Stichtelijke overdenking.
Velen zeggen : wie zal ons het goede doen zien ? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere ! Psalm 4 : 7.
WIE ZAL ONS HET GOEDE DOEN ZIEN ?
Hier is sprake van een wijdverbreide behoefte, die door zeer velen wordt gevoeld. Wie zal ons het goede doen zien ?
Ziedaar een vraag, die opkomt uit gemis ; uit de min of meer vaste overtuiging, dat ons leven te kort schiet; dat het niet is wat het wezen moet; er hapert wat aan.
De mensch van een vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust; hij vraagt om wat zonneschijn, wat glans en kleur voor zijn dikwerf arm en moeilijk leven.
In deze vraag, die leeft in ieder hart en zweeft op veler lippen is de droeve erkenning, dat 't goede in ons leven wordt gemist.
Dat moet ons niet bevreemden.
Ons leven is ontredderd ; 's menschen levenstrein is ontspoord. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen.
Hier is 't bewijs dat Gods getuigenis waarachtig is, dat ons leert, hoe de mensch gevallen is, en onherstelbaar verlies heeft geleden. Hem ontviel wat eigenlijk de kern, den glans, de heerlijkheid van zijn leven vormt. Wat hem waar geluk en blijden vree moet schenken, is weg.
Want dat is de zalige levensgemeenschap met den eeuwigen God. Die is door de zonde verwoest.
En ook de genotzoekende wereldling, die zijn levensleegte zoekt te vullen met verganfelijke dingen, ook de sombere pessimist onzer dagen, die klaagten mort om de ellentie van zijn bestaan ; zij ook bewijzen, dat den mensch van nature iets ontbreekt.
Velen zeggen : „Wie zal ons het goede doen zien" ?
Uit breede scharen klimt dit vragen op. Van den oppervlakkigen genotzoeker, die levensverrijking wacht van luidruchtig vermaak tot den smeekenden tollenaar, die de ellende zijns harten klagelijk uitkermt voor liet aangezichte Gods, en al wat daar tusschen ligt —en dat is veel — maar alom is t één vraag, één roep, één zucht, één heimwee naar het goede.
Wat is dit goede ? Als 't aankomt op de •bepaling van dat goede dan blijkt de afstand groot tusschen menschen en menschen, dan Wordt 't zonneklaar, dat waar twee hetzelfde zeggen, dit nog niet hetzelfde is.
Het goede, dat is datgene, dat gij mist, en daarvan gij verwacht, dat het bij machte zal zijn voldoening te geven aan uw onbevredigd hart ; waarvan gij vulling verwacht voor uw geluk-arm, ledig leven.
Het is voor den oppervlakkigen wereldling de beker van het zingenot die hij aan de lippen zet, om te vergeten wat hem deert.
't Is voor den 'stofverkleefden werker de opgetaste vrucht van zijn arbeid, het welslagen van zijn zwoegend pogen ; 't is voor den natuurlijken mensch, die niet verstaat de dingen van Gods Geest, beperkt binnen den horizont der zienlijke dingen.
Maar dat is niet het goede voor den mensch. Eens zal 't ervaren worden ; door velen slechts te laat.
Het goede voor den mensch is alleen datgene, wat waarachtige verzadiging biedt aan de diepste nooden van het zondaarshart.
Niet de geneugten dezer wereld, waarvan geldt, dat zij voorbij gaat met al hare begeerlijkheid ; hoe menigmaal laat zij den mensch armer nog achter dan zij hem vond ; zij is als een even-geziene lichtschittering, in den donkeren nacht ; dra dooft zij zich en de duisternis is nog grooter dan tevoren.
Hoe menigeen heeft de wereld, die hem bedroog en teleurstelde, gevloekt eer hij de hand strekte naar een Judas-èïnde.
Zoo is ook de arbeid, de levenstaak niet het goede voox den mensch. De vrucht, van het noeste werken kan slechts voor een tijd bevrediging schenken ; ten slotte blijkt ook zij steenen voox brood te geven.
Niets of niemand ter wereld kan het waarlijk goed maken voor den mensch, die God kwijt is.
Al het vragen en klagen, al het zoeken en zuchten, al het jagen en zwoegen bewijst alleen maar de diepe ellende des menschen. 't Goede voor den mensch is God.
Hij is naar God geschapen, en dat maakt dat hij alleen in God kan vinden de waarachtige voldoening, de volkomen bevrediging zijns harten.
Wij moeten weer met God verzoend en hereenigd worden ; dat alleen is bij machte het weer goed te maken voor ons.
Daarom is het zulk een rijke en heerlijke boodschap, dat Christus Jezus in deze wereld is gekomen, om zondaren zalig te maken.
Hij kwam als Immanuël, „met-ons-God."
Hij is het Licht, dat afstraalt van het aanschijn des Vaders en verlicht en verheldert de donkere levensnacht der menschen.
Daarom klonk reeds in oude tijden de jubel op : O, hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt ; het goede, dat is, dat in Christus de eeuwige God zich als een verzoend Vader heenbuigt over den verloren zondaar.
Daarom is hij u, die gelooft, dierbaar.
Daarom is Hij de Zaligmaker, die ten volle voorziet in al de nooden en behoeften (ook de diepste) van het menschenhart.
Daarom kon Hij zeggen : Die Mij vindt, vindt het leven.
Daarom is Hij zulk een rijke gave van onverdiende genade.
Wij hadden alles verloren. Wij waren niet eens bij machte om ons rekenschap te geven van ons verlies, van onze ellende en levensverbreking.
De mensch heeft wel een vaag besef, dat hem iets ontbreekt; maar hij duidt het verkeerd, en zoekt op verkeerde wijze zijn redding ; daar, waar hij die nimmer vinden zal.
En ook al ware het hem klaar en helder, dat Godsgemis de oorzaak aller ellende is, wie zou ooit tot God kunnen opklimmen, om zich weer in te schuiven in de gemeenschap des Euwigen.
De schuld der zonde maakt dit ten eenenmale onmogelijk. Die schuld moet geboet, betaald, uit het midden weggenomen worden. Dat heeft Christus gedaan.
Daarom roept de apostel in aanbidding uit; dat Hij, die geene zonde gekend heeft, zonde ' gemaakt is voor ons, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem; o, klinkt het niet als de jubeltoon van het verloste hart, dat het goede gevonden heeft : Wij ' dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Dat is het goede voor den mensch, als hij met God verzoend mag zijn in het bloed van Jezus Christus, dat van alle zonden reinigt. Dat is bij machte om den verloren vrede en de levensvreugde weer te geven aan het hart.
Dan vindt de bede van den psalmist verhooring : Ai geef mij weer gewenschte zielevreugd, Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap hooren !
Daarop doelt de psalmdichter, als hij de bede opheft : ' • Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere.
Het licht van Gods aangezicht, dat is Christus Jezus, die gesproken heeft : Niemand komt tot den Vader dan door Mij, die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien.
Niemand heeft ooit God gezien ; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.
Als die bede van den psalmist, om het licht van Gods aanschijn, de uwe nog niet werd, lezer, laat dit woord u dan beschamen waarschuwen en onderrichten. Zie wel toe !
Daar is niets banger dan teleurgesteld uit te komen voor de eeuwigheid. Gij zocht immers ook het goede.
Gij ook, staat met een begeerte in het hart naar zonneschijn, naar gloed en verrijking voor uw veelszins arme leven ; gij ook koestert verwachtingen, maar die gebouwd werden op de wereld der vergankelijke dingen. O, dat is geen grondslag, waarop gij leunen en steunen kunt. Moet heel uw leven dan uitloopen op één treurige teleurstelling ?
Gij zijt toch niet ongewaarschuwd.
Gij zult nooit kunnen zeggen, dat gij het niet geweten hebt.
O, klonk het ook u niet telkens in het oor : Waarom weegt gijlieden geld uit voor wat geen brood is, en arbeid voor wat niet verzadigt ?
Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns !
Hier is een welbewust zich afkeeren van de ijdelheden dezer wereld in de vaste verzekerdheid, dat zij nooit in staat zal zijn om het voor ons waarlijk goed te maken.
Hier ligt de diepgewortelde overtuiging, dat diep te beklagen is, wie heel de wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel.
En het gemis der wereld baart zoo licht zielescha.
Het is noodzakelijk, dat wij met voorzichtigheid wandelen ; noodzakelijk, dat wij wel bewust breken met de afgoden dezer eeuw, met de ijdelheden dezer wereld.
Niemand kan twee heeren dienen.
Deze dichter keert zich met al den nood van hart en leven tot God : Verhef Gij over ons ! Hier is duidelijke tegenstelling.
Velen zoeken het bij de wereld, bij het schepsel, maar hij verwacht het niet van de bergen, niet van de heuvelen, maar alleen van Hem, Oie machtig is om ons te doen boven bidden en boven denken ; machtig ook om den storm te stillen en vrede te schenken, die alle verstand te boven gaat.
Maar dan komt het ook tot een besliste keuze ; tot een welbewust u afkeeren van de ijdelheden en de afgoden ; tot het stellen van al uw betrouwen op den Heere.
En dat niet straks, over een jaar, een week een dag, maar nu! Heden zoo gij Zijn stemme hoort, verhard u niet! Niet als gij oud geworden zijt, en de wereld toch niets meer voor u is, want zult gij oud worden ? Zijt ge er zoo zeker van, dat de dood u niet zal overvallen aan het festijn der zonde ? En hebt gij grond om te verwachten, dat God het wrakhout zal aannemen van uw leven, dat in de branding der wereld stukgezondigd is en eindelijk, meent ge, dat ge iets wezenlijks verliezen zoudt, als gij moogt overgaan uit den harden, licht-loonenden slavendienst der zonde in de zoete, zalige, dierbare liefdesheerschappij van Koning lmmanuël ?
Hoor eens, hoe deze dichter, overstraald met de glorie van 's Heeren aangezicht uitroept : Gij hebt mij vreugde in het hart gegeven, .meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
O, welk een diepgeworteld misverstand is het toch, als zou het leven in de vreeze des Heeren arm zijn aan zonneschijn en zielevreugd. Integendeel! Groot is het goed, dat God heeft weggelegd voor degenen die Hem vreezen.
Mijn juk is zacht en mijn last is licht, zoo sprak de Heiland.
Wat Hij uit vrije genade in zijn zalige gemeenschap te genieten geeft, baart troost en moed in leven en sterven.
Kan dat van de wereld gezegd ? Zal de herinnering aan zondige geneugten de smart van het sterfbed lenigen ? Zal de gedachte aan koren en most u het scheiden licht maken ?
Maar als in het sterven uwe ziel zich met God verzoend mag weten, dan is de dood u een doorgang in het eeuwige leven, dan is het sterven u gewin.
O, wekke die schat, die boven mot en roest verheven is, de zielszucht in uw hart!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1920
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1920
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's