De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

26 minuten leestijd

De Gereformeerden en de Ethischen. V.

Dr. de Vrijer heeft ons nu gezegd wie de Gereformeerden en wie de Etischen zijn in hun deugden en in hun feilen. Een 3de hoofdstuk van zijn boek is er nu voor om een voorstel toe te lichten om te komen tot een synthese (verbinding, samenvloeiing) van Gereformeerden en Etischen onder den naam van Gereformeerd-Etischen.

Dat is, zegt dr. de Vrijer, geen contradictie (geen tegenstrijdigheid). Maar dan moet men het woord ethisch in den historischen zin noemen. Want de Etischen wilden immers Gereformeerd zijn, maar om dan tegenover het intellectualisme het ethisch element te verdedigen en op den voorgrond te stellen. Men bedoelde toch levende orthodoxie.

Waarom men dan niet eenvoudig van ethischen kan spreken, zonder meer ? Omdat juist als men alleen van ethischen blijft spre ken, men gewoonlijk allereerst denkt aan hen, die wel orthodox zijn, maar geringe waarde hechten aan de geloofsbelijdenis en aan de kerkelijke organisatie, terwijl ze er een kritische bijbelbeschouwing op na houden. Waren de Ethischen voorzichtiger geweest bij het overnemen der linksch-kritische inzichten, waarbij de Bijbel onderzocht wordt evenals een ander stuk litteratuur, en hadden zij er meer acht op gegeven, dat de linksche kritiek a priori een evolutionistisch-darwinistischen en hegeliaanschen bril had opgezet, dan was het nog wat anders geweest. Maar dat hebben de Ethischen niet gedaan en daarom is de naam Ethisch zonder meer ook voor ons niet meer te gebruiken. En vooral niet daar de aanvallen, waar aan de Schrift in deze eeuw blootstaat, niet op zich zelf te beschouwen zijn (blz. 102). Zij hangen ongetwijfeld samen met heel de geestesrichting der eeuw. 't Is niet alleen het hoofd dat hier mee spreekt, het is ook 't hart dat zich uit. En nu voelen velen, dat zij in de beste oogenblikken huns levens 't dichtst bij de Schrift staan, welke Schrift door anderen dan wordt geplukhaard. Dat wil niet zeggen, dat hier de traditie een en al zou wezen. De waarheid gaat boven alles.

Voor de confessie voelen de Ethischen dikwijls niet veel. Valeton zei : „Als de belijdenisschriften zijn opgemaakt en afgesloten zijn, kunnen zij worden ter zijde gelegd, en doen zij alleen nog dienst als uitgangspunt voor volgende rekeningen". Dat „ter zijde gelegd worden" is merkwaardig ; even als dat zeggen, dat zij niets meer zijn dan uitgangspunt tot volgende rekeningen. Zoo worden de belijdenisschriften op stal gezet en verwezen naar een lagere orde. Dr. de Vrijer zegt: ik stel de waarde der confessie veel hooger ; ik leg de oude rekening niet op zij ; ons geestelijk leven is heden te zwak, dat er iemand in ons land is die een hedendaagsche confessie zou kunnen opstellen !

Het confessionalisme bestrijden de Ethischen. Maar ze hebben ook hier te bedenken dat de gereformeerden in beginsel de confessie volstrekt niet boven Gods Woord stellen en als onverbeterlijk achten.

Ook gaan de Ethischen mis in hun gering schatten van de kerkelijke organisatie. Die lijkt mij — zoo zegt dr. de Vrijer pag. 104 — ten minste onmisbaar.

Als Valeton dan ook zegt : „Wat mij altoos weder verbaast, is : dat wie de realiteit van God en de goddelijke dingen kent, het nu ook niet alleen met deze durft wagen, maar daarnaast allerlei hulpmiddelen meent noodig te hebben om er in de wereld een plaats aan te verzekeren" dan lijkt dat mij — zegt dr. de Vrijer — een miskenning van de onmisbare hulpmiddelen van confessie en Kerk.

En als de ethische Valeton zegt, dat er geen kerkherstel gezocht moet worden, dan zegt dr. De Vrijer : ik hoor tot hen, die de Kerk wèl herstellen willen.

Om al deze redenen nu zou het niet gewenscht zijn de gereformeerd-ethischen een voudig als „ethischen" aan te duiden. Zij zouden dan allerlei last mee moeten voeren, die zij zelf niet als hun overtuiging beschouwen.

Nu is het dr. De Vrijer niet om een naam te doen, maar om de zaak. En daarom zegt hij : Men mag, wat mij betreft, gerust ook de uitdrukking gereformeerd-ethisch weer doen verdwijnen. De strijd gaat niet om een woord, mits de gereformeerde Theologie het stuk waarheid en het stuk reactie, waar de ethische richting de weerklank van was, maar ter harte neme. Ik zelf zou juichen, als de gereformeerde Theologie in nieuwen, rijken bloei zich toonde, als objectieve open baring en subjectieve ervaring samen in hooge harmonie gepredikt en door de Theologie beschreven werd. De Jong-gereformeerden willen dat ook. Zij willen gereformeerd zijn, maar ook het innige, het persoonlijke, het in de practijk des levens omzetbare. Zij willen een onderwerpelijke èn een voorwerpelijke prediking, maar deze in de taal van onzen tijd. De gereformeerde ethischen streven naar het ideaal van objectieve waarheid en den oproep tot subjectieve bekeering en heiliging, (blz. 106).

En omdat nu Gods Woord er is vóór de prediking van het Woord en de ervaring van het Woord, daarom wil dr. De Vrijer ook in den nieuwen naam gereformeerdethischen het objectieve laten voorafgaan en het subjectieve laten volgen ; en dus liever spreken van gereformeerd-ethischen dan omgekeerd van ethisch-gereformeerden. Dr. De Vrijer wil die gereformeerd-ethischen niet tot een nieuwe partij maken. Hij wees er al op, hoe de ethischen gekenmerkt worden door een afkeer van partij en partijstrijd. Ook wordt een partij zoo gemakkelijk eenzijdig en zou daardoor weer belemmerend optreden bij den bloei der gereformeerde Theologie.

Het is, zoo zegt dr. De Vrijer, eenzijdig van ds. Netelenbos geweest, toen hij zei : „Door de leer tot het leven, zegt de orthodoxie. Door het leven tot de leer is het ethische standpunt. Daarom zeggen de ethischen : „geen belijdenis, maar een belijdende gemeente" (volgens verslag Handelsbl. 26 Sept. '19 — de Haagsche Netelenbos-vergadering). Dat is te eenzijdig gezegd, zoowel ten opzichte van de orthodoxie als van het ethisch beginsel ; maar men wordt onder omstandigheden als waaronder ds. N. verkeerde wel eens in een hoek gedrongen, waar men niet hoort. (blz. 107). Daarom ook geen nieuwe partijstichting, omdat nu nog de scheiding tusschen de Herv. Kerk en de Geref. Kerken te sterk ds. Een groepeering van gereformeerd-ethischen zou, doordat zij èn in de Herv. Kerk èn in de Geref. Kerken zich bevinden en daar niet uit zullen gaan, door te groöte bezwaren gedrukt worden.

Maar wel is er — zoo gaat dr. De Vrijer voort - voor de gereformeerd-ethischen een taak weggelegd m.i. om onder de orthodoxen een zuurdeesem te zijn en zelf het positieve, rijke Evangelie uit te dragen, opdat de partijstrijd slonk en er in deze droeve wereld, die van ons christenen tegenwoordig het meest ons vechten bemerkt, meerdere geestdrift uitging voor het eeuwige Koninkrijk Gods. In de historisch gegeven groepen en Kerken is het hun taak tegen de doode orthodoxie te strijden, niet met booze woorden tégen booze woorden, maar door de betooning van de kracht van het Evangelie. Laat ons werken op de plaats waar God ons stelde en ons schip niet verlaten, tenzij wij in ons geweten overtuigd werden, dat Hij ons er van daan roept, en dan nog bedenken, dat de kapitein het laatst van dek gaat.

Een nieuwe partij zou geen enkel heilrijk resultaat geven. Wij hebben al Kerken en partijen genoeg. De gereformeerd-ethischen moeten louterend inwerken op de bestaande orthodoxe groepen, opdat èn gereformeerden èn ethischen zich leeren bezinnen en hun schuld belijden. Zoo kunnen de zielsverwanten elkander vinden. Hoeveel meer kracht zou er van ons uitgaan, als wij den Bijbel inniger en waarlijk-onderzoekender lazen ; als wij Calvijn en Vinet eens kenden, inplaats van ze ongekend te verheerlijken of te verwerpen.

Mijn illusie is niet — aldus dr. De Vrijer pag. 109 — een synthese (vereeniging) onder alle in de Christelijke Kerk aanwezige groepen te beoogen. Tusschen orthodox en modern kan ik bij alle verdraagzaamheid 'geen synthese bouwen ; om de wille van de uiteenloopende beginselen kan dat niet Exclusief is het Christendom, omdat wij niet strijden voor een meening, maar voor een voor ons met gezag bekleede meening, een dogma, hèt dogma van een verloren wereld en één Verlosser, den Gekruisigden, den levenden dien wij uit de Schrift en door de inwendige getuigenis des Geestes kennen. Die het hierin ééns zijn moeten samen aan de rechterzijde der scheidingslijn komen staan. En we hebben dat positieve Evangelie te beleven. „Daarom waarschuwen we hen, die de Christelijke ervaring willen, zonder de norm der H. S. Daarom wijzen wij gevoels-gereformeerden en intellectualistische op hun eenzijdigheden. Daarom kunnen we niet samengaan in een evenredige vertegenwoordiging waarbij orthodox en modern in één Kerk gelijk berechtigd zouden zijn." „Ik ben ook zeker, dat de orthodoxe ethischen wel een oogenblik aan deze laatste mee kunnen doen, uit vrees voor confessioneelen en gereformeerden, maar het is een coalitie, die op hun eigen ondergang zal uitloopen." „Doch dan zullen confessioneelen en gereformeerden van hün kant ook de oogen open moeten doen, dat zij bezig zijn menschen, die vlak bij hen staan en op de zelfde basis, weg te stooten." „De wereld is verscheurd. De Kerk is verscheurd. De orthodoxie is verscheurd." „Daarom roep ik hen, die gereformeerd-ethisch zijn, op, om mede te arbeiden aan den positieven arbeid, dien God in de Kerk en in de wereld gegeven heeft. Dan kon er, gelijk aan het begin der vorige eeuw, ook in onze dagen een réveil een piëtistische herleving, een nadere reformatie plaats grijpen en het gereformeerd protestantisme in ons vaderland in nieuwen bloei zich vertoonen. Dan kwamen er weer vele levende belijders van de eene belijdenis. Dan kon de Kerk herboren worden, omdat haar kinderen haar droegen. In vele stralen zou de heerlijkheid van Gods Evangelite schitteren. Wij zijn immers de nazaten dier gereformeerden, die van den beginne af wel sterk gestreden hebben om eigen beginsel scherp te omlijnen, maar die óók van den beginne af de banier der gewetensvrijheid om hoog geheven hebben. Zou er, bij erkenning van eigen eigenaardigheid tusschen orthodoxen, geen vertrouwen mogelijk zijn, iets van die paulinische felheid : „Indien u iemand een ander Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt" gemengd met de paulinische tolerantie : „indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren."

„De beteekenis der gereformeerd-ethischen zou dus liggen in een met nieuwe geestdrift betuigen van het centrale in het gereformeerd protestantisme."

En dan — zoo gaat dr. De Vrijer verder — dan denk ik hierbij met sympathie aan wat in dezen reeds gedaan wordt door de Evangelische Alliantie en door de Hervormde Broederschap ; aan de Utrechtsche Predikantenvergadering, aan menig artikel in de „Gereformeerde Kerk." „De strijd tegen beuzelingen moet aangebonden. En dit te meer, omdat schijnbaar in de Herv. Kerk de beteekenis van confessioneelen en gereformeerden toeneemt." „Ik zeg „schijnbaar", omdat het succes aan allerlei bedenkingen en gevaren onderhevig is. Het succes trekt de zwakke karakters en doordat er velen zijn die de confessie zelfs niet kennen is inzinking te wachten."

„Een groot gevaar is hierbij, dat inplaats van de waarachtige principiëele inleving in de gereformeerde Theologie, het uitwendige herkenningsmiddel wordt geschoven, door liturgie en door de wijze van uitspreken van Gods heiligen Naam ; neem ook maar de Gezangenkwestie. Een proponent kan geen draad waarlijk gereformeerde Theologie in zich hebben en dan door zijn liturgie de menschen in den waan brengen, dat het wèl zoo is." , ,

De cultus eischt vaste vormen. Maar wee het formalisme, dat meent, dat de materie niet deugt, als de vorm niet onherroepelijk de geijkte is."

„De gezangenhaat zit er bij tal van gereformeerden zóó diep in, dat men er feitelijk met hen niet over spreken kan. Het verzet heeft verschillende oorzaken. Het begon in het begin van de vorige eeuw al om de wijze van invoering. Dan vooral : het bezwaar tegen rationalistische tendenzen en slappe religiositeit in verschillende van de bestaande gezangen. Ten slotte is er het bezwaar, gegrond in een onjuist inspiratie-begrip : „In Gods huis alléén Gods Woord." Maar dan moet men de prediking en het vrije gebed ook weren en tot onwrikbare Roomsche liturgie terugkeeren. Zou dan de H. Geest onder het nieuwe verbond geen Godgewijde zangers bezield hebben om het kruis en den levenden Koning te bezingen ? Bij de redeneering : „wij hebben aan de psalmen genoeg", waarbij men in het psalmvers de Nieuw-Testamentische vervulling inlegt, vergeet men, dat men dan tot dezelfde moeilijkheid komt, die de 17de eeuwsche theologen al bespraken, n.l. als in het Oude Testament het geheele Evangelie ligt, waarom was het dan noodig, dat de Christus in de historie moest verschijnen ? "

„Door enkel-psalmzingers als minderwaardigen te beschouwen is al heel veel bedorven en juist onder hen zitten uitnemende elementen. Door verachting bereikt men de zielen niet. De nieuwigheden op liturgisch gebied zijn lang niet altijd ingevoerd door hen, die het diepst uit de belijdenis leefden, en de diepste liefde voor de gemeente hadden" (blz. 118). „Maar toch het Evangelie maakt vrij van traag conservatisme en vooroordeel en de prediker behoort dit aan zijn gemeente te toonen. Hier nu hebben de gereformeerd-ethischen een taak. Wij moeten het zuivere gereformeerde geluid laten hooren, dat niet enkel in geijkte termen bestaat; de gemeente moet weten, wat zij aan ons heeft. Daarbij moet de predikant een, persoonlijkheid zijn. Het gaat om de waarheid", (pag. 119).

„Wij moeten niet napraten ; maar de kleine dingen leeren klein zien en de groote dingen, groot achten, 't Gaat om de zaak van Gods Kerk. En laat ons, die innerlijk weten uit het gereformeerd protestantisme te leven, nu ook in heel ons leven, ook in ons kerkelijk leven, ook in onze liturgie, begeeren dien innerlijken schat te openbaren. Laat ons toch toezien, dat de welvaart der orthodoxie niet haar eigen ondergang door decadentie (verval, achteruitgang) worde." (pag. 120).

Ook over de organisatie van de Herv. Kerk moet hier gesproken. We kunnen hier 't beeld gebruiken van een schip in nood. De mannen van '86 zijn in de reddingsboot gegaan ; zooals ze zeggen, omdat ze van dek gejaagd zijn.

Die heengingen zullen ons, die bleven, moeten leeren verdragen. „Het is geen onbeslistheid, maar liefde, die ons doet blijven, liefde tot ons moederschip. En zij mogen bedenken, dat een billijk oordeel eerst over 300 jaar mogelijk zal zijn, als ook de Geref. Kerken, die nu ten deele nog in het vuur der eerste generatie staan, tot een oude Kerk zullen geworden zijn.

Aan dek bleven in 1886 gereformeerden ethischen, 'evangelischen en vrijzinnigen.

„Leidsman der gereformeerden aan dek was Hoedemaker. Zijn aanhangers, de confessioneelen, wilden de in de Herv. Kerk nooit afgeschafte belijdenis weer tot gezag brengen. Daartoe is tuchtoefening noodig en om deze te kunnen oefenen een andere organisatie der Kerk.

Onder de confessioneelen is echter oneenigheid gekomen door de oprichting van den Geref. Bond. De statuten van dezen Bond en van de Confessioneele Vereeniging zijn in hoofdzaak gelijk — zegt dr. De Vrijer, die, zooals hij nadrukkelijk er bij zegt, zijn wijsheid hier put uit de brochure van ds. Lingbeek, „De Geref. Bond en de Confessioneele Vereeniging." (pag. 121).

„Toch zijn er bij gelijke woorden innerlijke en uiterlijke verschillen. Waar de Bondsmannen komen verstomt het Nieuw-Testamentische lied en waar zij komen sterft het Avondmaalsbezoek weg."

„Om op het beeld van het schip terug te komen : zoowel Gereformeerde Bonders als confessioneelen willen, dat de anderen van dek gaan. 't Verschil gaat over de kwaliteit van wie er af moeten ; menig confessioneel huivert, dat hij eerst zou mogen helpen vrijzinnigen en ethischen te doen heengaan en daarna zélf van boord zou worden gezet."

„Tot reorganisatie is tweeërlei noodig, dat nu ontbreekt : vooreerst een reformatorische beweging onder het volk. En dan ontbreekt een machtige organisator. Reorganisatie is onmogelijk zonder de aanwijzing van een duidelijk afgebakenden weg ; onmogelijk zonder de doorzetting van een leider."

„De plannen van boedelscheiding zijn veel te vaag. Hoe moet zij uitgevoerd worden ? De Kerk in het midden van het dorp heeft een ideëele waarde en die er uitgaan of moeten uitgaan, zullen zich met een geldsom zeker niet te vreden laten stellen.

En dan : wij kunnen wel spreken over broederlijke tucht, maar als het tot de, daad zal overgaan, zal het tot ontzaglijke moeilijkheden, tot uiterst pijnlijke conflicten komen, tot daden, waar ik voor terugdeins, als ik denk, dat de meerderheid van de helft en één ze zou moeten doorzetten. En op een vrijwillig heengaan van de vrijzinnigen, 'n enkele kleine groep daargelaten, behoeven wij niet te rekenen. Dat doen zij zeer stellig niet."

„Den wensch : „De Kerk behoort de belijdenis van Jezus Christus op positieve wijze uit te dragen", deel ik. Maar hoe daartoe in de vergroeide toestanden te komen ? Want de vrijzinnigen willen op hetzelfde schip verschillende kapiteins en een onderling verdeelde bemanning laten en gaan niet zonder meer van boord. De ethischen willen voor 'n klein deel aan evenredige kapiteinsvertegenwoordiging meedoen. Ik zelf — zegt dr. De Vrijer — voel voor meer dan één kapitein aan het stuurwiel niets. Nu vaart op één schip een innerlijk verdeelde bemanning en het schip vergaat. En voer iedere groep naar eigen ideaal, dan zou het geestelijke resultaat den triumf der gekozen richting bewijzen. „Maar stel nu dat er een gemeenschappelijk beginsel onder de orthodoxen de overhand begon te krijgen, zou dan de Kerk te redden zijn ? " (pag. 124). Moet men dan de vrijzinnigen uitnoodigen van schip te gaan, hen in een reddingsboot zetten met proviand en zoo ja, hoe ? De laatste tijden is er wederzijds een inzicht gekomen, dat eenvoudig dwingen van boord te gaan, onmogelijk is."

„Daar komt nog een punt bij, dat juist nu er tóe aanzet om het probleem onder de oogen te zien, dat is : de financiëele nood der Kerk en speciaal der predikanten. In dezen moet voorzien worden. En bij de huidige organisatie is een afdoening van den financiëelen nood, die inderdaad een levensprobleem is, onmogelijk. Een minderheid, die geen enkel uitzicht op bevrediging heeft, zal heden de oplossing verhinderen." (blz. 125).

„Zal dus door den financiëelen nood ten slotte de Herv. Kerk uiteenvallen ? Wie daar op hoopt, overwege eerst de geweldige geestelijke schade, die daarvan het gevolg zou zijn. Daarom zie ik de oplossing (aldus dr. De Vrijer) in de differentiatie (verscheidenheid) in de Herv. Kerk waarop de modus Vivendi der Utrechtsche professoren in 1916 terecht wees. Wat nu heet de Herv. Kerk met haar Synode, dat moest den naam krijgen van het Hervormd Genootschap met een algemeen administreerend bestuur, zooals de huidige Synode ook feitelijk is. Dit Herv. Genootschap moest dan omvatten alle huidige Hervormde gemeenten en goederen. Doch wat het geestelijke betreft, moest dit Genootschap gedifferentieerd worden naar de bestaande of nog te ontstane protestantsche richtingen: gereformeerd, confessioneel ethisch, evangelisch, vrijzinnig. En elk dezer richtingen kieze haar eigen organisatie. Mijn groep zou dan mijn Kerk wezen." (blz. 125)

„Hiermede zou gewonnen zijn : vooreerst dat de vergroeide toestanden betreffende eigendommen, de eeuwenoude rechten buiten spel bleven, waar hèt de oplossing van het kerkelijk vraagstuk geldt. Immers alle goederen en rechten bleven in het Hervormd Genootschap."

Vervolgens zou er op deze manier een eind komen aan den hatelijken partijstrijd en de leertucht zou zoo mogelijk worden, daar de leden zelf bepaalden bij welke groepskerk ze wilden behooren.

Neem als voorbeeld de gemeente Amsterdam : Door stemming behoorden de leden dan uit te maken, tot welke groep zij wilden gerekend worden. Elke groep kiest zijn eigen kerkeraad en naar evenredigheid van het aantal stemmen, dat uitgebracht is, zijn eigen predikers en naar evenredigheid werd evenzoo het aantal kerkbeurten verdeeld. Natuurlijk — evenals bij het bijzonder onderwijs, met bepaling van minimum getallen en waarborgen, opdat niet een enkele malcontente om futiele redenen een groepje ga vormen. Wat bij het bijzonder onderwijs tot in het kleinste dorp kan •— aldus dr. De Vrijer — waarom zou dit voor groepenformatie bij de differentiatie der Kerk ook niet kunnen ? "

„Men zal mij tegenwerpen, dat dit veel lijkt op de door mij veroordeelde evenredige s vertegenwoordiging. Toch is het punt, waar juist de tegenstanders der evenredige vertegenwoordiging over vallen, dan weggenomen. Dat punt, dat er in één Kerk tweeërlei waarheid verkondigd wordt, wat ook ik (dr. de Vrijer) niet dragen kan. Dat ware dan echter wég, want in mijn groep, welke dan voor mij mijn Kerk zou zijn (de combinatie van groepen immers is slechts een administratieve maatregel) ware niet langer tweeërlei waarheid.

Waar in het voorstel der Vrijzinnigen (reglement op de filiaalgemeenten) het Herv Genootschap als geheel de Kerk wil laten blijven, de Moederkerk, met verschillende dochters dan van verschillend type ; of anders uitgedrukt: de ééne firma met verschillende filialen, die namens de ééne firma verschillende waar te koop bieden — daar wil dr. de Vrijer iets anders — Hij zegt (pag 127) „Bij mijn denkbeeld is het geheel niet: de Kerk, maar een administratief genootschap en mijn groep zou mijn Kerk zijn. De huidige toestand moet men toch als het historische reëele feit nemen, of men wil of niet. En de belijdende Geref. Kerk kan dan georganiseerd worden naar Ideëel kerkbegrip".

„In één opzicht zijn wij sinds 1916 vooruitgegaan n.l. in het inzicht, dat naar een modus Vivendi — een wijze van samenleving — in de Hervormde Kerk gezocht moet worden. En bij den ontzaglijken geestelijken en •financiëelen nood zeg ik : de zaak moet nü geregeld worden, of de Hervormde Kerk gaat te niet."

„Nu neem ik — aldus dr. de Vrijer op blz, 127 — nog een voorbeeld om den huldigen toestand te typeeren : Zeist-hervormd heeft drie predikanten, twee orthodox en één gereformeerd. De Kerkeraad is gereformeerd. D.w.z. twee predikanten vinden voor hun werk en groep geen stem in den Kerkeraad ; en omgekeerd de kerkeraadsleden, die officieel den dienst bijwonen, ergeren zich maar en bij iedere aftreding hatelijk stembusgevecht. Bij de door mij bedoelde differentiatie zou elke groep (Kerk) zijn eigen kerkeraad hebben en een aantal beurten naar verhouding van de uitgebrachte stemmen. Op plaatsen met één predikant zou op dezelfde wijze de meerderheid haar predikant krijgen, wat nü ook gebeurt, en de minderheid beurten naar rato. Voor de catechese zou evenzoo een oplossing gevonden kunnen worden."

„Alleen aldus ontgaat men den bitteren strijd over de verdeeling der kerkegoederen, over uitzetten of doen verlaten van de Kerk. alleen aldus zal het mogelijk zijn, dat iederen, die in de oude Hervormde Kerk is en er niet uit wil, ook bereid zal zijn voor haar te offeren."

„Maar — en nu keer ik tot de gereformeerd-ethischen terug — dan zal de orthodoxie niet in twintigtal kleurtjes en richtinkjes verscheurd haar eigen vernietiging moeten zoeken, maar als één machtige groep, met verschillende schakeering, moeten optrekken.

Op die manier kregen wij, orthodoxen, in onze groep een Synode, die het geestelijk vertrouwen en de geestelijke leiding zou nemen, wat bij de huidige organisatie, ook al zou de huidige Synode eerlang 45 leden tellen, niet mogelijk is. Als door deze differentiatie in mijn groep de belijdenis weer tot haar recht was gekomen, zou onze taak niet ten einde zijn. Zij begon dan eerst recht dan begon, wat de 17e eeuwsche piëtisten noemden, de nadere reformatie : die belijdenis uit te dragen, levend te bezitten, als levende Kerk haar in de taal en naar de nooden en problemen van onzen tijd te formuleeren, door het licht van Gods Woord en door het getuigenis des Geestes. Als de Kerk gereorganiseerd is, mogen wij niet inslapen bij de gedachte, dat wij nu een zuivere Kerk hebben. De strijd en de waakzaamheid moet dan verdubbeld worden, Maar het zal kunnen, als de Geest ons drijft. Dan zouden wij temidden der ontzaglijke sociale nooden de stem laten hooren, die bij allen maatschapelijken strijd toch de laatste en eenige is, die een hongerend menschenhart vertroost: de stem van God, Zijn Woord, Zijn Profetie, Zijn Zoon Jezus Christus ; en onze Kerk verkondigde in zwakheid en gebrek tóch Zijn heerlijkheid. Dan zou het kruis in al zijn troost en verlossing wel aan de zielen in onze Kerk gebracht worden en in onze Kerk zou de liefde de band der volmaaktheid zijn." (pag. 128).

Niet lijdelijk ~ maar actief zijn.

God is de Schepper van het heelal. De gereformeerde leeft uit dit woord, waarmee del Heilige Schrift aanvangt. Hierin ligt voor hem het fundamentstuk voor héél het leven, De eerste openbaring welke de Heere Zich geeft, is die, dat Hij is de Schepper.  En zoo komt van stonde af aan naar voren, dat God recht heeft op alle dingen. In God wordt dan ook door den gereformeerde uitgang en het eindpunt gesteld. „Want in Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheld. Amen." (Rom. 11 vers 36).

Alles bestaat om Gods' wil. Zijne eer is het hoogste doel der schepping. Gelijk Psalm 148 in verheven jubelzang al het geschapene oproept tot het prijzen van Gods Naam „alle Zijne engelen, zon en maan, de lichtende sterren, de hemelen der hemelen, de wateren die boven de hemelen zijn ; de walvisschen en alle afgronden ; vuur en hagel sneeuw en damp, de stormwind, die Zijn woord doet, de bergen en alle heuvelen, vruchtboomen en cederboomen, wild gedierte en alle vee, kruipend gedierte, gevleugeld gevogelte ; de koningen der aarde en alle volken ; vorsten en alle rechters ; jongelingen en' maagden ; de ouden met de jongen ; dat zij den Naam des Heeren loven. Zijn Naam alleen is hoog verheeven ; Zijne majesteit is over de aarde en den hemel."

Datzelfde leefde ook bij den Heiland en Hij heeft het de Zijnen op de lippen gelegd, om te bidden aan al de plaatsen van 's Heeren heerschappij : „Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede." Die beden moeten bij alle goed gebed vooropgaan !

De leuze van den gereformeerde is dan ook, zooals bij Calvijn : God moet in alles aan zij eer komen ! En die Godsgedachte heeft de gereformeerde met onverschrokken consequentie door te voeren op alle terrein des levens. Men moet niet met den mensch beginnen, maar met God ; en van God uit moeten alle dingen worden bezien. Overal moet het Goddelijk richtsnoer aangelegd worden, wijl God alles geschapen heeft, en dit alleen om Zijns zelfs wil. Hierbij heeft de Heere Zichzelven geopenbaard in Zijne werken ; bovenal door Zijn Woord.

God als aanvang en einde van alles te stellen, is de eenig Schriftuurlijke en zuiver Christelijke wijze van doen die ons, menschen, past en geboden is. En voorzoover deze zaak binnen het bereik van den Christen valt heeft hij deze door te denken en door te voeren, daarbij den moed hebbend, om te bekennen dat veel gaat boven zijn doorgronding, 't welk hij evenwel stil geloovig aanvaardt, naar Gods Woord. Juist brengt het stellen van het uitgangspunt in God dit mede.

Uit het ernstig rekenen met God als Schepper vloeit voort dat de Christen op het gansche leven beslag komt leggen en dit wil omvatten. Wijl God de Schepper van de aarde is, bestaat er niets, hoegenaamd niets, noch wat vorm, noch wat inhoud aangaat, waaromtrent de Christen onverschillig mag zijn. Staat en maatschappij, kerkelijk en huiselijk leven, wetenschap en kunst, natuurschoon en verkeersvormen — niets van dat alles kan door den Christen als waardeloos worden beschouwd; voor niets daarvan mag de Christen willekeur laten gelden. Ten aan zien van elk deel des aardschen levens heeft hij te vragen naar de ordeningen, daarvoor door den Schepper gesteld.

De wereld verandert voor den Christen maar niet tot eenen schijn ; maar de Christen voelt hare werkelijkheid ten volle en hij heeft oog voor het groote, voor het vele voor het schoone daarvan.

En omdat het ook in deze zondige wereld gaat om de eere Gods geldt in het algemeen voor den Christen, dat niet de voornaamste vraag is, hoe de mensch zalig wordt, maar hoe God tot Zijn eer komt.

De Christen kan dan ook nooit dulden, dat de godsdienst overal zal worden buitengesloten en beperkt zou worden tot de binnenkamer. Een „stille" partij kunnen de gereformeerden niet zijn. Ze zijn niet bevredigd, als ze in eigen omgeving voor hun godsdienstige behoeften maar voldoening vinden. Neen, de gereformeerden moeten meer dan eenige andere groep zijn een partij van heilige actie. En waar alles door de zonde ontheiligd is en wordt, moet hier alles worden „ geheiligd door het Woord van God en door het gebed" 1 Tim. 4 vers 5. De godsdienst moet hier bij alles zijn het zuiverende tegengif.

Men mag dan ook onder de gereformeerden niet van de gedachte uitgaan, dat het hoogste is, wanneer ieder persoonlijk bezig is met het heil zijner ziel. Want hoe allernoodzakelijkst dat is, het recht Gods, de eere Gods moet voor den mensch het hoogste en het heiligste worden. Waarbij de Christen weten mag, dat voor het gansche leven niet door menschen een wettelijke regeling moet worden tot stand gebracht, daar alles geregeld is door God, den Schepper van hemel en aarde ; welk Goddelijk recht ons geopenbaard is in Zijn Woord, 't welk wij met heilig beven en innige zielevreugd hebben leeren na te spreken.

De gereformeerde eischt dan ook voor den Heere op, niet maar alleen de theologie, of de Kerk. Neen, niet een enkel deel van het leven staat hiervan los. En buiten het kerkelijk erf geldt dan ook wel degelijk Gods recht en moet het gaan om de eere Zijns Naams. Niet anders, dan door op allerlei gebied eenvoudig nu het Christelijk levensbeginsel te laten gelden en dat ongedwongen, zonder eenig opzettelijk bedoelen, dat te openbaren.

En juist omdat de gereformeerde gelooft, dat de wereld in het booze ligt, maar dat het scheppingswerk door de zonde niet is mislukt ; maar dat er nog wat van gemaakt zal worden ; ja, dat zonder nieuwe schepping God in de wereld zal triumfeeren over Satan in Christus Jezus, daarom juist zit de gereformeerde niet lijdelijk neer, maar mag hij met heiligen ijver tot telkens nieuwe actie komen, om Gods eer te vermelden en Gods deugden te verkondigen, waarbij telkens weer met Ps. 148 worden opgeroepen: "gij koningen der aarde en alle volken, gij Vorsten en alle rechters der aarde ; jongelingen en ook maagden, gij ouden met de iongen : dat ze den niaam des HEEREN loven, want Zijn Naam alleen is hoog verheven, Zijne majesteit is over de aarde en den hemel. En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, des volks, dat nabij Hem is. Halleluja."

De Heilige Schrift alleen èn geheel.

't Is zoo mooi wat onze Ned. Geloofsbelijdenis van de Heilige Schrift zegt in art. 2—7.

En juist omdat hier zooveel dwaalleer is, bizonder ook bij de Ethischen, is het goed dat we die gereformeerde banier telkens maar weer ontrollen.

Wilt ge weten wat wij aan de Heilige Schrift hebben, lees dan die artikelen 2, 3, 4, 5, 6 en 7 nog maar eens.

Dan zult ge opnieuw weer voelen, dat noodig is om alleen met de Heilige Schrift te komen en niet zooals Rome wil ook met de traditie.

De genoegzaamheid van de Schrift leert onze Confessie.

Voorts wordt u duidelijk, dat we geheel de Heilige Schrift moeten hebben en dat tegenover de critiek van Modernen en Ethischen.

Geheel en onverdeeld dus Gods getuigenis en dat tegenover Remonstrantsch individualisme.

Laten we niet dulden dat ons deze grondslag onder de voeten wordt weggenomen, want wij en onze kinderen zullen alleen in dezen weg veilig gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's