Uit het kerkelijk leven.
DE GEREFORMEERDEN EN DE ETHISCHEN. IV.
Het spreekt vanzelf, dat de ethische richting, waar zij sterken nadruk legt op de onmisbaarheid der ervaring, aan het gevaar blootstaat in subjectivisme te verloopen. Maar het ethisch beginsel, zooals het zich historisch naar zijn oorsprong vertoont, was niet subjectivistisch. Toen in 1853 het ethische tijdschrift „Ernst en Vrede" werd gesticht, schreven Beets, Doedes en La Saussaye in de opdracht, „dat zij behoorden tot het getal dergenen, die het onbepaald gezag der Heilige Schrift niet alleen boven elk ander, maar ook boven alle bedenking stellen." En 's jaars daaraan herhaalden zij : „Wij achten de belijdenis in de leer afgelegd de noodzakelijke verklaring van die, welke afgelegd wordt door het leven, en tevens het middel, waardoor deze gewekt wordt." „Wij blijven dus, evenals vroeger, protesteeren tegen elke beschouwing der Kerk, die haar stelselmatig aan eiken wind van leering ten prooi zou geven, evenzeer als wij het blijven doen tegen elke beschouwing, die haar zou gelijk stellen met een op menschelijk verdrag en onderling goedvinden gegrond zedelijk lichaam of genootschap, enz." En Gunning zegt, dat hij mede bestrijden wil „de bewering, dat wij den toeststeen der Waarheid in ons zelve zouden hebben in plaats van in de objectieve openbaring Gods."
Dit is — zoo zegt dr. De Vrijer — toch wel een ander geluid dan het verwijt van subjectivisme, of van vaagheid, of van verwaterde orthodoxie, of van leervrijheid. Hoe wel bij Vinet en bij het Reveil wel iets daarvan is aan te wijzen, zooals Bavinck in zijn Geref. Dogmatiek.I, 193, 194 zegt. Maar de ethischen — zoo zegt dr. De Vrijer — zijn het met Bavinck eens, als hij Vinet aldus bestrijdt : „ De menigmaal herhaalde bewering, dat het Christendom aan 's menschen behoeften beantwoordt, brengt 't ernstig gevaar met zich, dat de waarheid pasklaar gemaakt wordt voor de menschelijke natuur Van de religieuse ervaring behoeven we hier niet te spreken; hoe belangrijk ze zij, als voldoende bewijsgrond voor de waarheid des Christendoms kan zij geen dienst doen. En wie haar verheft tot kenbron of norma van de geloofswaarheid, berooft deze allengs van haar historisch karakter en laat ze in eenige algemeene religieus-ethische stellingen opgaan. Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de reeds meermalen te vergeefs beproefde scheiding tusschen idee en feit in het christendom. De vrucht kan niet langer geplukt worden, als de boom wordt omgehouwen ; en het frissche heldere water stroomt niet meer, wanneer de bron wordt gestopt."
De ethischen zijn in beginsel niet vrijzinnig en begeeren evenmin een tusschenstation tuschen orthodox en vrijzinnig te zijn. Ze zijn orthodox. Zij staan op den grondslag van de aanvaarding eener objectieve openbaring. Daarom — zoo zegt dr. De Vrijer — is het niet juist van prof. Bavinck als hij van La Saussaye c.s. zegt, „zij zien in het zedelijke niet maar den grondslag, doch ook het beginsel en de norma van religie en theologie ; op voetspoor van Schleiermacher en Roth verheffen zij het zedelijke, als triumf van den geest over de natuur, tot de absolute macht en baseeren diensvolgens de dogmatiek op de ethiek." (Geref. Dogm. I, 268, 269). Dat is onjuist. Wat beteekenen anders die woorden uit de beginselverklaring, van , .Ernst en Vrede", die ik — zegt dr. de Vrijer - pas nog aanhaalde ? (blz 74) In het wezen van het ethisch beginsel ligt het stellen van het objectieve. Immers ethisch is hij, die den nadruk legt op het ervaren van het objectieve. Met La Saussaye zeggen we : deze stellige objectieve waarheid is door de Kerk van Christus bezeten en beleden, volgens de apostolische uitspraak : de Kerk eene pilaar en vastigheid der Waarheid (1 Tim. 3 : 15). Orthodox is dus, naar onze (ethische) opvatting, hij, die gelooft de Waarheid, die de Kerk belijdt... Is de Kerk een wordend, zich vormend, zich ontwikkelend lichaam, dat door wasdom en strijd zich van heterogene bestanddeelen ontdoet en zich het waarlijk menschelijke assimileert (in zich opneemt en verwerkt), dan is niet hij orthodox die op een der voorafgaande ontwikkelingsgraden blijft staan ; wij zouden dien eerder den naam van orthodoxist geven ; doch hij is orthodox, die de voorafgaande ontwikkeling in zich opgenomen, de geschiedenis der Kerk tot de zijne gemaakt hebbende, daarbij het oog heeft op de toekomst en het rijk Gods in het geloof ziet komen."
Nu mogen sommigen, die ethisch heeten, — zegt dr. De Vrijer — het subjectief orgaan, dat onmisbaar is tot waarneming van het objectief bestaande, tot eenig principium der kennis maken. Maar het is niet juist b.v. van ds. v. d. Sluis als hij in zijn „De ethische richting blz. 398 zegt : „dat (n.l. het subject tot beginsel en bron der kennis maken) doet de ethische richting". Dat is niet juist gezegd. Dè ethi'schen doen dat niet, zegt dr. de Vrijer (blz. 77). Zij zijn geen aanhangers van de theorie, dat geloof alleen maar zielebeweging is ; zij hebben onophoudelijk gesproken over Gods openbaring in Christus, dat is het eerste beginsel en dat hebben zij niet verworpen. Daar zijn geen wegen tot God buiten Woord en Sacrament om, zeide La Saussaye. En immers Bavinck zegt toch evengoed : „Zoowel de Roomsche als de Protestantsche theologie is bij het onderzoek naar den diepsten grond des geloofs uitgekomen bij het religieuse subject en moet hare positie nemen in het geloof der gemeente. Elke andere weg tot bewijs der religieuse waarheid ingeslagen, is gebleken eene impasse te zijn. Al het objectieve is slechts van uit het subjectieve te benaderen; het Ding an sich is onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld der klanken heeft slechts realiteit voor den hoorenden, de wereld der gedachten alleen voor den denkenden geest. Het is vergeefsche moeite, aan den blinde het objectief bestaan der kleuren te willen bewijzen. Alle leven en kennen berust op eens samenstelling van subject en object". (Geref. Dogm. I, 629, 630.)
Het probleem gaat niet om : of ervaringstheologie of Schrift-theologie. Maar het probleem is de psychologische benadering van de vraag, hoe het objectieve in het subject wordt opgenomen. Het lijkt mij — zoo zegt dr. de Vrijer — dat professor Honig het probleem te gemakkelijk stelt, als hij zegt: deze Ervarings-Theologie is onhoudbaar ; niet de ervaring, maar de Heilige Schrift is de kenbron der waarheid, de grond des geloofs, en het fundament der Theologie".
Honig weet toch ook wel, dat men zonder subject niet over het object spreken kan. Daarbij is het onjuist bovendien, dat de ethische richting subjectivistisch in wezen is. De ervaring die de ethische Theologie accentueert, veronderstelt het object en de objectieve openbaring.
Maar naast revelatie (openbaring) en manifestatie (bekendmaking) plaatsen wij als even onmisbaar de illuminatie (verlichting n.l. door den H. Geest). Het ethisch beginsel verwerpt de tegenstelling : leer óf leven ; maar het rust in de synthese (eenheid en samenvloeiing) van die beide. Indien de ethischen meer op de lijn van La Saussaye waren gebleven, zouden zij het ethisch beginsel naar zijn oorspronkelijke bedoeling meer hebben uitgeleefd. Maar, zooals ik (dr. de Vrijer) bij de gereformeerden wees op eenzijdigheden, zoo zijn ook de ethischen aan dergelijke gevaren niet ontkomen.
Bij hen was het zwakke punt dat, wat oorspronkelijk hun kracht was geweest : het subjectieve. Bij een deel bracht het tot verwaarloozen van het dogma en zoo ontstond de onjuiste tegenstelling bij hen : niet de leer, maar het leven ; terwijl zij naar hun wezen moeten staan op het standpunt van : leer èn leven. Zij hebben geprotesteerd tegen verdorring der leer ; hun reactie sloeg door tot een verwerping der leer ; het subjectieve wordt dan tot het objectieve gemaakt ; waarbij zij kwamen tot geringschatting der dogmatische omlijning en der kerkelijke organisatie.
Het zou dan ook — zegt dr. de Vrijer — gewenscht zijn, dat de ethischen, in plaats van te klagen over de dalende waardeering hunner richting, eigen eenzijdigheden herzagen.
Oorspronkelijk is het ethische beginsel niet een antithese tot het gereformeerde, doch slechts een correctie (verbetering en aanvulling) daarvan.
En hoe komt het nu dat velen in ons volk voor partijstrijd niets voelen en tóch den ethischen prediker, die ook geen partijman is, niet begeeren ? Ik wees al op het feit, dat zooveel ethischen de beteekenis van het dogma veel te laag hebben geschat. Het volk is niet bevredigd door beschouwingen, maar wil houvast. En dat gaf aan het volk het kribberig gevoel, dat de ethische dominé's wel orthodox waren, maar onbeslist ; wel goed, maar toch ontbrak er een bepaald geluid. De ethische richting kan wel klagen, dat in de meeste groote steden heden de kansel voor hen maar ter nauwernood open is ; maar zij heeft zelf ook schuld. En als zij die zag, zoude zij verder komen dan met de onderstelling van leelijke motieven bij confessioneelen en gereformeerden. Het gereformeerde type staat dichter bij die ontzaggelijke strooming van calvinisme, die in de 16de eeuw ons volk bezielde. De gereformeerde taal (ik bedoel hier absoluut niet de doode cliché-achtige formule) staat ons volk nader dan de kierkegaardiaansche stijl. Ons volk voelt dat negeeren van de bij ons volk diep ingegrifte dogma's wel aan bij de ethischen en loopt naar andere predikers, die de ziel des volks uitspreken. Ik denk hier aan de dogma's van de autoriteit van Gods Woord, van Zijn souvereiniteit, van de praedestinatie, van het eeuwig oordeel. Ons volk voelt zeer zuiver aan, dat veel ethische predikers daar te veel over zwijgen. De Dordtsche vaderen kenden de problemen aan die dogma's verbonden zeer goed; maar over die dogma's lieten zij toch een positief geluid hooren. En nu bedoel ik niet dat wij het volk naar den mond moeten gaan praten ; maar we moeten het niet onthalen op preeken, die buiten de ziel van het volk omgaan. Dat heeft de ethische richting veel te veel gedaan.
En mochten er punten zijn, waar de 16de eeuwsche belijdenis aan de Schrift herzien moet worden, dat men dan staande op den bodem dier belijdenis naar de betere formule zoeke !
Repristinatie mag het ideaal niet zijn, dat willen ook de gereformeerden niet ; maar laten de ethischen bedenken dat in negeeren van de historie en van de traditie en van de volksziel evenmin heil ligt. Het Nederlandsche christendom is calvinistisch gestempeld. Wie dat vergeet, blijft buiten de volkspsyche. Als ons volk tot bekeering komt, is het calvinistisch. Dit mag de revival-prediker evenmin als de ethische prediker vergeten. Het methodisme kan wel in ons volk ontginningswerk, omploegend werk doen. Maar slaat het zaad aan, dan blijkt de voedingsbodem calvinistisch en de bekeerden scheiden met smart van den zaaier.
Aan dat niet genoeg wortelen in dat Calvinistisch besef dat in het volkshart leeft, is voor een belangrijk deel de geringe populariteit der ethische richting toe te schrijven. De ethische prediker mag daar het volk geen verwijt van maken. Het volk is er niet voor den prediker ; maar de prediker is er voor het volk en hij heeft hun het Woord te brengen „naar zij het vatten kunnen." Het levend-gereformeerde Woord, dat boeit het volk. Het bloed kruipt, waar het niet kan gaan. Liever het gebrekkige gereformeerde Woord, dan het gecultiveerd-ethische. En uit conservatisme alleen mag men deze neiging niet verklaren. Wie in de Kerk komt, wil een man hooren, die niet met eigen woord, meening, stemming komt, maar die Gods Woord brengt; niet levenswaarheden noch wijsgeerige beschouwing, niet wat wij over God denken, maar wat God over óns denkt en het wonder, dat Hij aan ons dacht en denkt. Van de eeuwigheid in den tijd geopenbaard, van Gods souvereiniteit. Zijn praedestinatie. Zijn Raad in Christus geopenbaard wil ik in Zijn huis hooren.
Er is schuld bij de gereformeerden in deze — ik wees er op ; er is schuld bij de ethischen —: en zij hebben beiden een bizondere beteekenis. Eerst als door beiden wederzijds èn eigen schuld èn wederzijdsche beteekenis erkend zal zijn, is er mogelijkheid van vertrouwen en mogelijkheid van verzoening onder de orthodoxen. En verzoening is mogelijk alleen in de gemeenschappelijke aanbidding van Hem, die ons in het Woord wordt verkondigd.
Objectieve openbaring en subjectieve ervaring kunnen elkander niet missen ; en zoo wel gereformeerden als ethischen aanvaarden objectieve en subjectieve factoren in 't geestelijk leven.
Bedriegt zich mijn waarneming niet — aldus dr. De Vrijer — dan zijn heden ten dage veel ethischen moe van enkel subjectiviteit en verlangen zij in de prediking dat objectieve geluid ook weer te hooren.
„Elke formule is relatief" zegt men. Zeker ! de absolute formule voor geestelijke waarheden bezitten wij niet. Maar het is even zeker, dat wij de formule toch piet kunnen missen en dat wij bij al het menschelijk-gebrekkige der formule er ons toch bewust van kunnen zijn, dat de objectieve God achter de formule staat.
„Noodig is een diepere, inniger, meer ethische opvatting der geopenbaarde waarheid", heeft La Saussaye gezegd. De objectieve waarheid subjectief ervaren ; het zekere weten èn het zekere vertrouwen ; dat willen de gereformeerden, dat willen óók de ethischen ~ gereformeerd en ethisch is geen tegenstelling. Gereformeerde Theologie wil God kennen en Hem liefhebben. Niet één van beide, maar beiden, op grond van Zijn openbaring.
Hier ligt dus een gemeenschapsband van gereformeerd en ethisch. Gereformeerde Theologie is niet wetenschap van het religieus bewustzijn, maar wetenschap der kennisse Gods, gelijk die uit de Schrift, de belijdenis en de christelijke ervaring geput wordt. De redeneering, dat de nadruk behoort gelegd te worden op de ervaring van het door God in Christus geopenbaarde heil — dus de typisch-ethische redeneering — zal men in de gereformeerde Theologie evenzeer aantreffen. Maar bij de gereformeerden overweegt het gezag, dat in de Schrift van Godswege tot ons komt.
Ik ben — zoo besluit dr. De Vrijer het 2e hoofdstuk van zijn boek, waarop dan nog een 3e hoofdstuk volgt getiteld „De Gereformeerd-Ethischen" — „ik ben een gereformeerd theoloog en ik ben een ethisch theoloog. Maar van ethisch in den zin van verwaterde, gematigde orthodoxie, van ervaring zondermeer, daarvan moet ik niets hebben, evenmin als van de tegenstelling tusschen leer en leven. Zou ik echter de schoonheid en de diepte van het gereformeerd protestantisme zóó gezien hebben als ik niet ook aan de voeten van Vinet en La Saussaye had gezeten, als ik niet óver het Réveil naar Dordrecht was gereisd ?
Toen mijn studie mij dwong mij langdurig met de gereformeerde Theologie bezig te houden, kostte mij dit in den beginne moeite. Zou het niet zijn een grafkelder binnengaan? Nu achteraf weet ik, hoe vooroordeel mijn oordeel benevelde, ; en ik eindigde met liefde voor de diepte en innigheid der gerefor meerde Theologie. Toen begreep ik ook, waarom zoo dikwijls ethische preeken mij onbevredigd hadden gelaten. De rijkdom van de gereformeerde dogmatiek was er schuil gegaan voor matte orthodoxie.
Maar het is een eenzame weg, naar beginsel niet-vrijzinnig te zijn en bij de orthodoxen verdacht te wezen, omdat het formaat niet absoluut naar de gangbare markt is.
Gereformeerd en ethisch zijn geen tegenstelling."
De Jong-Gereformeerden.
Men wil graag Gereformeerd zijn en blijven. Dat hebben we reeds dikwijls bij sommige ethischen gemerkt, die o ! zoo tuk zijn op dien naam „Gereformeerd" en nu bemerken we het weer bij de z.g.n. Jong-Gereformeerden, aan wier hoofd de heer A. Dorst zich wil gaan stellen, hen oproepend om over te gaan tot het stichten van een eigen Kerkformatie. De heer Dorst behoorde tot voor kort tot de Geref. kerken, maar voelt zich daar niet meer thuis. Hij wilde toen overgaan tot de Herv. Kerk, maar vreest nu, dat hij 't daar te kwaad zou krijgen met de confessioneelen en gereformeerden ; daarom is nu zijn advies aan zijn jonggereformeerde geestverwanten om èen Jong-Gereformeerde Kerk te stichten en dan verder den loop der dingen af te wachten.
Dr. Niemeyer gaf in het „Weekblad voor de Vrijz. Hervormden" den raad om niet een eigen Kerk te stichten, maar te komen inwonen in de Herv. Kerk. Daar is men immers zoo vrij als een vogeltje in de lucht ! En voor de verdere ontwikkeling van religieuse en kerkelijke problemen kan het geen kwaad als zulke Jong-Gereformeerden, die naar nieuwer dingen staan en het in de Geref. Kerken te benauwd krijgen, tot de Herv. Kerk overkomen, om daar dan mee te helpen tot het verkrijgen van meer vrijheid (alias ongebondenheid).
De heer Dorst heeft evenwel geen zin om den raad van dr. Niemeyer op te volgen. Hij vindt het heel lief en vriendelijk dat die invitatie tot hem gezonden is. Hij vindt er ook wel wat vóór te zeggen ; héél veel zelfs. Maar die confessioneelen en die gereformeerden in de Herv. Kerk zijn en blijven de groote boeman voor den; leider der Jong-Gereformeerden.
Althans hij schrijft in „Bergopwaarts" (het ethisch blad, waarin o.a. prof. Obbink, ds. Coolsma van Groningen enz. schrijven ; zijn dat ook Jong-Gereformeerden ? ) : „Het is de vraag of in de Hervormde Kerk - werkelijk de vrijheid bestaat, welke er schijnt te zijn ; het is de vraag, of die vrijheid wordt erkend dan wel alleen wordt verdragen als eeri kwaad, dat men voorloopig niet kan keeren."
Om dan aldus te vervolgen : „Zeker; er zijn in de Hervormde Kerk velen, die deze vrijheid gaarne zouden erkennen, en als de Jong-Gereformeerden er heengingen, zouden er nog meer zijn. Maar een groot gedeelte beschouwt die vrijheid als een zondigen toestand, waaraan hoe eer hoe beter een einde moet komen. De Jong-Gereformeerden zouden dus door dien overgang van het eene strijdperk naar het andere overgaan. Ik geef toe, dat zij daar eerlijk strijd konden voeren, terwijl zij in de Gereformeerde Kerk eigenlijk niet mogen strijden omdat dit niet overeenkomt met hun belofte aan die Kerken. Dat zij haar verlaten, indien zij de belofte niet kunnen houden, is eerlijk, maar niet, dat zij wenschen, dat die Kerken zelf zich veranderen.
In de Hervormde Kerk zouden zij in elk geval het zedelijk recht hebben, voor een eigen principe te strijden, met erkenning van de rechten van anderen. Er zou dus zéker veel vóór zijn. Maar er is ook veel voor eigen organisatie, en naar mijne meening nog meer dan voor overgang naar de Hervormde Kerk".
Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de heer Dorst de dingen hoe langs hoe beter leert zien. Was vroeger voor hem — toen hij nog in de Geref. Kerken zich bevond — de Herv. Kerk het ideaal terrein voor vrijbuiters (hij kon ook moeilijk anders denken, als hem dat altijd is geleerd) zoo langzamerhand begint hij te merken, dat ook in de Herv. Kerk niet alles geoorloofd js en niet alles mogelijk is ; dat daar nog wei veel gedragen moet worden, wat niet recht is en wat niet past in het Kader van een belijdende Kerk, maar wat op den duur ook wel zal veranderen als de geestesrichting die nu aan 't woord is, nog wat meer veld wint.
Daarom gelooven we, dat de heer Dorst maar 't verstandigst doet om buiten onze Herv. Kerk te blijven. Dat kan hem voor groote teleurstellingen, wat die Kerk betreft, bewaren. Als we ten minste de volkspsyche eenigermate verstaan.
En waar overigens ook als voordeel van eigen, zelfstandige organisatie der Jong-Gereformeerden wordt aangevoerd, dat de Jong-Gereformeerden in een eigen gemaakte Kerk „kunnen blijven in de lijn hunner opvoeding", waar zij „zeer gehecht zijn aan de gereformeerde traditie", daar schijnt het dat ze zich te gereformeerd voelen voor het Hervormd kerkelijk leven.
In dat opzicht hopen we, dat het waar is, dat zij gereformeerd zijn en gereformeerd wenschen te blijven. Maar we vreezen, dat er op deze manier weinig of niets van terecht zal komen. Met het afschudden van wat men noemt „formalisme" vreezen we, dat ze met het badwater het kind maar meteen zullen uitwerpen. Vooral als men spreekt van „erkennig van de rechten van anderen", hetwelk men blijkbaar in de Hervormde Kerk nog wel wat meer zou zien toegepast en te veel mist.
Die zóó praten in onzen tijd en zich dan gereformeerd noemen, zijn in onze oogen gereformeerd met een vraagteeken.
Laten ze maar eens voor den dag komen en b.v. zeggen, wat ze gelooven aangaande de Heilige Schrift !
Overigens is het wel treurig, dat we nu langzamerhand een groote gereformeerde staalkaart krijgen : de Herv. (Geref.) Kerk; de Geref. Kerken ; de Christ. Geref. Kerk ; de Oud-Gereformeerde Kerk ; de Vrij-Gereformeerde Kerk ; de Dordtsche Gereformeerde Kerk ; de Jong-Gerformeerde Kerk !
En dan nog de Remonstrantsch-Gereformeerden.
Gelijk straks de Ethisch-Gereformeerden !
't Is toch wel te veel van het goede, dat we op deze manier krijgen. En dat in deze ernstige, veelzeggende tijden, dat meer en meer door de Gereformeerd-Protestanten vooral, moest worden gedacht aan de bede van den Heiland : ; , Heilige Vader ! Bewaar ze in Uwen Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij." (joh. 17 vers 11b).
Ja, de Heere beware ons en onze kinderen, opdat we één mogen zijn rondom Gods Heilig Woord in onze aloude Herv. (Geref.) Kerk !
Moderne Godslastering — de Anticlirist.
Zoo nu en dan komt er een van de modernen om ons, orthodoxen, eens even te zeggen, wat nu eigenlijk modern is.
In den regel hult men dat in nevelen enspreekt men vaag van geest en hoofdzaak, maar zoo'n enkele keer komt er een enfant terrible, dat eens klare klanken doet hooren.
Zoo nu weer ds. Bakels die het in de West-Friesche Kerkbode heeft over de Vleeschwording des Woords, naar aanleiding van hetgeen dr. A. H. de Hartog, van Amsterdam, daar pas over schreef.
Ds. Bakels zegt het geheele verhaal van de Vleeschwording des Woords best te begrijpen, maar wat hij tegen die Menschwordingsleer heeft, zoo schrijft hij in de „West-Friesche Kerkbode", is, dat het Christendom „die op zichzelf ware voorstelling-van-eene-Indaling Gods hult in een mythologisch gewaad van een God-Vader, die uit een meisje uit Nazareth een zoon doet geboren worden, enz. enz. enz. enz. Enfin, ik behoef er verder niets van te zeggen.
„Tegen die mythologische inkleeding hebben wij modernen het.
„Welnu, zoolang de gewone orthodoxie deze mythologische inkleeding nog au sérieux neemt, kunnen wij modernen ons er nog in denken, (al zijn wij het met haar niet eens, en noemen wij hare voorstelling van God, die een lijflijken zoon verwekt grof anthropomorphisme ; duidelijker gezegd: godslastering.) Maar die hebben we nu al zooveel eeuwen aangehoord, en we bemerken ze bijna niet meer, evenals men 't tikken van z'n huisklok niet meer hoort (door de gewoonte). Maar nu u, De Hartog, modern mensch, modern in hart en nieren, veel moderner( dit woord in gunstigen, cultureelen zin genomen) dan de meeste huis-, tuin-of keukenmodernen... nu ü. De Hartog, die heele oude Godszoonmythologie weer gaat oprakelen en „vergeestelijken", nu vinden wij, vrijzinnigen, dat een bron van buitengewoon groote verwarring."
Is zulke taal nu niet allerverschrikkelijkst? Want laat het waar zijn dat ds. Bakels een „enfant terrible" is onder de modernen. Wat hij zegt is toch eigenlijk zoo echt naar der modernen ideeën, dat we veilig mogen veronderstellen, dat de moderne in doorsnee niet anders denkt dan ds. Bakels hier schrijft.
En die zóó denken erj spreken lasteren God en verleiden de schare .
Hier geldt: „Hieraan kent gij den Geest Gods : alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; en alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; naar dit is de geest van den Antichrist, welke geest gij gehoord hebt dat komen zal en is nu alreede in de wereld." (1 Johannes 4 vers 2, 3).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's