan sommige kerken behouden moesten blijven. Gelijk bekend is, stond de heer Lohman de meening voor, dat de Kerken daarop geen recht hebben, en dat het voor de Kerken zelve wenschelijk is, tot algeheele losmaking der financiëele banden te geraken. (Dit is nog steeds zijne persoonlijke meening). Maar die vraag is in haar wezen geen beginsel-kwestie ; haar oplossing berust op rechtshistorische gronden; verschil van meening kan daarover ontstaan ook tusschen» hen die ons de verhouding van Kerk en Staat gelijk denken. Daarom is in het zooeven aangehaalde artikel de zinsnede opgenomen : de Overheid „eerbiedige de historisch verkregen rechten", in het midden latend, welke die zijn. Dit worde uitgemaakt door deskundigen.
Zoolang de Christelijk Historische Unie bestaan heeft, is niemand teruggekomen op het in ons land door alle partijen, zij het ook op geheel verschillende gronden, aanvaarde standpunt : scheiding van Kerk en Staal De Christelijk Historische Unie stelde zich op dat standpunt, niet ter bestrijding van „de Kerk", maar ter bevordering van den „Christelijken godsdienst."
Wel hebben wij, tijdens de behandeling der schoolkwestie, nog enkele stemmen vernomen van hen, die de oplossing zochten in splitsing der openbare school naar gezindheden. Maar die hebben geen gehoor gevonden ; de Kerk is, bij de oplossing der kwestie, er geheel buiten gelaten ; aan haar zelve werd overgelaten óf en in welke mate zij zich met de volksopvoeding wenscht te bemoeien ; de belijders van den Christelijken godsdienst zijn, tegenover de Overheid en de wet, met alle anderen op gelijken voet gesteld. Daarmee was ieder tevreden.
Wenscht men op dit alles terug te komen? Vindt men het goed dat de gemeente van Christus leeft van de belastingpenningen, mede opgebracht door zijn felle bestrijders, en zulks — dit vergete men niet — onder voorwaarde dat ook die bestrijders zelf op staatskosten hun alles ondermijnende leeringen verkondigen ?
Wij voor ons verblijden ons, dat wij, zij het nog tengevolge van overblijfselen uit een vervlogen tijdperk, slechts gedeeltelijk, thans bespaard zijn voor de ellendige godsdiensttwisten, die een onvermijdelijk gevolg zijn van Staatssubsidie aan Kerken. Zeker, er zijn ook thans nog, op kerkelijk gebied vele veelal onnoodige twisten ; zij zullen er wel blijven, ook al ware bij ons, evenals in de Vereenigde Staten van Amerika, het eigen kerkenstelsel ingevoerd. Maar wij worden in geen geval meer door overwegingen van we reldschen aard bewogen ons aan te sluiten bij de een of de andere Kerkengroep.
Acht dr. Kromsigt dit alles zoo ongeveer gelijkstaande met de vraag of van Overheids wege een Opera mag worden gesteund meent hij, ook na hetgeen hij in de laatste oorlogsjaren gezien heeft, dat de wereld haar steun moet zoeken bij Staatskerken is hij van oordeel dat men terug moet komen op een wat men terecht kan noemen een „overwonnen standpunt"; denkt hij dat door ons te rangschikken in een of ander loket (Stahl, Vinet of wien ook) zulke kwesties moeten worden beslist — het zij zoo. Maat hij legge het dan tevens aan op eene scheiding tusschen hen die thans behooren tot de Christelijk Historische Unie ; en die gemeend hebben op staatkundig gebied vreedzaam te kunnen samenwerken.
Op dit punt moet tusschen ons geen twijfel bestaan."
De discussie zal hiermee wel niet uit zijnl En wij zullen hier ook niet alles verder aan onze lezers voorleggen. Maar we dachten dat het niet ondienstig was, om het woord van den ouden staatsman Lohman, ! in deze kwestie door hem gesproken, even hier over te nemen.
Nadat we bovenstaand stuk in orde gemaakt hadden, verschenen nog weer ingekomen stukken in „De Nederlander" over het zelfde onderwerp van mr. Schokking, dr. Kromsigt en den heer C. E. van Koestveld, ! welke laatste opmerkt: „Ik geloof dat de groote meerderheid der partij in deze kwestie veel dichter bij dr. Kromsigt, dan bij „De Nederlander staat."
Als onderschrift op die laatste ingezonden stukken geeft jhr. Lohman dan nog het volgende, dat we nu maar tegelijk met het bovenstaande artikel wilden plaatsen :
Mr. Lohman schrijft dan :
„Wij kunnen natuurlijk niet beletten, zij aan de orde wordt gesteld. In formeelen zin is zij niet beslist, er is zelfs niet over gesproken. Maar bij het oprichten der partij had de leider der partij, door alle groepen als zoodanig aanvaard, op alle manieren! jarenlang, zich op het standpunt geplaatst ook thans in „De Nederlander" verdedigd! Dit was aan allen bekend. Niemand is daar destijds tegen opgekomen, hoewel die kwestie, de verhouding tusschen Kerk en Staat de meest belangrijke is van alle quaesties die op politiek gebied ter sprake kunnen komen. Wel is die verhouding in één der artikelen omschreven, maar zóó dat van financiëelen steun aan de Kerk — de uitkeeringen van thans vallen daarbuiten geen gewag zelfs wordt gemaakt.
Of het nu fair is, dat daarop door eenige"! — misschien velen — teruggekomen wordt laten wij in het midden. Wil men om de centen, ons toegeworpen uit de Staatskas. omdat de Gemeente des Heeren geen kracht genoeg meer gevoelt om zelfstandig tegenover de wereld te staan, onze partij doe'! uiteengaan, — het zij zoo Maar nimmer hopen wij mee te doen aan datgene, wat naar onze innige overtuiging den Christelijken godsdienst meer heeft benadeeld, dan het steunen van de Kerk op de wereldlijke machten."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's