Feuilleton.
Mogen wij de Herv. Kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door • ds. A. VAN VEELO, destijds ± 1868 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
3)
Hebben wij door genade leeren verstaan, ' dat de Drieëenige God in het genadeverbond Zich tot ons heil heeft geopenbaard, wat kan dit anders dan verontwaardiging bij ons ' teweeg brengen, wanneer wij die voortreffelijke leer hooren verloochenen ? Hebben wij op goede gronden leeren gelooven, en weten wij door hartgrondige ervaring, dat de volmaakte borgtocht van Christus de eenige grond onzer hope is, wat kan dit anders dan droefheid bij ons veroorzaken, zoo die dierbare Waarheid wordt gesmaad of bespot? Hebben wij leeren verstaan naar de Schrift, dat wij in eeuwigheid niet naar God gevraagd zouden hebben, indien Hij ons niet eerst had opgezocht, wat anders dan leed kan dat bij ons verwekken, indien God van die eer beroofd, en Zijne vrijmacht in het MAASSLUISCHEBOEKHANDEL zaligen van zondaren ontkend wordt ? Hebben wij een vermaak gekregen in 's Heeren wet, en een hartelijken lust om naar al de geboden Gods te leven, hoe moet het ons dan smarten als wij die wet hooren ontzenuwen, en de deur zien openzetten voor alle goddeloosheid en zedeloosheid, zoodat zelfs door leeraren en gemeente des Heeren dag stoutelijk geschonden, Gods naam gelasterd en misbruikt, de ontucht gevoed, de weelde gekweekt, en Gods volk onderdrukt wordt. Wat dunkt u, mogen wij, kunnen wij in zulk eene gemeente nog blijven ?
Allen die God vreezen hebben behoefte aan geestelijk voedsel. En waarin anders zou dat voedsel bestaan dan in Christus, het ware brood uit den hemel, en Zijn dierbaar getuigenis, dat voor het gehemelte zoeter is dan honig en honigzeem. Zoo ook de Heilige Sacramenten, die van God geschonken genademiddelen tot versterking des geloofs. Alaar waar kunnen wij in dezen chaos van verwarring van de Herv. Kerk dat geestelijk voedsel verkrijgen ? Wèl zijn er ja, door Gods genade, nog enkele getrouwe leeraars, die de Waarheid naar de meening des Geestes verkondigen, en de Sacramenten naar de instelling des Heeren bedienen.
Maar wat zijn deze onder zoovele ontrouwe leeraars, huurlingen en verleiders, die deze heilgoedèren der Kerk niet naar Gods eisch voorsteilen, ja, zelfs verachten of bespotten ? Waarheen moeten wij gaan, om voedsel voor onze zielen te vinden ? O, de nood is groot, en wordt nog grooter als wij ten gevolge daarvan ons leven verkwijnen, onze krachten bezwijken zien, evenals Israël weleer in dat land, dor en mat en zonder water. Zulk eene magerheid en dorheid ziet men, helaas ! in onze dagen bij al het volk des Heeren. En kan het wel anders, waar zooveel verdeeldheid en oneenigheid onder hen wordt gevonden, terwijl voor de leden der Herv. Gemeente de toegang tot de Tafel des Heeren zoo goed als gesloten is ; daar men immers niet kan aanzitten met openbare zondaars of met loochenaars der Waarheid in woord en wandel. Neen, men kan geen zegen hebben voor zijn hart. waar deze H. Sacramenten, in strijd met het bevel van Christus, aan rein en onrein worden uitgereikt. — Zoo zijn ook zoovele kinderen verstoken van het Sacrament des Doops, tegen het ontrouw bedienen, waarvan met recht door geloovige ouders bezwaar wordt gemaakt.
Wanneer wij dit alles in aanmerking nemen, hoezeer wordt men dan niet gedrongen zich aan zulk een lichaam voor goed te onttrekken.
Allen die in waarheid God vreezen, gevoelen zich ook ten zeerste geroepen, om door woord en daad des Heeren getuigen te zijn. Maar hoe kan men, zoo hooren wij door oprechten ons vragen, in zulk eene Kerk getuigen, waar allen om strijd werkzaam zijn, om den Heere en"Zijnen Gezalfde te smaden ? Kan daar de Kerk van Christus nog zijn, waar de grondzuilen dier Kerk worden ondermijnd of verbroken ? Is men niet ontrouw aan zijn heerlijke roeping, waar men met openbare of bedekte ketters eenige kerkelijke gemeenschap heeft ? Is het niet veeleer onze heilige plicht, om ons van zulk een Babel af te scheiden en ons aan een ander genootschap te verbinden ? Zal dat niet een veel beter getuigenis zijn, en waarop wij de goedkeuring des Heeren zullen ontvangen ?
Ziet, de door ons voorgestelde vraag is reeds ten hoogste belangrijk geworden. Doch dit zal nog meer blijken als wij letten : c. Op hetgeen rondom ons geschiedt. Overal waarheen ons oog zich maar richt, zien wij het volk des Heeren verdeeld e» verstrooid als schapen, die geenen herder hebben. Door gebrek aan geestelijk voedsel zijn zij vermagerd en dor. Bij gemis aan geestelijke gemeenschap met hun gezegend Hoofd, is de stok liefelijkheid en samenbinding verbroken, en het bijten en scheuren, als waren de schapen van Christus wolven geworden, is als het ware 'n gewoonte worden.
En wèl mogen wij met den ouden Godsman klagen : „Hoe is het goud zoo verdonkerd, het goede, fijne goud zoo veranderd? Hoe zijn de steenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen. De kostelijke deren Sions, tegen .fijn goud geschat, W zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarde' flesschen, het werk van de handen eens pottebakkers." (Klaagl. 4 vers 1 en 2),
Zoete banden die mij binden, Aan des Heeren lieve volk ! Zij, zij zijn mijn hartevrinden. Hunne taal mijn hartetolk. 't Zijn de kind'ren van mijn Vader, Van hetzelfde huisgezin ; Wij bestaan elkander nader ; Leven zaam in broedermin.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1920
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1920
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's