De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDEN EN DE ETHISCHEN. III.

In zijn boek „De Gereformeerd-Ethischen" gaat dr. De Vrijer ons nu in de 2de plaats beschrijven wie en wat de Ethischen zijn. (Blz. 45 etc.)

Hij zegt daar dit van :
Een breede groep van door het Reveil tot levend Christendom gewekten was niet in vuur te brengen voor kerkdijken, noch voor politieken strijd, waarom zij voor Kuyper totaal onbruikbaar materiaal vormden en al zijn hoon ontvingen. Uitgaande van het Nederlandsche Gereformeerde Protestantisme en zich bewust op de basis daar van te staan, werden zij in een hoek gedreven waarin zij oorspronkelijk niet hadden willen staan, door velen nu van onrechtzinnigheid beschuldigd. In het gereformeerd protestantisme wilden zij, zelf gereformeerd, slechts nadruk leggen op de onmisbaarheid der geestelijk ervaring, wat toch echt gereformeerd is, maar door gereformeerden dikwijls vergeten wordt. De doodigheid werkte reactie. De ethischen vreesden voor intellectualisme en formalisme, voor de heerschappij der koude logica, voor star-conservatisme, voor versteening in ondoorleefde heteronomie, van buiten op gelegde wetten, waar immers de gezagsleer der gereformeerden zoo gemakkelijk in vervalt. De ethischen stelden daar tegenover, dat de leer toch weinig waarde heeft, als zij niet innerlijk doorleefd wordt.

Hierbij was het gevaar groot, dat de weegschaal doorsloeg en men de norm van de H. Schrift zou loslaten ; dat men van objectiviteit tot enkel subjectiviteit zou geraken, om enkel te gaan steunen op persoonlijk inzicht in het geestelijk leven.Maar de groote mannen der ethische richting - zegt dr. De Vrijer - als Vinet, Daniël Chantepie de la Saussaye en J. H. Gunning Jr., hebben een dergelijke eenzijdigheid niet gewild. Men mag niet zeggen, dat zij de hoofdwaarheden van het Christendom nog wel vasthielden, maar toch eigenlijk voor een doorgangsstadium tot een zuiver subjectieve beschouwing van het religieuse leven te houden zijn ; evenmin dat het eigenaardige van hen was een afslijpen van de scherpe zijden der gereformeerde dogma's om te komen tot een verwaterde gematigde orthodoxie. „De gereformeerden mogen nog zoo neerzien op de ethischen, maar wee hun en hun Kerk, als niet de volle en machtige nadruk wordt gelegd op het beginsel, dat de ethischen omhoog hieven", roept de schrijver uit.

Alleen de edele vertegenwoordiger en het beginsel zelve mag als voorwerp van beoordeeling ons dienen. En „dan moeten wij ver van ons wijzen die volksmeening dat ethisch zou zijp orthodoxie zonder ruggegraat, halfslachtige-orthodoxie, die de oude vormen nog wel zou gebruiken, maar innerlijk daaraan vervreemd zou zijn. De „Heraut" van 5 Oct. 1919 zei o.a. „dat „ethisch" de aanduiding is geworden van een theologische richting, die van huisuit Duitsch, meer in Duitschland dan in ons gereformeerd Nederland thuis hoort. Het is een richting, die zwevend en onbelijnd is wat de belijdenis betreft; die om de „leer" weinig geeft, maar allen nadruk legt op het leven ; die de autoriteit der H. Schrift loslaat en drijft op het subjectieve gevoelsleven ; die de rechtvaardigmaking door het geloof alleen op den achtergrond schuift en de heiligmaking op den voorgrond."

Dr. de Vrijer zegt : „ik aarzel niet om het uit te spreken, dat deze opvatting die „nu eenmaal in ons land wordt gevonden", onjuist is. Zeker, er zijn ethischen, wier portret op die wijze juist is weergegeven. Maar zoo waren La Saussaye en Gunning niet! Dreven zij op het subjectieve gevoelsleven ? Legden zij allen nadruk op het leven, met weinig „geven om de leer ? " Lieten zij het gezag der H. Schrift los ? Het is gemalikelijk een richting, om de vereenzijdiging van velen harer aanhangers, in een hoek te duwen. Maar zoo kan men èlke richting bestrijden. Maar de gereformeerde Theologie zal moeten toestemmen, dat noch theorie noch praktijk op het eind van de 18e en in het begin van de 19e eeuw zóó hoog stonden, dat men de ethische richting om haar geboorte mag beschimpen. Door het gebrek der gereformeerden kwam zij, om te herstellen en aan te vullen wat ontbrak. En de ethischen smadend, — vergeet men eigen schuld !

Van gereformeerde zijde worden de ethischen dus gekarakteriseerd als „prijsgevende de gereformeerde eigenaardigheid voor het lokaas van een verwaterd christendom." En dat zeggen dan dikwijls zulke menschen — zegt dr. De Vrijer —„die aan de heiligheid van der ethischen leven nog ter knie niet reiken." (Blz. 51).De ethische zelf zegt, dat ethisch is „de belijdenis niet op te vatten als zaak van begrip alleen, maar ook van ervaring en karakter." (Prof. dr. W. J. Aalders, De Kerk, blz. 101).

Men sprak eerst van ethisch-irenisch : zoo N. Beets, J. I. Doedes, J. J. van Oosterzee, J. J. van Toorenenbergen, in het orgaan „Ernst en Vrede" (1853—'58). Tot hen behoorde ook La Saussaye Sr., die het ethisch beginsel dieper, theologischer opvatte, gevolgd door J. H. Gunning Jr. Zij legden nadruk op de universeele beteekenis van het geestelijke leven, ook voor het bewustzijn en op de objectieve openbaring, en onderscheidden zich van de door J. J. P. Valeton Jr. vertegenwoordigde Utrechtsche groep die nader stond bij Ritschl en zijn school, en in het geestelijke leven vooral het gemoeds-en wilsleven en de persoonlijke ervaring accentueerde.

De ethische richting vormt geen kerkelijke partij. Zij is zeer genuanceerd met veel onderscheidingen. Men onderscheidt rechts-en links ethischen, al naar men dogmatisch meer of minder overeenstemt met den inhoud der kerkelijke belijdenis en het gezag der H. Schrift erkent, en naar gelang men kerkrechtelijk meer of minder weten wil van handhaving van het belijdend karakter der Kerk.

Dr. de Vrijer zegt: met de ethischen bedoelt men die historisch geworden groep, die positief orthodox is, maar die levende orthodoxie wil. 't Zijn dus protestanten die welbewust willen blijven op orthodoxen grondslag en van dien grondslag uit aan het geloofsleven de hoogste waarde toekennen. Het is wel wonderlijk — zoo zegt dr. De Vr. — dat men dit nog telkens moet herhalen, want het feit is toch bekend genoeg. Maar voortdurend redeneert men, als waren de ethischen een tusschen-station tusschen orthodoxie en vrijzinnig, noch het een, noch het ander zijnde.

Uit bovengenoemde definitie (omschrijving) volgt „dat de ethischen geen kerkelijke partij vormen en ook nooit zullen kunnen vormen." Zij zijn slechts corrigeerende richting ; om te wijzen op het gevaar van intellectualisme, conservatisme en formalisme. Een ethische dogmatiek zou dus zijn een orthodox-protestantsche dogmatiek, .geschreven met nieuwe bezielde liefde voor 't orthodoxe beginsel en met vollen nadruk op den eisch der geestelijke ervaring.

Heeft de gereformeerde Theologie de correctie (aanvulling en verbetering), die de ethische richting wilde aanbrengen, aanvaard ? vraagt de schrijver.

Daarop zou het onbillijk zijn door „neen" te antwoorden. Zij heeft genoeg predikers die met grooten ernst op het ethisch element in de bediening des Woords wijzen. Maar ik aarzel evenmin om te zeggen, dat de correctie nog voortdurend noodig is. Want velen schijnen nog niet te verstaan dat tot de samenstellende deelen van de gereformeerde Theologie óók het ethisch beginsel behoort, dat beginsel, dat accentueert, dat men een intellectualistische beschouwing van het geestelijk leven niet de juiste acht. Ethisch beteekent, dat men bij de beschrijving en beschouwing van het innerlijk, godsdienstig leven met den geheelen innerlijken mensch, met al de innerlijke feiten en volledig met het hedendaagsche geestelijk leven rekening wil houden. Het ethisch beginsel is vooral een correctie van het intellectualisme ; het vraagt den geheelen innerlijken mensch, met verstand, wil en gevoel.

Men ziet echter tegelijk, dat het woord ethisch, alléén gebruikt, te vaag is. Het duidt op zichzelf geen levensbeschouwing aan. Het wijst alleen een correctie aan. De ethischen willen slechts, dat niet de geheele ziel des huldigen menschen gerekend wordt, als er over zijn godsdienstig leven gehandeld wordt, en niet met logica alléén. Met de ethischen, ""zooals wij ze in Nederland kennen, worden orthodoxe protestanten bedoeld die dat ethisch beginsel bij het orthodoxe geloof willen zien toegepast. Zij zijn dus tegenstanders van de intellectualistische gereformeerden, evenzeer als van de vrijzinnigen.

Ja, ook van deze laatsten 1 La Saussaye zeide : Er leiden geen wegen tot God buiten Woord en Sacrament om. De objectieve Openbaring staat bij La Saussaye en Gunning voorop. Zij zeiden, dat bij de beantwoording het licht der H. Schrift moest worden gezocht. „Dit laatste met dien verstande, dat, waar de Schrift iets leert, dat door den theoloog nog niet wordt ingezien, het gezag van het Schriftwoord geldt". De H. Schrift is geloofwaardig in zichzelf, d.w.z. wij geven haar niet het gezag, maar zij komt met gezag van Godswege tot ons. De belijdenis leert daarbij, dat wij de Schrift als normatief aanvaarden, niet zoozeer omdat de Kerk dit leert, maar inzonderdheid door het inwendig getuigenis van den H, Geest. In welk verband „De Heraut" van 17 November 1919 schreef : „Indien hij (n.l. ds. Netelenbos) wat den zijnsgrond van het gezag der H. Schrift aangaat, volmondig erkent, dat deze de inspiratie van de Schrift door den H. Geest is, en alleen wat den kengrond betreft, naar het getuigenis des H. Geestes in onze harten verwijst, dan kan zeker niet gezegd worden, dat dit in strijd is met onze Belijdenis." De H, Schrift heeft zijn gezag in zichzelf van Godswege ; maar wij kennen de Schrift en verstaan de Schrift alleen door de werking des H. Geestes.

Dor criticisme, bloot verstandelijk, en alleen rechtzinnig geheeten omdat het antimodern was vond men in de jaren 1862—'68 aan de Hoogescholen, zoo schrijft Hoedemaker en „het was een dronk koud water in die dagen van Gunning en Chantepie , de la Saussaye te lezen ; ze brachten ons weer naar de profetische Schriftbeschouwing, waarbij men weer een oog kreeg voor de eenheid der Schrift, geen overbodigen overgang naar de nuchtere exegese van Doedes" Het moet den orthodoxe toch met eerbied vervullen, wanneer hij ziet, dat in de dagen van 1860—'70 Daniël Chantepie.de la Saussaye en zijn vrienden het oude geloof verdedigden niet tegen een vrijzinnigen Jan Rap, maar tegen machtige kampioenen der vrijzinnige richting als Réville, Allard Pierson, Scholten, Opzoomer. 't Is de la Saussaye, die tegenover het liberalisme zich de belijdenis van Christus niet heeft geschaamd en hij leerde dat de Waarheid ethisch is, waarmede hij bedoelde, dat de waarheid aansluiting vindt niet in het verstand alleen, maar in de geheele persoonlijkheid, in het levenscentrum van den mensch. En wanneer hij betoogt, dat de christelijke leerstukken ethisch moeten worden opgevat, bedoelt hij daarmede niets anders (maar ook niets minder) dan dat zij van het intellectueele terrein moeten overgebracht op het dieper liggend terrein van het inwendig, persoonlijk leven ; wat hij een diepere opvatting van het christendom vindt dan bij de oude gereformeerde leer werd gevonden, ofschoon hier het ethisch beginsel nog het meest is gehandhaafd, meer dan ergens elders" (dr. A. M. Brouwer, Daniël Chantepie de la Saussaye, blz. 273). Daarbij trad hij op „tegen het confessionalisme, dat de belijdenis van voor eeuwen wil handhaven met miskenning van de ontwikkeling der Kerk."

Ds. de Vrijer merkt daar bij op : Er mogen wellicht heden confessioneelen zijn, die zulk een confessionalisme wenschen, het staat toch vast dat dè confessioneelen en in overgroote meerderheid dè gereformeerden een dergelijke versteening niet begeeren. Men kan en mag dus La Saussaye's woorden tegen de confessioneelen niet maar aanhalen om de huidige confessioneelen er mee te bestrijden. Wie weet, als hij nu leefde, of er dan in die reeks opmerkingen, over wat hij wel bestreed, óók bij zou komen : „hij treedt op tegen die Ethischen, die den objectieven grond van Openbaring en Schrift verwaarloozen !"

Willen de ethischen niet een belijdende Kerk ? En de oude Gunning was 't juist, die het de zonde der Kerk noemde, dat zij den naam van Jezus Christus niet beleed. Maar de ethischen voelen de zwakke plaats in een leuze gemakkelijk. En die zwakke plaats is er toch, óók in het door mij aanvaarde standpunt, dat een Kerk 'n positieve belijdenis behoort te hebben en van haar predikers en leden instemming daarmede moet eischen De reformatoren in de 16e eeuw hebben aan de Kerk de Heilige Schrift als eenig uitwendig beginsel teruggegeven. Op haar is de als band van gemeenschap aanvaarde belijdenis gegrond. Maar óók aan haar is diezelfde belijdenis corrigeabel. Die correctie in theorie heeft echter in de praktijk nooit plaats gehad, uitgezonderd de kleine herziening in 1618 en 1905, de laatste alleen in den kring der Gereformeerde Kerken in Nederland.

Gebondenheid aan de belijdenis behoort er in de Kerk te zijn. Maar wij zijn gereformeerde protestanten en dus beminnaars van de vrijheid. En hoe weinig nu denkt de menigte over de geweldige psychologische vraag, hoe de reformatorische vrijheid in overeenstemming te brengen zij met de onmisbare gebondenheid. De vrijheid der kinderen Gods is de vrijwillig aanvaarde goddelijke wet. Maar gebondenheid aan een door menschen, toch ook zondige menschen, al waren zij grootsche martelaars en kampioenen, en wel door menschen van voor bijkans vier eeuwen geleden opgestelde belijdenis, is iets anders als gebondenheid aan Gods zuivere wet: de wet des Geestes des levens, die mij vrij maakte van de wet der zonde en des doods. En aan den anderen kant : de vrijheid der kinderen Gods is iets anders dan de bandeloosheid en anarchie, waar wij, Hollanders, alleen enkele bacillen van in ons dragen. Zonder belijdenis geen Kerk, zelfs geen vereeniging ; of zou de belijdenis der Hervormde Kerk soms moeten worden : dat zij de Kerk is, die geen belijdenis heeft? Door ongebondenheid verliest onze Kerk haar karakter, of liever : haar karakter wordt haar karakterloosheid.

In de belijdende Kerk heeft de gemeente het recht als dienaar des Woords den man te kiezen, die haar het Evangelie brengt, dat zij, als gemeente, erkent. En de dienaar is zedelijk aan zijn opdracht gebonden. Maar hij is ook de dienaar des Goddelijken Woords, die niet mag omkijken, of de menschen toestemmend knikken bij eiken voetstap, dien hij zet. Hij is ook profeet , die Gods weg in de wereld en in de historie en in de enkele ziel moet wijzen. Die betrekkelijke vrijheid, die vrijheid om te profeteeren, dreigt door formalisme in de verdrukking te komen. Niet in theorie. Maar wee den man, die in vormen, in liturgie, ook maar een millimeter buiten den ouden ijk gaat.

Voor de vrijheid om te profeteeren hebben de ethischen gestreden, met heel veel fouten en eenzijdigheden en ook wel door slavernij. Ik zie hun fouten — zoo zegt dr. De Vrijer — maar ik zie óók hun groote verdiensten.

Menige gereformeerde klaagt tegenwoordig in zijn Kerk, dat het intellectualisme het probleem van Wet en Vrijheid verwaarloost en meent, dat het genoeg is, de leer maar uit te spreken.

Intellectualisme en modernisme komen zoo gemakkelijk dicht in eikaars omgeving. De ethischen zijn noch intellectualistisch noch modern. Hebben zij geen taak tegenover beiden, zij, die veel gesmaden, die voor halven en gematigd-orthodoxen uitgemaakten ?

MODERNE ZALIGSPREKINGEN.

Men heeft nu een tijd gehad dat men „dv/eepte" met de Bergrede, met de Zaligsprekingen. Of men ze ook verstond? Maar nu schijnt het weer uit te zijn. Men heeft blijkbaar iets nieuws gevonden. Althans in het Juli-Augustusnummer van „Het Nieuwe leven", 't maandschrift van den heer Kees Meijer ('t is „de Hervorming" die het ons meldt) begint C. S. K. een reeks „Moderne Zaligsprekingen", waarvan hij de eerste publiceert.

W'e nemen die eerste moderne zaligspreking hier over, v/oordelijk en onverkort en we zeggen er dan niets van. Dit banaal gedoe spreekt voor zichzelf. Het gaat over de Liefde (met een hoofdletter !) Men oordeele zelf.

1ste zaligspreking : „Er was een man. Die een vrouw had. Die samen in een wettig huwelijk verbonden waren. En rijk waren.: ..Toen na het eerste huwelijksjaar de hartstocht was uitgebrand, bleef de Verveling over, omdat zij de Liefde niet hadden gekend Toen zochten beiden hun eigen weg 

En het gebeurde dat de man op zijn weg een andere vrouw ontmoette, arm, maar rijk voor hem in vele goede dingen, zoodat hij thans de Liefde leerde kennen en zich vrij wenschte voor haar. En hij ging naar zijn wettige vrouw en vroeg haar zijn vrijheid. Maar de wettige vrouw weigerde afstand te doen van haar wettige rechten, zoodat hij treurig de liefhebbende opzocht om afscheid te nemen voorgoed, Maar de liefhebbende vrouw zei tot hem ': „Liever wil ik de tweede zijn in het oog der menschen en jou bezitten, dan de eerste in het oog der menschen en slechts bezitten je huis en je geld." Toen werd zij uitgestooten uit haar kringen en door haar verwanten geschuwd en veracht. Zalig zijn de grootmoedigen en die het licht der komende vrijheid dragen."

Het onderstreeping is niet van ons. De schrijver zelf deed dat. Men voelt, dat hij de zaligspreking bedoelt als een conclusie, waarbij de motiveering vooraf gaat. Het huwelijk als goddelijke instelling veroordeeld en verworpen. De vrije liefde geproclameerd Maar we zouden er niets van zeggen, omdat zulk banaal gedoe voor zichzelf spreekt.

IS DAT NU TE VERGELIJKEN ?

In Hekelingen is verleden jaar dr. Janssen als modern (Herv.) predikant gekomen uit de Geref. Kerk van Eindhoven, zooals men weet, en nu is daar een Evangelisatie begonnen, gesteund door orthodoxe predikanten. „Onze ziel walgt van die lichte spijze", heeft men in orthodoxen kring gezegd, en men heeft de moderne prediking den rug toegekeerd. Maar natuurlijk, we zijn dat onder ons, orthodoxen, al gewoon — zijn de vrijzinnige heeren dadelijk gekomen met allerlei dreigementen. Die naar de Evangelisatie gaat wordt onder de fijnen gerekend en aan fijnen verhuurt een ras-echte vrijzinnige geen huis ; melk van een fijnen melkboer lust een volbloed liberaal niet ; brood van een fijnen bakker begeert men niet. Ook hebben de vrijzinnige diakenen blijkbaar gezegd, dat „armlastigen" die naar de Evangelisatie durfden gaan, geen „bedeeling" meer zouden krijgen. leder zal dat dun vinden ! Dan is men in onze orthodoxe Evangelisaties toch royaler ! Daar zorgt men veelszins voor eigen armen en collecteert men niet zelden voor de Diaconiearmen, welke collecte men dan aan den modernen kerkeraad afdraagt!

Een heel ander geval doet zich voor in Utrecht — gelijk dat probleem in alle groote steden bestaat. Daar staan de diakenen voor reusachtig groote moeilijkheden. De uitgaven worden al grooter en grooter. 't Is onmogelijk om aan alles en aan allen te geven wat noodig is. Nu zijn er velen onder de „bedeelden", die nooit in de Kerk komen. Ze weten alleen dat er een „Groote Kerk" is, wanneer de nood aan den man komt. Als er weezen zijn voor het weeshuis, als er een oude vader of moeder is voor het diaconie-armhuis, als er armoede is en ondersteuning in geld of met versterkende middelen welkom zou wezen. Dan naar de diakenen ! En dan dikwijls met deze woorden ongeveer : „Ik ben lidmaat en ik kom eens vragen, of ik ook niet wat van de bedeeling krijgen kan." De diakenen te Utrecht staan bekend als „vakkundigen", die met hart en ziel trachten zoo goed mogelijk te volbrengen wat hun toebetrouwd is. En nu hebben ze aan de gemeenteleden een extra gave gevraagd om dat de financiën der diaconie dat noodzakelijk maakten, terwijl ze tevens hebben aangekondigd, dat niet maar rijp en groen zou worden bedeeld, maar dat de broeders diakenen zouden toezien, dat die gemeenteleden geholpen werden, die ook toonden met de Kerk mee te leven. Nu vragen we in gemoede : Zijn die broeders diakenen te Utrecht niet te prijzen, dat ze maar niet onverschillig te werk gaan bij het uitdeden der gaven ?

Maar nu heeft dr. Niemeyer gehoord van die liberalen te Hekelingen, welker gedrag is afgekeurd. Nu moet Utrecht er bij gesleept worden en in het Vrijz. Weekblad roept hij triumfantelijk uit: Als de orthodoxen de praktijken van de vrijzinnigen te Hekelingen veroordeelen, dan hebben wij, vrijzinnigen, meer oorzaak nog om die orthodoxe diakenen van Utrecht te laken. Want — en dan maakt dr. Niemeyer op zijn bekende manier een sprong — want, die zeggen, dat vrijzinnige armen niets krijgen van het geld der Herv. diaconie, omdat ze niet in de kerk komen bij de orthodoxe predikanten. Ziet, zóó kan men nu de dingen op z'n kop zetten. Alsof het geval Hekelingen en Utrecht te vergelijken is !

Door de „West-Friesche Kerkbode" is dit balletje aan 't rollen gebracht. Natuurlijk geheel de zaak verdraaiend. Want van een actie tegen de vrijzinnigen als zoodanig is bij de diakenen zelfs geen sprake. Zij hebben slechts aan de gemeenteleden een extra bijdrage voor de diaconiekas gevraagd en daarbij begrijpelijkerwijze gezegd, dat zij met het verleenen van hulp zich zullen beperken tot de hulpbehoevende lidmaten der Herv. Kerk, van wie gezegd kan worden dat zij ten minste blijk geven kerkelijk mee te leven — waarbij natuurlijk gedacht is aan die onverschillige massa, die er niet zelden bij is om het grootste deel brutaal op te slokken, om die voortaan wat terug te zetten en alle aandacht te schenken aan de belangstellende hulpbehoevende gemeenteleden.

Maar de „West-Friesche Kerkbode" zuigt hier aanstonds venijn uit en spreekt van de uitgesproken bedoeling der Utrechtsche diakenen om zoo de vrijzinnig-Hervormden te grieven.

't Welk ook ds. Pothoven in „Evangelisch Zondagsblad" zoo maar overneemt, om teatraal daarbij uit te roepen : „Neen ! onbeschaamder kan het niet. Hier is het toppunt van kerkelijke ongerechtigheid. Op die manier brengt de Kerk zich zelf om het leven !" Even uitblazen.

En dan — ja, dan moet men toch. weer erkennen, dat er bij de diakenen te Utrecht niets van die kerkelijke ongerechtigheid heeft voorgezeten. Dat er ook niets van in de circulaire staat. Dat het louter verzinsel is. En dat de diakenen te Utrecht toch nog niet zóo heel dom zijn, als ze aan de leden der Herv. Gemeente een extra bijdrage voor de Herv. Diaconie vragen en er bij zeggen, dat ze het geld niet zullen vermorsen, maar dat ze het met beleid zullen uitreiken en dat ze hun hulp zullen beperken tot die hulpbehoevende lidmaten der Herv. Kerk, van wie gezegd kan worden, dat zij ten minste blijk geven kerkelijk mee te leven !

Nu, dat de belangstellende armen wat voor hebben boven die onverschillige „paupers" zal ieder prijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1920

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1920

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's