Stichtelijke overdenking.
Want één dag in Uwe voorhoven is beter dan duizend elders ; ik koos liever aan den dorpel in het Huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. Psalm 84 :11.
EéN DAG IN UWE VOORHOVEN.
De 84ste Psalm is de psalm van den vrede gelijk de 119de van de bevinding, de 103de van de blijdschap, en de 51ste van het oprechte schuldbelijden.
Van den vrede, namelijk van dien vrede, die een kind van God kan smaken in de voor hoven Gods onder den dienst van God.
Een slechte Psalm voor onkerksche menschen, een heerlijke Sabbathszang voor de liefhebbers van het Huis des Heeren.
Als met de vogels is het met de menschen; er zijn wilde vogels die leven van roof en rondzwerven op levend aas, maar daar zijn ook musschen en zwaluwen, en deze, huiselijk van aard, bouwen hun huis, hun nest bij Gods altaren.
Daar is het rustig wonen, daar is stil genieten in blij gepeins en zalig overdenken. Welgelukzalig de mensch die bij U woont en wiens hart is op de woningen des Allerhoogsten
Want daar is de dienst Gods heerlijk in 't huis Gods.
Om vers 11 te verstaan, moeten we goed weten wat vers 10 bedoelt.
»0 God, ons schild, zie en aanschouw het aangezicht uws Gezalfden."
Wij zijn het eens met die uitleggers, die zeggen : die Gezalfde is Christus.
Dan ligt er zoo'n rijke gedachte in ! Dan is het de bede van Gods Kerk, dat God de Vader zal aanschouwen het werk van den Zoon.
En bij de aanschouwing Zijn oog in welgevallen zal laten rusten op wat Hij deed tot zondaren behoud, op de verdienste van Christus voor Zijn volk.
O, die 't bidden mag : „O God, ons schild, zie en aanschouw ! — die weet wat voor eigen hart. — Die weet, dat God zijn Schild is, zijn Bewaarder, zijn Zegenaar, en die weet ook, dat zijn gansche leven en zaligheid alleen volkomen en veilig is bij den Zone Gods, bij Christus, den Gezalfde des Vaders.
Die weet meer, dit ook, dat alle dienst in het huis Gods en leven onder dien dienst is te Zijner eere.
Als ik in dat licht vers 11 lees, dan is het van beteekenis. Bij de belichting met Christus' licht wordt de dag in Gods huis een dag van de rijkste zaligheid, wordt de dienst in Christus' tempel een zalige, levende hartedienst.
Oppervlakkig gezien is er vaak zoo weinig verschil, maar belicht door den Geest Gods is het verschil zoo groot tusschen een kind Gods en een kind der wereld, een Sabbatdag en een dag in den dienst der wereld.
Eén dag in Uwe voorhoven, dat wordt dan een dag van zaligheid, een dag van Christus' gemeenschap, van liefdedienst in Gods huis.
Hierbij sluit zich aan de tweede gedachte, namelijk dat de Statenvertaling een vergelijk maakt tusschen één dag in de voorhoven en „duizend elders."
Is die vergelijking juist ? Overdreven minstens ?
Eerlijke exegese gebiedt dat we niet denken aan slechte dagen en plaatsen, maar de beste stellen naast den allerbesten. En houden we dan vol, dat de dag onder den dienst Gods in 't huis Gods béter is dan alle, zegge alle andere ? Ook die in huiselijken of godsdienstigen kring doorgebracht ?
Ja — we houden vol, beter dan duizend elders ! Want de Heere zegt het Zelf: „daar heb Ik Mijn Naam en gedachtenis gesticht — daar wil Ik wonen, daar is Mijn rust, daar staat boven : Jehova sjama — de Heere is aldaar."
En al onze redeneeringen, ook de vroomste, zijn niet in staat om die waarheid omver te redeneeren. Van ouden datum, en door langdurige praktijk is het bewezen : daar is het 't beste.
Gelukkig ook ! Wij denken wel eens, zou de Heere er wel zijn, ziende op onze zonde ? Maar God zegt: Ik ben er. Ik blijf er. Ik zegen er. Ik troost er.
Daarom is die plaats zoo heerlijk, die dag, in Gods huis doorgebracht, en zoo, onder Christus' licht — dus met Christus Zelf — de zaligste.
En nu ten derde, sla de berijmde Psalm eens op — wat leest gij daar ? En wat heeft u dat nog te zeggen ? Ik lees en ik zing :
„Eén dag is in Uw ihuis mij meer. Dan duizend, daar ik U ontbeer."
En dat heeft wat te zeggen, zooveel, dat voor het matte, onbeteekenende invoegsel van de Statenvertaling : „elders", dat daarvoor het diepgevoelde, zielsontroerende : „daar ik U ontbeer" in de plaats treedt.
En ik voel dat dit eigenlijk de bedoeling en den zin goed weergeeft, want één dag in Gods huis lin het Godsgemis beteekent ook nog niets, maar één dag in 's Heeren voorhoven, in de gemeenschap van God, dat is alles ; onder Christus' licht is het de rijkste, de zaligste van mijn leven.
Nu komt het verband duidelijk aan het licht. Aanschouw, o God, ons Schild, Uw Gezalfde I want dan is er vreugde in mijn hart, als ik in Zijn licht inga in de heiligdommen mijns Gods en verkeer in Zijne gemeenschap.
Zouden de Avondmaalsdagen, zoo beschouwd, ' niet onder de beste te rekenen zijn ?
Met Gods Zoon, in Gods huis ; met Zijn werk in de ziel; met Zijn genade voor het leven ?
En nu komt het tweede gedeelte van den tekst.
„Ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid."
Gij bemerkt den gang der gedachte ; eerst was het, de dienst in het huis Gods bovenal; nu volgt: de dienst in Gods huis boven dien in de tenten der goddeloozen. •
Een latijnsch spreekwoord zegt : „Het minste van het meeste is meer dan het meeste van het minste."
Hier toegepast beteekent het: het geringste in het geestelijke is beter dan het meeste in de wereld.
Maar daar begrijpen de menschen niets van.
Anders zouden toch die duizenden der wereldlingen niet zoo „lang wonen" in de tenten der goddeloozen.
Ach, ze willen er maar liefst in oud worden ! Met geen stok kunt gij ze er uitjagen — ook niet met de staf van het Woord.
En niets is ook natuurlijker, dan dat een natuurlijk mensch volgt de passies zijner natuur.
Hoevelen kiezen rnet lust de heerlijke tenten der artistieke bouw en machtige kunstproductie, van wetenschap en techniek, waar de geesten verrijkt worden !
Hoevele anderen nemen een lustigen gang naar de vroolijke tenten der goddeloosheid, waar vreugd in het leven voor 't scheppen schijnt!
Hoevelen, verkocht onder de zonde, zoeken de duistere paden van de vunzige tenten der laagste gemeenheden, waar vuile 'hartstochten vrij spel hebben !
En hoevelen — en dat zijn de gevaarlijkste voor de godsdienstige menschen I — hebben vermaak in de fatsoenlijke tenten der ijdelheid, waar gepaste vroolijkheid en boertige scherts harten aftrekt van de dingen Gods !
Ach, of zij inzaigen, dat al deze tenten geen uur waar zielsgenot geven, en het bezoek te dier plaatse slechts overlaat een onbevredigd hart, een knagend geweten, een armzalige ziel.
Voorwaar, ook het meeste van al dit minste wereldgenot is nog minder dan het minste van 't meeste — in Gods huis en gemeenschap te smaken.
En raak zegt de dichter — nog liever een dorpelwachter aan Gods huis — het minste van 't beste — dan alles in de ijdelheidstenten van de goddeloozen.
Ook al moest hij altijd aan de deur staan —: al zou hij uit besef van onwaardigheid, uit gevoel van diepe verbeurdheid maar als uit de verte een blik slaan in de heiligdommen Gods, met hun offer en altaar, ja, al zou hij, als uit de verte, slechts een enkele toon opvangen van het lied der geloofsverheerlijking — dan nog — daar, bij de altaren, daar is 't beter dan overal waar de wereld zich vermaakt.
Ik denk aan die menschen, die onder de prediking „geheel oor" zijn, en met hun gansche hart alles willen opvangen en bewaren, van wat het getuigenis doet hooren. Die in waarheid zingen op Sabbatsmorgen :
Hoe branden mijn genegenheên Om 's Heeren voorhof in te treên. en wier lust het is, om den Heere Zelf in het heiligdom te ontmoeten, om Zijn goddelijke genade persoonlijk deelachtig te worden.
Wat hebben zij soms rijke Sabbatdagen ! Wat een zaligen kerkgang — onder Christus' licht in Gods gemeenschap !
Wat een blijde vree voor het hart van hen, die hoorden wat God sprak in troostrijke zaliging van de ziel zijner beminden !
Met hun oor bij 't Woord ! Met hun oog op 't offer ! Met hun hart bij de Waarheid !
O, 't minste van 't meeste is meer dan het meeste van het minste
Als zij er maar iets van genieten, dan zijn ze overrijk, en oververblijd, en overgelukkig. En dan zingen ze : Eén dag bij Uwe altaren is mij meer, dan duizend zonder U, waar ook, buiten Uwe gemeenschap.
Zou het geen recht kenmerk van zuiver genadeleven zijn, als de ziel zoo hongert en dorst naar het brood en 't water des levens ? Dan kan er zoo'n eerlijke vreeze zijn, die zegt: Och, als ik er toch nog eens buiten gesloten werd
Maar ook zoo'n hartelijk gebed : „Heere, geef mij ook een plaatsje bij U, opdat ik mij al den dag mijns levens in Uw Naam verblijde."
Ik denk dat de Heere hen niet zal verachten. Hij kent de smeeking hunner ziel. Hij zal genade en eere geven en 't goede niet onthouden als de nood en behoefte der ziel zich uitspreken tot den God des Levens.
O, wat zijn de tenten der goddeloozen van weinig waarde bij dezulken, en wat zoeken ze woning bij den Heere — tot troost van hart en leven !
Avondmaalsdagen zijn soms nog de allerbeste.
En als de Heere hen verwaardigt om over den dorpel te treden, en in Gods huis in te gaan met de feestvierende menigte, en bij brood en beker te gedenken aan den dood van Christus, en wat Hij verwierf voor Zijn volk, dan is de eenvoudige dorpelwachter, de stille luisteraar, de ootmoedige bidder, onder 't licht van zijn Christus, een dankende, Godverheerlijkende bruiloftsgast, die onder de aanzittende koningskinderen het lied der eere zingt zijnen Koning ten prijs.
Gelukkig, wie zóó kent een opgang naar en een ingang in Gods huis, en een toegang tot den troon der genade, vanwaar oogen van ontferming nederzien op ootmoedige tollenaren met de bede om genade in het hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's