De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

„En zij voerden de arke Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden den wagen.En David en gansch Israël speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zoo met liederen als met harpen en met luiten en met trommelen en met cimbalen en met trompetten.' Toen zij aan de dorschvloer van Chidon gekomen waren, strekte Uza zijn hand uit om de ark te houden, want de runderen struikelden.Toen ontstak de toorn des Heeren over Uza en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark ; en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.En David ontstak dat de Heere een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij die plaats Perez-Uza tot op dezen dag. En David vreesde den Heere te dien dage, zeggende : Hoe zal ik de arke Gods tot mij brengen ?1 Kron. 13 : 7-—13.

DE GESCHIEDENIS VAN EEN GOEDE ZAAK, DIE NOCHTANS MISLUKT.

 

Met vreugde en blijdschap trekken David en gansch Israël des morgens uit; beschaamd en bedroefd keeren ze 's avonds huiswaarts. God is hen tegengekomen op den weg en heeft hun onderneming verstoord.

Toch was het een goede en Gode welgevallige zaak, waartoe ze zich hadden opgemaakt. De ark des Heeren stond na haar terugzending door de Filistijnen nog immer ten huize van Abinadab in Kirjath-Jearini. In de dagen van Saul had men haar niet gezocht. Dat is wel teekenend voor de geestesgesteldheid van Saul, die zich toch beijverd had de waarzeggers en duivelkunstenaars uit zijn land weg te doen. Godsdienstige ijver is toch altijd nog jets anders dan ware godsvrucht. Maar daarom kon het niet uitblijven, of David, de man naar Gods hart, de man der godsvrucht, gedacht aan de ark des Heeren en werd zeer begeerig, dat die ark, het symbool van 's Heeren tegenwoordigheid, weer in het midden des volks mocht wonen.

Ware godsvrucht en oprechte begeerte naar een volkomen herstel van de verbondsbetrekking tusschen God en Zijn volk hebben David en de zijnen gedreven de ark naar Jeruzalem op te brengen. Deze onderneming kwam voort uit een goed beginsel en was gericht op een goed doel.

In den regel ziet men hier op de zonde van Uza, die zonder besef van de majesteit des Heeren de wankelende ark wil ondersteunen. Hij is de spelbreker, door wiens optreden alles verkeerd loopt. Ten onrechte evenwel. De mislukking begint reeds vóór zijn onbedachtzame daad, als de Heere de runderen struikelen doet. Want dit kleine ongeval is van God, die doet vallen en doet opstaan. Er is iets, dat God mishaagt, waarom hij David en Israël hier tegenkomt. Wat ze doen, doen ze niet naar de wet en de inzetting.

Toen de Filistijnen de arke Gods terug­ zonden, hebben ze haar op een nieuwen wagen gezet en spanden runderen ervoor. Om welke reden is ons niet bekend, maar David en zijn volk hebben dit voorbeeld gevolgd. „Zij voerden de arke Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab".

Doch de Heere wil geheiligd worden in degenen, die tot Hem naderen. Daarom verdraagt Hij in Israël niet, wat Hij in de Filistijnen heeft geduld. Want uitdrukkelijk had God in Zijn heilige wet bevolen, dat de ark door de priesters gedragen moest worden. Dit is de oorzaak, waarom God de runderen doet struikelen en door Zijn oordeel over den onbedachtzame het volk overtuigt, dat hun weg niet recht is.

Deze uitnemende zaak, uit een goed beginsel en tot een goed doel ondernomen, mislukt dus, omdat ze niet geschiedde naar de wet en de inzetting des Heeren.

David heeft dit duidelijk leeren inzien. In 1 Kron. 15:2 zegt hij : Niemand mag de arke Gods dragen dan de Levieten, want die heeft de Heere verkoren om de arke Gods te dragen. Dit inzicht doet hem met vrijmoedigheid de mislukte onderneming opnieuw aanvatten. En alles thans inrichtende, naar de wet en naar het gebod, ontvangt hij Gods bizonderen zegen over dezen weg en er was blijdschap bij het huis van David en bij gansch Israël.

Dezen weg, door welken God David onder wezen heeft, bevat voor ons gewichtige leering. Een goed beginsel en een goed doel zijn niet genoegzaam om ons werk en onzen weg Gode welgevallig te doen zijn. Ze moeten ook in overeenstemming zijn met de wet, en de inzetting des Heeren.

We zijn zoo geneigd ons tevreden te stellen met het werken uit een goed beginsel. Indien het hart in oprechtheid God mag vreezen en niets anders bedoelt dan Zijn eere, zou dat niet voldoende zijn ? Neen, zegt de Schrift, want David bezat deze dingen en ging nochtans buiten de inzetting en het gebod. Niet om niet heeft de Heere ons Zijn heilige wet gegeven, opdat we daarnaar onszelf en ons gansche leven richten zouden. Alle eigenwillige godsdienst is hem een gruwel.

Hoe menigmaal wordt dat vergeten! Velen meenen, dat het genoegzaam is, dat een mensch tot God bekeerd is. Maar de waarachtige bekeering tot God is nog slechts het fundament van een Christelijk leven en niet alles, wat op dit fundament gebouwd wordt, is goed. Men kan bijwijlen tal van menschen ontmoeten, die den rechten eerbied voor waarachtige godsvrucht missende, nochtans een afgodische en ik mag wel zeggen bijgeloovige vereering hebben voor Gods kinderen. Alles, wat deze zeggen en doen, keuren ze goed en vallen ze bij. Het is toch een goed bekeerde man of een recht bekeerde vrouw, zoo luidt het ; ik geef me met gerustheid aan hun leiding over. Of hun woorden en werken naar het Woord en naar den regel des Woords zijn, wordt niet meer gevraagd. Dat spreekt voor deze menschen vanzelf.

Waartoe deze dwaling leiden kan, wordt vaak het best gezien in onkerkelijke kringen, waar menigmaal oude bijgeloovigheden terugkeren in godsdienstig gewaad en dan opgeld doen als bizondere openbaringen Gods. Maar ook onder ons kan haar fatale werking aanschouwd worden in allerlei onschriftuurlijke voorstellingen en handelingen waarvoor men zich op deze of gene bekeerde man of vrouw beroept, terwijl men dengene, die daartegenover den regel des Woords durft plaatsen vaak als een letterknecht en vijand van Gods Woord durft brandmerken.

Toen schrijver dezes eens met iemand sprak over de kenmerken en vruchten van het genade-leven en zonder deze met bepaalde bedoeling noemde : „liefde, blijdchap, vrede, lankmoedigheid, goedertiereneid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid", werd hij met medelijdenden blik aangezien.

Ach, welk een onkunde ! en dat bij een voorganger ! Neen, neen, daar, moet wat anders gekend worden ! Natuurlijk maakte ik de opmerking, dat dit toch de regel des Woords is, want het zijn de eigen woorden des apostels (Gal. 5 vers 22), den tegenspreker een oogenblik beschaamd ; daaraan had hij niet zoo spoedig gedacht; maar gewonnen gaf hij zich niet; het beginsel der dwaling zat te diep. Men is niet gewoon meer naar den regel des Woords te vorschen ; tal van willekeurige dingen, uit het leven van dezen of genen vrome samengesteld en daarom als goed en Gode welbehaaglijk beschouwd, heeft men zich zelf ten regel gesteld. Zoo komen velen er toe het verborgene leven met God in Christus, waar van de Schrift ons spreekt, het leven van zelfverloochening en gedurige kruisiging des vleesches, het ootmoedige leven achter den Heere te laten vallen om daarvoor een leven van bevindingen, die slechts de oppervlakte raken, in de plaats te stellen.

Het is geen liefde, wanneer men alles, wat Gods volk zegt en doet, goedkeurt, omdat zij het zeggen en omdat zij het doen. En het is geen vijandschap, wanneer men, den toets des Woords aanleggende, veel van hun woorden en werken afkeurt. Wilhelmus a Brakel noemt de Labadie zijn geliefden broeder in Christus. Hij is ook volkomen overtuigd van de oprechtheid zijner bedoelingen. Toch kan hij niet met de Labadie meegaan, want na ernstig en biddend overleg heeft hij gezien dat deze weg van afscheiding niet is naar den regel des Woords. Door de Labadie is hem dit zeer kwalijk genomen, maar liever wilde hij de gunst van een vriend en broeder in Christus missen dan te gaan op een weg, die in strijd is met den regel des Woords. Zulk een weg moet als die van David in ons tekstverhaal mislukken, ook al is de bedoeling nog zoo goed. De geschiedenis heeft a Brakel's oordeel gerechtvaardigd.

Tot de wet en tot de getuigenis ! Die oproep mag in het leven des Christens nooit meer verstommen, op niet één terrein, waar op hij zich beweegt.

In zekeren zin mogen we de wet het kruis noemen, dat God overal op des Christens weg heeft geplaatst, opdat daaraan zijn eigen zin en wil worden gekruisigd.

Pijnlijke dooden moet hij hier sterven. Want de weg van eigen zin en wil is zoo gemakkelijk en ook voor den waren Christen vaak nog zoo bekoorlijk. Echter brengt de pijnlijke kruisiging des vleesches tot zalige opstanding.

De weg van eigen zin en eigen wijsheid mislukt ten slotte. Indien ons leven soms van menige mislukking gewaagt en niet bereikt werd, wat toch een goed en schoon begin beloofde, mogen We ons wel afvragen of misschien hier de oorzaak gevonden wordt en zoo ja Gode voor die mislukking dankzeggen. Ze kan ons met David leeren onze breuke en onze dwaling te zien en ons op den rechten weg brengen.

Aan een leven naar Gods inzetting daarentegen is een bizondere zegen verbonden. Schoon eerst pijnlijk voor het vleesch, daarna zalig en vredevol. Het doet den man Gods met blijdschap roemen : „in uwe wet is al mijn vermaking" en een langdurige ervaring zijns levens doet hem zeggen : „wat vree heeft elk, die uwe wet bemint." God de Heere neemt het nauw ; Hij wil ook, dat wij het nauw met Zijn geboden en inzettingen zullen nemen en heeft daarvoor een bizondere zegen.

Was het maar een kleinigheid, dat de ark op een wagen werd gezet in plaats van door de priesters gedragen te worden ? Wie dieper gezien heeft dan de oppervlakte, weet beter. Het gaat hier om de handhaving of de ondergang van het eigen ik, van de eigen wil, van de eigen wijsheid. Alleen de ondergang daarvan bereidt den weg voor een Godgewijd leven en voor de zalige heerlijkheid, waarin God éénmaal zal wezen alles in allen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's