De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

24 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDEN EN DÈ ETHISCHEN.

II.

„Het kenmerkende, waaraan men de Gereformeerden kennen kan", — aldus dr. De Vrijer in zijn boekje „De Gereformeerd-Ethischen" — „is de nadruk door hen allen gelegd op het gezag, wat aan de geestelijke constitutie bij de gereformeerden haar eigenaardige kleur geeft. Voor den gereformeerde staat niet voorop : Hoe denk ik over God, over den Bijbel, over de wereld ? Maar heel zijn denken, heel zijn ziel is getroffen door de realiteit, hoe God over hem denkt, wat de Schrift ons beveelt. Het is Gods werk, dat ons moet redden, van begin tot eind toe.

„Hij zal Zijn werk voor mij volenden." De gereformeerde levensbeschouwing is Theo-centrisch. „Uit Hem, door Hem, tot Hem zijn alle dingen." De gereformeerde zoekt op alle terrein de souvereiniteit Gods. Waarlijk, dit is geen strakke leer, maar een levensvisie, die hemel en aarde, eeuwigheid en tijd, vastgelegd wil zien in.'het Koningschap Gods. De gereformeerde theologie wil niet drijven op de wisseling van menschelijke, religieuse stemming ; zij wil geankerd liggen in den bodem van Gods souvereiniteit En naast de universeele algemeene souvereiniteit Gods is er voor den gereformeerde een persoonlijke. Zijn eeuwige Raad, Zijn verkiezing. Zijn aanbiddelijk welbehagen, die zijn de rust der ziel. „Ik heb Hem niet uitverkoren. Hij heeft mij uitverkoren." Dat is geen strak determinisme of een turksch fatalisme. De eenvoudige lezing der gereformeerde belijdenisschriften kan een dergelijke misvatting onmiddellijk logenstraffen. Men denke, om slechts iets te noemen, aan het feit, dat de Dordtsche Synode de verkiezing infra-lapsarisch beschreef; de mensch is door eigen schuld gevallen. Zij waarschuw de ook tegen harde uitdrukkingen over de praedestinatie en berispte Maccovius om zijn logica, door welke de Synode de teerheid en de verborgenheid van Gods verkiezing niet als een meetkundig vraagstuk wenschte opgelost te zien. Maar zij aanbad, met alle gereformeerden, de zekerheid, dat onze zaligheid rust in Gods verkiezing. Prof. Bavinck zegt: „Als het er op aankomt, is de gereformeerde belijdenis ruimer van hart en breeder van blik dan eenige andere Christelijke confessie. Zij vindt de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen, in Zijne eeuwige ontferming, in Zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid, in den onnaspeurlijken rijkdom Zijner almachtige en vrije genade." (Geref. Dogm. IV, 811).

Moet alzoo de souvereiniteit Gods en de praedestinatie als eerste heteronome rust voor de gereformeerde levensbeschouwing worden genoemd ; als tweede noemen we het gezag van. de Heilige Schrift. Vandaar 't verzet van den gereformeerde tegen bijbelkritiek ; uit vrees dat, bij het al meer als gewoon-menschelijk beschouwen van de Bijbelboeken, bij het beschouwen ervan enkel als joodsch-christeiijke godsdienstige literatuur, te loor zou gaan dat besef, dat den gereformeerden onmisbaar is: „God beveelt ons in Zijn Woord ; de Schrift spreekt en dat hebben wij te gelooven en te doen. Het is dus de vrees, dat de objectieve maatstaf zou worden uitgewisseld voor de subjectieve opinie : „Dit of dat uit den Bijbel wensch ik te gelooven, maar dit of dat niet." De Reformatie heeft de autopistie (het gezag hebben in zichzelf der Schrift) tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de Kerk ondergeschikt gemaakt aan het Woord Gods en daardoor de vrijheid van den Christen gered. Hierover is men het onder de gereformeerden eens, dat aan de Schrift, wijl zij God tot auteur heeft, eene autoritas divina (goddelijk gezag) toekomt De Schrift moest door allen geloofd en gehoorzaamd worden en de eenige regel zijn van geloof en leven.-Niet dat de Schrift kan en mag worden opgevat als een wetboek vol artikelen. Want beroep op een tekst buiten verband is voor een dogma niet genoeg. De openbaring, in de Schrift neergelegd, is een historisch en organisch geheel. Zóó wil ze gelezen en verklaard worden. En daarom moet het dogma, dat met autoriteit, tot ons komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op heel het organisme der Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. „De goddelijke majesteit straalt niet in alle deelen der Schrift even sterk door en ten tweede is de gebrekkigheid van ons geloof en de verduistering en wederspannigheid door de zonde* een voornaam beletsel voor consequente doorwerking van het getuigenis in ons (Calvijn). Uit dien hoofde is er velerlei verschil tusschen waarachtige geloovigen, wat meer ondergeschikte punten in de Schrift aanbelangt I Doch als er maar eenheid des geloofs is ten aanzien van de centrale waarheden, zal er, evenals dat in de eerste Christelijke eeuwen geschied is ook over die peripheric (wat in den omtrek ligt en meer ondergeschikt is) steeds meer toenadering en overeenstemming onderling bespeurd worden."

De zekerheid van het Schriftgezag eischte diepe kennis van haar èn het inwendige getuigenis van den Heiligen Geest.

Een derde trek, die de gereformeerde levensbeschouwing kenmerkt, is : het gezag der Kerk. Die eenzelfde levensbeschouwing hebben voelen zich tot elkaEit aangetrokken; zoo ontstond ook de gemeenschap der Christenen, de Christelijke Kerk — zegt dr. de Vrijer, (blz. 22).

Maar de gereformeerden wenschen ook hier het gevaar van subjectivisme te vermijden. Die Kerk heeft als taak de waarheid, die zij uit Gods Woord put, en die zij door den H. Geest geleerd, in den loop der eeuwen steeds dieper inziet, te bewaren. Zij heeft die waarheid in bewuste taal uit te spreken. Aan die Kerk danken we de waarheid, die ons uit de Schrift toevloeit; de Kerk heeft voor ons de Schrift en de historische ontwikkeling der dogma's bewaard. En tot die Kerk voegen wij ons weer als levende leden, wanneer haar waarheid ook ónze levensovertuiging is geworden, zoodat wij op ónze beurt deelen, heel kleine raderen van het geheel, worden. De enkeling mag niet met willekeur het geheel naar zijn hand willen zetten. Het geheel, de Kerk, heeft over haar individueele leden gezag. Naar buiten heeft de Kerk haar overtuiging te belijden ; naar binnen (over haar aanhangers) moet zij voor haar belijdenis instemming eischen. Orde moet er zijn en geen subjectieve willekeur ; en de Kerk moet tucht kunnen oefenen over die leden, die zich niet naar het geheel wenschen te schikken. Voor de beschouwing van de Kerk als een genootschap tot godsdienstig nut van het algemeen voelt de Gereformeerde niets. Evenredige vertegenwoordiging in de Kerk van tegen elkaar diametraal overstaan de groepen vindt de Gereformeerde net zoo onmogelijk als een vegetariërs-vereeniging met evenredige vertegenwoordiging ook van matige en sterke vleescheters. Vandaar ook altijd weer het verwijt door de leden der „Gereformeerde Kerken" aan ons, Hervormden, dat wij ieder op den kansel laten.

De gereformeerden zijn er echter van den beginne aan van overtuigd geweest, dat de door de Kerk geformuleerde belijdenis menschelijk en tijdelijk is. Gods Waarheid is eeuwig ; de menschelijke formuleering van haar is vergankelijk. De belijdenis is maar een afgeleid kanaal ; de bron zelve is de H. Schrift waaruit door 't getuigenis van den H. Geest wordt geput. Naar gereformeerd principe is de belijdenis altijd examinabel en revisibel aan de H. Schrift. Inderdaad is van die revisie (herziening) weinig terecht gekomen. Toch was het tegen de bedoeling der Dordtsche Synode, dat dit niet is gebeurd. Zij heeft niet kunnen vermoeden, dat zij als internationaal gereformeerd concilie een unicum zou blijven. Maar de echte gereformeerden beschouwen de Dordtsche leer niet als onveranderlijk kaaba. Met haar klassieken inhoud voelen de gereformeerden van heden zich eens geestes met de belijdenisschriften van voor drie eeuwen. Het gereformeerd beginsel in de dagen van Calvijn en De Bray en heden is hetzelfde en als gereformeerden willen wij de belijdenis als gezaghebbende norm voor ons kerkelijk samenleven ; ook in de Kerk willen wij het element van gezag, en geen subjectieve willekeur. Zouden wij heden wel zulke klassieke geschriften kunnen opstellen over wat wij gelooven, zoo positief en toch ook zoo teer, zoo breed en toch zoo scherp omlijnd ? Wat is onze belijdenis, met offerbloed geschreven, toch mooi ! Dogmatiek d.w.z. wetenschap der dogmata kunnen wij nog wel beoefenen ; voor dogmaformuleering zijn wij te zwak en weifelend van geestelijke statuur.

Voor den gereformeerde is het algemeen christelijke te vaag ; zij wenschen scherper stempel. Daarom hebben zij het verwijt van bekrompen te zijn, rustig te dragen. Ieder man van overtuiging zal dit verwijt zich hooren toevoegen. En de ironie der geschiedenis is nog, dat dikwijls hij, die zich voor niet-bekrompen houdt, het bekrompenst van allen is ! We hebben dat aan enkele liberalen in den lande in 1834 en later gemerkt !

De gereformeerden slaan van uit hun veste, die zij met zwaard en troffel bouwden, de oogen wijd over de muren om de wereld te winnen voor den Heiland en om de toekomst te verbeiden, waarin Jeruzalem zonder muur en poort dorpsgewijze zal bewoond worden, omdat de Heere zal zijn een vurige muur rondom en Zijn heerlijkheid daarbinnen. In die toekomst zal het gereformeerd protestantisme zijn bijnaam, en zijn nü noodzakelijke omtuining, afleggen, want Christus zal zijn de eeuwige Koning Zijner Kerk en God zal zijn alles en in allen. Maar nu wonen wij nog in de bedreigde veste ; met vijanden buiten en binnen.

De gereformeerde belijdt dat het objectieve element in ons christenen, in ons als Subject, moet worden doorleefd. Direct wordt het al gezegd in den aanhef van de Ned. Geloofsbelijdenis het eerste artikel : „ Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond, dat er is enz." En niet minder voorwaar ! komt dat uit in de eerste klanken van den Heidelb. Catechismus : „Mijn eenige troost is, enz." Gelijk ieder die b.v. het 21ste antwoord bij de vraag wat een waar geloof is, leest, direct moet toestemmen. Want daar staat immers : „Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard, heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de H. Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om der verdienste van Christus wille."

Het is dan ook niet waar, dat de gereformeerde theologie in haar wezen intellectualistisch is. Maar zonder intellect geen juiste formule. De z.g.n. Ethischen kunnen zich in dit opzicht wel tegen sommige eenzijdige gereformeerden wenden, maar niet tegen de gereformeerde theologie als zoodanig ! De redeneering : niet de leer, maar het leven, is even onhoudbaar als : niet het leven, maar de leer. Leer èn 'leven, dat wil de gereformeerde theologie. Kennis èn vertrouwen, notitia èn fiducia, foie èn croyance, deze beide zuilen zal men in elke gereformeerde Dogmatiek gelijkelijk beschreven vinden, gelijk ook de gereformeerde belijdenisschriften dogma en persoonlijk geestelijk leven in hoogste synthese samen wil brengen. God kennen en Hem liefhebben samen, dat is gereformeerde theologie. Gods Waarheid grijpt de geheele ziel aan met al haar functies. Juist die dubbele drang naar objectiviteit en subjectiviteit, naar de rust in Gods souvereinen raad èn naar de persoonlijke heilsverzekerdheid valt in het gereformeerd protestantisme zoo sterk op. De rechtvaardigmaking staat voorop ; de heiligmaking is er onafscheidbaar, als zich ontkwikkelend geestelijk levensproces, mee verbonden. Om dat levende gereformeerd protestantisme hebben in de gouden eeuw de Engelsche en Hollandsche piëtisten gestreden.

Maar we zijn allen eenzijdig.

En zoo zijn er ook gereformeerden die eenzijdig zijn wat betreft de souvereiniteit Gods en de praedestinatie. Er zijn er, die haar maken tot een noodlots-en onmachtsleer, tot een fatalisme, waarbij men veelal inslaapt, omdat de mensch nu toch eenmaal zoo slecht is en als men niet bekeerd is, men het toch niet verhelpen kan.

Men spreekt er dan over, koud en zeker, alsof men in Gods Raad kan inzien.

Maar ook hier zijn het weer de onzuivere vertegenwoordigers eener leer, die haar in discrediet brengen.

De praedestinatie eenzijdig geobjectiveerd verlamt de prediking ; immers de machtige oproep tot bekeering, het aan ieder voorleggen van z'n onafwendbare verantwoordelijkheid voor God en de roeping om in deze wereld Zijne eer te vermelden, verstomt. En de prediking wordt een prediken voor een kleine groep, die uitverkoren is of zich daarvoor houdt en de anderen zitten er machteloos bij. De rijkbesnaarde harp is daar geworden tot een instrument met maar één snaar, die geen wijduitluidende melodie weet te verspreiden.

Omgekeerd ziet men ook bij vele gereformeerden de praedestinatie-leer eenzijdig subjectief worden. Men drijft dan op wankele gevoelsstemmingen en men is bekommerd van jaar tot jaar, zonder licht en vreugde in den Heere. Dikwijls melancholische naturen, die tijd en eeuwigheid in somberen nevel gehuld zien en niet veel meer uitstooten dan : „mocht het zoo wezen." Ze komen nooit eens tot de belijdenis : „wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus." Tot hen zegt het Dordtsche woord : „Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, den vrede des gewetens, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog niet krachtig gevoelen en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping hooren gewagen, noch zichzelven onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade vurig verlangen, en dien met eerbied en ootmoed verwachten. Veel minder behooren door deze leer der verwerping verschrikt te wordeft, degenen, die ernstig begeeren zich tot God te bekeeren. Hem alleen te behagen en van het lichaam des doods verlost te worden en nochtans in den weg der godzaligheid en des geloofs zoo ver nog niet kunnen komen, als zij wel wilden ; aangezien de barmhartige God beloofd heeft, dat Hij de rookende vlaswiek niet zal uitblusschen en het gekrookte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is met recht schrikkelijk voor degenen, die God en Christus den Zaligmaker niet achtende, zichzelven aan de zorgvuldigheden der wereld en aan de wellusten des vleesches geheel hebben overgegeven, zoo lang zij zich niet met ernst tot God bekeeren." (Dordtsche Leerregels I, 16).

Zoo wordt dus verkeerdelijk de verkiezingsleer eenzijdig-subjectief genomen en leeft men bij de gevoelsstemmingen, die dikwijls jaren lang noch groeien noch verdwijnen ; en de geur en kleur, de ruimte èn de strenge lijn van de gereformeerde levensbeschouwing ontbreekt.

Hoeveel dwaalleer en ongezonde opvatting zou als schimmel voor de zon verdwijnen, als de Christenen den Bijbel beter kenden. Vele toch kerkgaande protestanten lezen er haast nooit in. Maar ook de trouwe Bijbellezers kennen de Schrift zoo dikwijls weinig als organisch geheel. En voor een wereld-en levensbeschouwing kan men niet steunen op enkele teksten, doch moet het geheel gekend en onderzocht worden. We hebben voortdurend te bidden om den Heiligen Geest, om zoo dieper in de Schrift te delven. Tallooze protestanten worden gemakkelijk schaakmat gezet door den bekeeringsijver van kleine groepen, die met groote vaardigheid 'n reeks teksten voor hun meening weten aan te halen ; en men weet niets te antwoorden, omdat men niet geleerd heeft het geheel van de Schrift te overzien. Op de zelfde wijze blijven dwaalmeeningen voortbestaan ; de traditie heerscht en de Schrift wordt niet genoegzaam onderzocht in haar veelzijdigheid. „Tot de Wet en tot de Getuigenis ; zoo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben." Alle orthodoxe groepen beroepen zich op de Schrift en men kent haar zoo weinig. Hetzelfde geldt van de belijdenisschriften. Voor jaren hield professor Bolland een cursus over den oorsprong van het Evangelie. Er zaten daar vele toehoorders, allen met 'n Bijbel bij zich, maar velen konden zelfs de teksten niet opzoeken, terwijl zij inmiddels wel over datzelfde hun onbekende Evangelie een vernietigende kritiek wenschten in zich op te nemen.

Doch niet alleen dat gebrekkige Schriftkennis bij zoovelen gevonden wordt, ook in gereformeerde kringen, maar dikwijls is er ook een eenzijdig subjectiveeren. Hiertoe zijn die „mystici" te rekenen die wel in naam Schrift en belijdenis aanvaarden, gereformeerd zich noemen, maar feitelijk hun geestelijk leven niet door de Schrift laten besturen. Men drijft op zijn bevinding, buiten de Schrift om. Men leidt een onberekenbaar geloofsleven zonder zekere en vaste lijn. De Christus is dan niet het middelpunt, maar de christen. Als de Schrift en de belijdenis niet de werkelijke bron voor het geestelijk leven zijn, doch slechts pro memorie worden uitgetrokken, terwijl de subjectieve bevinding het laatste woord krijgt, kan men wel den naam Gereformeerd houden, kan men ook wel zich verzetten tegen intellectualisme, maar men is uit reactie op de klip van het mysticisme vastgeloopen.

Anderen objectiveeren weer wat in de belijdenis gegeven is ; de prediking legt allen nadruk op het z.g. voor-werpelijke, op een eenmaal vastgestelde leer, die in hun Kerk gepredikt wordt. Dan krijgt men een sterk verstandelijk drijven. Maar we moeten houden die toon der oneindige aanbidding van Gods grondeloos licht, van ons kennen ten deele, van innig heimwee naar het Land, waar alle raadsel in de zuivere aanschouwing Gods zal worden verklaard. Het enkel-intellectualistische is niet gereformeerd. En het zóó strak objectiveeren van Kerk en belijdenis, dat zij waarden worden van gelijken rang als het Goddelijke en de Heilige Schrift, is evenmin gereformeerd.

Jammer dat ook onder de Gereformeerden zoo weinig éénheid gevonden wordt ; zoo weinig onderling vertrouwen. Bijzaken worden daarbij voor gewichtigheden gehouden. En de maatschappij en het volk loopen door, buiten de Kerk öm — zegt dr. de Vreijer.

Daarom zal het onderiing vertrouwen onder de orthodoxen terug moeten komen ; anders zal de Kferk door sectarisme, door hopeloos individualisme, door koud onoprecht formalisme, te gronde gaan.

En vreeselijk zou het wezen en smaad voor de Kerk als zij zal ondergaan, niet in de geweldige worsteling om Christus' Koningschap, maar in de kleine kibbelarij van verdeelde kinderen uit één gezin.

Zoo is dan het gezagsstandpunt in Theologie, Schrift-en Kerkbeschouwing het typeerend gereformeerde ; maar dat gezag niet als een nukkig-heteronome dwang ; doch als een door den Heiligen Geest in den mensch aanvaard en aanbeden gezag.

Niet de volksstem mag 't laatste woord hebben, maar de Goddelijke ordening ; hoe moeilijk het dikwijls ook mag zijn haar juist en scherp te zien.

Het gaat om het in vrijheid aanvaarde gezag ; het gezag dat op rechtvaardige liefde steunt; dat is het gereformeerd gezagsbesef.

Daarom verwerpen de Gereformeerden de dwinglandij, maar evenzeer het typisch Nederlandsche anarchistisch idee, dat ieder zijn eigen zin maar door wil drijven.

Daarom ook willen de Gereformeerden, die geboren zijn in tijden van .strijd om de vrijheid, een omlijnde belijdenis en strenge tucht-. Door die middelen hebben zij krachtige daden kunnen volvoeren, in Kerk, organisatie, in den strijd om hun scholen, in wetenschap en politiek. Een hoogen en heiligen strijd hebben zij willen voeren om het Koningschap van God in Kerk en Staat, in gemeenschap en enkeling. Zoo lief als ons onzer ziele zaligheid is, hebben we ook alle goden buiten Hem te bestrijden; en we hebben eer alle schepselen los te laten dan dat we in het allerminste tegen Zijnen wil zouden doen.

„Die rustige moed, waarmee onze vaderen, daar hun ziel in Gods Raad eeuwig veilig was, de zeeën bevoeren, in hemel en aarde zich geborgen wisten, dat weten en vertrouwen, dat niet aan eigen zin, maar aan Zijn Woord zich hield, die eenheid van gezag en geloof, van Kerk en persoonlijk heil, dèt alles was, toen en nu, wortel, stam en vrucht aan dien wijdschen boom der gereformeerde levens-en wereldbeschouwing" — zoo besluit dr. De Vrijer het eerste hoofdstuk, dat een beschrijving gaf van de gereformeerden, om in het tweede hoofdstuk nu te spreken over de ethischen.

EEN BAKEN IN ZEE.

In de zee zijn gevaarlijke plaatsen. Daar vergaat nog al eens een schip. Maar als er ergens een baken ligt, dan maakt dit, dat de stuurman dóèr bizonder acht geeft, om de klip te ontzeilen en het gevaar te ontkomen.

Een baken in zee.

Want er is gevaar. Gevaar bizonder voor onze jonge menschen, voor onze studenten ook. Men vraagt naar iets anders, dan er nu geboden wordt in kerkelijk-godsdienstige kringen. Jonge menschen — en ook die wat ouder reeds zijn — roepen vooral in onze dagen, dat er behoefte is aan iets anders, iets nieuws, iets dat wat frisscher is en wat meer leven ademt en leven geeft.

Men zij toch voorzichtig.

Niet, dat wij onze liefde verpand hebben aan de traditie, aan de gewoonte ; en dat we het iemand als doodzonde zouden willen toerekenen van die traditie, van die gewoonte af te wijken.

Maar we zien een afwijken van de beginselen die naar Gods Woord zijn, van die eeuwige beginselen, die voor alle eeuwen door den Heere ons zijn geopenbaard in Zijn getuigenis.

En als men daar van gaat afwijken, dan vinden we het wèl erg en dan zien we daarin een bron van verwarring en van teleurstelling, omdat het af te wijken van achter den Heere, altijd leidt tot duisternis en ondergang. Vandaar dat de profeet in 's Heeren naam tot het volk roepen moet, zeggende : , Tot de Wet en tot de Getuigenis, want als zij niet spreken naar dat Woord, dan zullen ze geen dageraad hebben."

Nu bespeuren we zoo hier en daar duidelijk, dat men gaat afwijken, ja, zooals men zegt, van hetgeen de menschen gemaakt hebben tot Waarheid, en wat dan, volgens bedoelde personen, maar menschelijke, inzettingen en menschelijke vonden zijn — maar intusschen merken we op, dat het daar wel degelijk anti de Kerk des Heeren gaat en anti Zijn geopenbaarde Waarheid. En dat vinden we gevaarlijk en gansch verkeerd, waarom we hier eens ernstig willen waarschuwen voor die anti-kerkelijke en anti-Bijbelsche, anti-gereformeerde leeringen en praktijken, waarmee men onze jonge menschen vooral wil lokken.

We willen hier twee dingen noemen. Allereerst wat prof. Obbink, hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de Rijks-Universiteit te Utrecht, blijkbaar gesproken heeft op de Zomerconferentie van de N(ederlandsche) C(hristen) S(tudenten) V(ereeniging) doorgaans genoemd de N.C.S.V. — en in de tweede plaats wat de heer A. Dorst, tot voor kort lid der Geref. Kerken, maar behoorend tot de Jong-Gereformeerden, schreef in het (Ethische) Weekblad „Bergopwaarts."

Prof. Obbink sprak ter conferentie over : „De student en het gemeentelijk leven" en zei toen volgens de verslagen in de dagbladen het volgende :

„Voor velen treedt de N.C.S.V. in de plaats van de Kerk : de preeken zijn er beter, men staat niet onder den invloed van kerkeraden en de omgeving draagt veel bij. De klacht, dat de N.C.S.V. zich richt tegen de Kerk is juist, want ze treedt op tegen het traditioneele plechtige en scholastische. Als ouders tegen de Kerk klagen, omdat hun kinderen er niet meer naar toe willen, is deze klacht bitter gegrond. De N.C.S.V. is een goed surrogaat voor de Kerk. Het is «niet goed zich als groep hoogmoedig te stellen tegenover de Kerk, maar de hoofdzaak blijft : dat wij christen worden, dan komt de Kerk vanzelf. Maar de Kerk moet ook niet onbillijk zijn. Een religieuse groep ontstaat nooit uit leugen, b.v. het Darbisme e.d. De Kerk had dat niet moeten verwaarloozen, dan waren ze er niet buiten gaan staan. De N.C.S.V. is aan dergelijke religieuse groepen en secten verwant, ontstaan als ze is uit verwaarloosde geloofspraktijk.

Het proces van verschrompeling van de Kerk gaat door, de profetische periode wordt steeds gevolgd door de dogmatische, en deze door de formalistische. De mystische vroomheid gaat dan schuil in het klooster, dat meermalen vernieuwing gebracht heeft. Zulk een taak heeft de N.C.S.V. tegenover de Kerk."

De N.C.S.V. gaat dus met hart en ziel kerkje spelen en gaat naast, ja, tegenover de Kerk staan, omdat de Kerk — de Herv. Kerk en de Geref. Kerken zullen wel in doorsnee genomen en bedoeld worden — verschrompeld, uitgedroogd, dood is. Dood door dogmatisme en formalisme.

Maar gelukkig zit in de N.C.S.V., met prof. Obink CS. als leidslieden, nog leven. Dat zijn de christenen. En die levende christenen kunnen 't nu in de doodelijk verschrompelde Kerk niet meer uithouden; trekken zich terug in mystieke vroomheid en zullen nu wachten, dat de Kerk hen volgen zal en aan hun fakkel haar licht zal ontsteken om dan waarlijk weer als een lampe te gaan branden in het midden des volks.

Het „surrogaat" overtreft hier de Kerk en daarom „de klacht dat de N.C.S.V. zich tegen de Kerk richt, is juist."

De Kerk heeft dit ter harte te nemen. Hier ligt bij de Kerk schuld.

Maar het is glad verkeerd wat prof. Obbink en de N.C.S.V. nu gaan leeren en doen ; en het is hoogst gevaarlijk hen in deze wegen te volgen.

Daar heeft men noodig, dat de band aan Gods Woord weer wordt aangelegd en dat het leven worde gezocht en gekend, dat zijn weerklank vindt in de heerlijke taal van onze gereformeerde belijdenis, welke is naar het harte van Jeruzalem, omdat zij is naar 'Gods Woord, dat Hij zelf ons , gaf ten leven.

Dikwijls als we over onze belijdenis, over onzen Catechismus hooren spreken, voelen we wat de kwaal is ! Men is afgegleden van het pad der aloude waarheid, waarbij het levende volk van alle tijden vreugde heeft gekend voor leven en sterven.

Laat men zichzelf 'toch eens leeren onderzoeken en laat men eens voorzichtiglijk nagaan of men niet in een roes komt, onder een zeker soort suggestie, waarbij de positieve belijdenis losgelaten wordt om te leven bij groote leuzen, holle woorden en onvaste stemmingen.

Daar is ook het woord van den Jonggereformeerde propagandist A. Dorst bewijs voor.

We lazen het volgende bericht in een van onze Christelijke dagbladen :

.Een Vrij-Gereformeerde Gemeente.

„Indertijd had de heer A. Dorst in zijn brochure „Consequentie gevraagd" de z.g. Jong-Gereformeerden voorgesteld de Gereformeerde Kerken te verlaten en zich bij de Herv. Kerk aan te sluiten. In den laatsten tijd echter is hij gaan twijfelen, of dit wel de juiste weg zou zijn. Immers juist waar de Jong-gereformeerde beweging zich het krachtigst openbaart, is de Ned. Herv. Kerk in handen der Confessioneelen, die de Jong-gereformeerden niet bepaald gunstig gezind zijn. Aan den anderen kant zouden deze laatsten zich in geheel moderne gemeenten niet op hun plaats gevoelen.

Voor de ontwikkeling van hun geestelijk leven is het dan ook noodig, dat de Jong-gereformeerden hun eigen weg gaan zonder zich te willen handhaven in een . organisatie, waartoe zij niet meer behoo­ren. Daarom stelt de heer Dorst thans in „Bergopwaarts" voor, de oprichting eener Vrij-Gereformeerde gemeente, waarbij zich konden aansluiten allen, die zich in de Gereformeerde Kerken niet meer thuis gevoelen en nochtans de gereformeerde grondslagen niet wenschen los te laten."

Weer zoo iets als van prof. Obbink ; wat trouwens niet te verwonderen is, daar ze beiden schrijven in het (Ethische) Weekblad „Bergopwaarts."

De Geref. Kerken laten niet toe, dat echtlevende, Jong-gereformeerden daar adem halen. De confessioneelen en de gereformeerden in de Herv. Kerk zijn geen haar betr. En daarom dan maar naast de bestaande Kerken opgericht een Vrij-Gereformeerde gemeente.

O ! het lijkt zoo mooi om te zeggen : de Kerken zijn te dood en te dor en te verschrompeld, dan dat een levende ziel er zou kunnen ademhalen en er zou kunnen blijven verkeeren.

Dan is men zelf tot een hoog-verheven en hoog-heerlijk leven gekomen, dat zich niet bedwingen laat.

Maar laat men toch voorzichtig zijn bij het uitbazuinen van deze dingen, vooral als men dan ook gaat zeggen : wij gaan tegenover de Kerk staan, want de Kerk is zoo dood als wat, in de Kerk zit geen aasje leven meer.

De waarheid van 't spreekwoord : „hoogmoed komt voor den val" heeft zich wel eens meer geopenbaard en scheurmakerij in het midden van Gods Kerk brengt niet veel anders dan verwarring, bitterheid en teleurstelling.

Intusschen steke de Kerk haar hand in den boezem en onderzoeke zichzelf voor des Heeren aangezicht, of zij schuldig staat in het levend belijden van en blijde wandelen in de waarheid, die naar 's Heeren Woord is.

Want de Kerk moet niet te hoog staan, om in deze moeilijke, donkere tijden van ver warring, des Heeren bevel, om naar de volmaaktheid voort te varen te betrachten, bij belijdenis van menigvuldige tekortkoming en verkeerdheid.

Echter hebben nu vooral onze jonge menschen op te passen, om zich niet in 'n maalstroom te laten meeslepen, waar verdrinken bijna zoo goed als zeker is. Hier geldt ook : Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken !

Daar, waar men niet met beide voeten staat op den hechten bodem van Gods Woord en de belijdenis onzer vaderen niet van harte eert en liefheeft, daar hooren onze jonge menschen — evenals ook de ouderen — niet thuis.

't Gaat hier niet om schoone woorden en mooie leuzen. Hier geldt: „Beproeft de geesten of ze uit God zijn, "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's