Feuilleton.
Mogen wij de Herv Kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ds. A. VAN VEELO, destijds ± 1868 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
4)
Dat was weleer de taal van een godzaligen dichter. Maar waar vindt men in onze dagen deze woorden in praktijk gebracht ? O, hoezeer wordt ons hart met weemoed vervuld, waar wij kinderen van hetzelfde huisgezin op allerlei wijze gescheiden en verdeeld, en alle banden van vereeniging vaneen gescheurd zien. De één loopt hier, de andere daar, een derde elders, en allen roepen ons als uit éénen mond toe : Het Hervormd genootschap is de kerk niet meer ; haar herstel is onmogelijk I De Heere heeft het voor goed verlaten ! Het is een geestelijk Babel geworden ! Gij moet er uit, indien gij uwe ziel niet bezoedelen, en geene gemeenschap hebben wilt met de onvruchtbare werken der duisternis ; indien gij uwen Koning niet wilt verloochenen, scheidt u dan af. Indien gij niet in hare geestelijke hoererij deelen wilt, verbreekt dan alle banden die u daaraan verbinden. En waarlijk, wij moeten bekennen, dat zoo wij op het heden zoowel als op de toekomst der Herv. Kerk zien, dan schijnt wél alle hoop op herstel afgesneden. Geestelijke hoererij wordt meer zichtbaar en gruwelijke werken der duisternis worden toenemend openbaar. Wat dunkt u, is er nog iets dat ons belet eene besliste uitspraak te doen, om dus niet meer te vragen : Mogen wij ? maar met die broederen te zeggen : Wij moeten die gemeente verlaten ! ,
II
Doch laat ons niet als in het wilde rondtasten en zelf besliste uitspraak doen. Vragen wij liever den Heere in Zijn Woord, hetwelk toch ; alleen ons eenigst richtsnoer voor geloof en wandel moet wezen. Daartoe hebben wij het noodig geacht, om de beantwoording der door ons gedane vraag uit de Heilige Schrift op te sporen. Haar antwoord zal ons duidelijk worden, wanneer wij zien : a. Hoe de Kerk in Gods Woord wordt voorgesteld; b. eenige gemaakte bedenkingen hebben op gelost, en c. hoe de handelingen en voorschriften der Bijbel-heiligen zijn geweest!
De Kerk des Heeren wordt onder afwisselende toestanden in de gewijde bladen voorgesteld. Hoogte en diepte, voor-en achteruitgang, licht en duisternis zijn steeds bij afwisseling in de Kerk van Israël te zien. Schitterend toch was de morgenster, die zich aan den hemel vertoonde, als de Heere het verbond met Abraham gemaakt, ook bevestigde door het schenken van Izaak, den zoon der belofte; of als het Israël Gods, bevrijd van Egypte's dwingelandij, blijmoedig den weg optrad naar Kanaans vruchtbare dreven Doch hoe spoedig werd die morgenster verdreven ! Hoe ras vertoonden zich donkere wolken, die den glans der geestelijke zon voor het oog van Israël verborgen ! Snoode opstand en vijandschap tegen Jehovah en Zijne dienaren, afgoden-en beeldendienst en daarbij ook gemis aan de Heilige Sacramenten : besnijdenis en pascha — zijn gedurende de reis van Israël door de woestijn op zeer duidelijke wijze te zien. En als wij dan vervolgens letten op het in bezit nemen van het beloofde land Kanaän, onder leiding van den voortreffelijken godsman Jozua, hoe heerlijk breekt dan het morgenrood aan de oosterkimmen weer door. Israël wordt daar op zeer plechtige wijze aan den dienst van Jehova toegewijd door besnijdenis en pascha, en aldus tot een vrij en onafhankelijk volk verklaard, terwijl de vijanden-voor hun aangezicht uit hunne bezittingen worden verdreven, daar de Heere zelf hun opperbevelhebber en Zijne heilige wet hunne banier is. Hoe heerlijk klinkt de kloeke taal van den grijzen Jozua ons in de ooren : „Aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen", welke taal bij al het volk een uitiiemenden weerklank vond. Hoe zag een ieder Israëliet zich weldra in het bezit gesteld van het hem toegewezen landgoed, en kon hij met den godvruchtigen dichter zeggen: „De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, eene schoone erfenis is mij geworden."
Maar deze zoo heerlijke staat van Israels kerk en burgerij duurde waarlijk zoo lang niet. Weldra moest dat zoo heerlijke morgenrood, dat zulk een schoonen dag beloofde, weder plaats maken voor eene zwarte wolk van jammer en ellende. Immers gedurende de regeering der Rigteren was snoode afval van God en Zijne dienst op allerlei wijze te zien, voornamelijk in de vermen ging met vreemde volken, en het steeds toenemend zedebederf. Dit duurde tot aan de regeering van David, toen Israel weder begon te leven en te groeien, en vooral toen de groote Salomo den troon van Israël beklom, den tempel te Jeruzalem bouwde, de dienst des Heeren tot den hoogsten luister kwam, allerwege vrede en welvaart was te zien, , en het nakroost van Abraham veilig en rustig neerzat bij wijnstok en vijgebooffl. — Welk een schoone en heerlijke dag, waat in de Kerk des Heeren destijds verkeerde! Maar ook deze toestand was niet van langen duur.
Niet zoodra was Salomo ontslapen, en had zijn zoon Rehabeam den troon van Israël ingenomen, of heerschzucht van de zijde des vorsten en opstand en verzet tegen de wettige overheid van de zijde des voifó werd meer dan vroeger in Israël gezien; hetgeen, zoo men weet, ten gevolge had, dat de stammen van Jakob zich van elkander scheidden, en er van nu af eene altijddurende klove tusschen Juda en Israël g^' vestigd werd. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 september 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's