Stichtelijke overdenking.
Welgelukzalig is de man die niet wandelt in den raad der goddeloozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters ; maar zijn lust is in des HEEREN wet en hij overdenkt zijne wet dag en nacht.Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet zal wèl gelukken.Alzóó zijn de goddeloozen niet, maar als het kaf, dat de wind henen- drijft. Ps. 1 vers 1-4.
Tweeërlei Lot.
't Hooglied is het lied der liederen ; zoo mag Psalm 1 de psalm der psalmen genaamd worden. Hij bevat op 't duidelijkst nï het lot der rechtvaardigen en het lot der goddeloozen is, iets wat in de andere psalmen telkens, dan eens op déze wijze, dan weer op die wijze, wordt nagezongen. Het is de tekst waarover in alle psalmen zal worden gepredikt: het waarachtig geluk van degenen die God vreezen en het gewis verderf van de zondaren.
't Is 't kort begrip van den godsdienst. Evenals de 1ste Zondagsafdeeling van den Heidelbergschen Catechismus maar aanstonds met 't voornaamste voor den dag komt, zoo komt ook Ps. 1 maar dadelijk met hoofdzaak van alles naar voren : er is een weg des levens en een weg des doods en nu gaat het er maar om, dat wij door Gods genade in Jezus Christus mogen kennen het hoogste goed, opdat we niet vreemd van God '"Onzen natuurlijken, zondigen staat vèr van God ronddwalen en ellendig omkomen. Hoe staat dat met óns ?
Gaat in onzen psalm in hoofdzaak over en rechtvaardige, om zijn zalig lot te prijzen.
En om nu te teekenen wie die rechtvaardige is, hoe zijn leven is, zijn handel en wandel, zijn sterven en zijn eeuwige toekomst, wordt eerst gezegd : wat de rechtvaardige niet is en niet doet.
En dan worden drie dingen opgenoemd, die de vrome niet doet: hij wandelt niet in den raad der goddeloozen, hij staat niet op den weg der zondaren, hij zit niet in het gestoelte der spotters.
Dat is uit het volle leven gegrepen. Want het begint gewoonlijk met verkeerde vrienden, waarmee men gaat „wandelen." Met dezulken, die God-loos zijn ; dat wil zeggen : die in hun leven los van God wandelen. Bij hun denken, spreken en handelen rekenen ze met God niet. Ze denken niet aan Zijn Woord, noch aan Zijn dag. Ze weten van Zijn dienst niet. En dat komt in alles bij hen uit. 't Behoeven daarom nog zulke „slechte" menschen niet te zijn. Maar de godsvrucht wordt niet gevonden en over God en Zijn dienst, over dood en eeuwigheid, over zonde en genade wordt geen woord gerept, 't Is voor hen als een vreemde taal, werlke zij nooit gehoord en nooit geleerd hebben.
En ziet, dat wandelen met zulke menschen, dat op en neer gaan met zulke lieden, is van 't grootste gevaar voor ons en onze kinderen en de vromen vinden er hunne vrienden niet. Ze zijn er niet thuis. En wie in zulk gezelschap zich wèl thuis voelt, gaat van kwaad tot erger. Want 't blijft niet bij 't „wandelen" met die menschen, die over God en Zijn dienst niet spreken, miaar het wordt straks een „staan op het pad der zondaren." Dat komt er van ! 't Gezelschap wordt al brutaler, al slechter — 't leeft bij zondebedrijf; en we praten mee, we beraadslagen en we handelen straks evenzoo.
En nóg is dan 't ergste niet bereikt.
Want nóg een stap vérder gaat het dan (laat men het maar getuigen ), men komt familiaar en vertrouwelijk te „zitten" straks tusschen de spotters. We zitten in den kring van hen die loochenen dat er een God is, die smalend spreken over Gods Woord, die spotten met den dag des Heeren, die Gods kinderen uitlachen — en we kunnen het er helaas ! uithouden. Straks gaan we zelf meedoen. En ziet — dan zegt de dichter van Psalm 1 dat de goddeloozen zijn als het kaf, dat de wind henendrijft. En hij zegt: alzóó wandelen, staan en zitten de vromen niet! Dat toch de vromen niet meegesleept worden door de goddelooze wereld ! Niemand kan zijn hart'zetten tot overpeinzing van Gods Wet, tenzij hij het gezelschap der goddeloozen vliedt en zich wacht voor de verlokkingen der zonde en der wereld.
Het eerste begin om gelukkig te worden is : afstand te doen van de gemeenschap der goddeloozen. Onder hen te verkeeren is op weg te zijn naar den vloek en den dood I En het groote gevaar is : om langzaam van den rechten weg af en öp het verkeerde pad gelokt te worden.
We komen niet met den eersten stap tot spotten met God, maar als we begonnen zijn om met de goddeloozen te wandelen en ons oor te leenen aan de slechte raadgevingen, voert Satan ons verder, totdat we — als God het niet genadiglijk verhoedt — tot openbaren afval geraken.
Is dit niet uit het leven gegrepen ? gelijk Gods Woord altijd zoo echt naar het leven spreekt!
Hoe gaat het in de kinderjaren op school? Hoe gaat het met de boezemzonden ? Hoe gaat het met jongelingen en jongedochters ? Hoe gaat het in den handel, op de beurs, op de markt, in den winkel ? O ! wat leven we in vreeselijke tijden ! Hoe gaiat het met het zedelijk leven ; hoe gaat het met het gebruik van Gods Woord en het heiligen van den Saibbath ? iDe zonde ligt aan de deur. Waakt en bidt opdat ge niet in verzoeking komt; want de geest is wel gewillig maar het vleesch is zwak.
Evenwel — wanneer we Psalm 1 lezen en we hooren daar, hoe het lot bezongen wordt van degenen die God vreezen, dan bemerken we aanstonds dat op hetgeen zij niet hebben en niet doen nog iets anders volgt. Dan volgt : wat zij wèl doen en wèl hebben.
Dat moet ons niet verwonderen. Want van het negatieve kunnen we niet leven. Het komt aan op het positieve. Wat we zijn en hebben en doen !
Want al wandelen we niet met de goddeloozen langs, den wegen al beraadslagen we niet met de zondaren en al spotten we niet met de onzinnigen — daar komen we nog niet mee in den hemel ; daarmee zijn we nog niet rechtvaardig voor God ; daarmee behooren we nog niet onder het ware volk. De Schrift —'die ook hier weer in het volle leven ingrijpt — bewijst ons dat helder en klaar.
Kaïn spot niet met God. Kaïn is godsdienstig, bouwt een altaar, brengt een offer. Maar.......Kaïn mist de vreeze Gods. Zijn hart is koud, boos, ledig. En hij valt buiten het Koninkrijk Gods. God neemt zijn offer niet aan. Neen, we kunnen niet zeggen : welgelukzalig is Kaïn, want hij offert. We moeten nog iets anders kennen
Zoo ook Loth's vrouw. Zij trekt met haar man mee, woont in de familie van Abraham in, wordt ook straks uit Sodom uitgeleid. We kunnen niet zeggen, dat zij spot met de spotters. Integendeel, zij zingt met de vromen en gaat in hun weg. Evenwel : zij leeft buiten de godsvrucht, zij mist fiet waarachtige leven ; haar ziel kent de rechtvaardigheid niet, in de verzoening der zonden, met de besnijdenis des Geestes. En zij sterft jammerlijk weg, met Zoar in 't gezicht.
Een ander voorbeeld. De oudste broer in de gelijkenis denkt er niet aan te spotten met de spotters en blijft rusig bij vader thuis, terwijl de jongste zoon zijn geld en goed doorbrengt in de zonde. Maar we krijgen zoo heelemaal den indruk, dat zijn hart eigenlijk geheel leeft buiten de ervaring van het echt-thuis zijn bij Vader. Hij kent de echte vader-liefde niet. En als straks de engelen in den hemel zich verblijden over één zondaar die zich bekeert en als de verloren zoon dan weenend in de armen zjjns vaders valt en aan het liefdevolle vaderhart zijn hoofd doet rusten — dan staat de oudste broer mokkend en toornig buiten.
Neen — al doen we dit niet en al doen we dat niet, dat zal ons nog niet zalig maken ; dat doet ons nog geen kind van God zijn ; dat doet ons nog niet behooren onder het volk dat zal zalig worden.
Zie maar op de vijf dwaze maagden. Zij doen niet mee met de spotters en met de ijdele lieden. Zij roepen niet: „wij willen niet dat deze Koning over ons zal zijn". Neen ! zij trekken mee den bruidegom tegemoet. Maar — zij missen de olie. Ze zijn ledig. Wel blad, maar geen vrucht. Wel een belijdenis in den mond, maar geen leven aan de ziel. En de deur wordt gesloten en zij worden buiten geworpen en de stem van den Bruidegom is : „Ik ken u niet" Wat zijn dan de kenmerken van den vrome ?
Want van negatieve dingen kan de mensch niet leven.
Ze zijn geen dronkaards, geen dieven. geen vloekers, geen overspelers: Maar wat dan wèl ?
De Pharizeer was zoo gelukkig toen hij zei : Heere, ik dank U, dat ik niet ben als de andere menschen en ook niet als die tollenaar dóar..
Maar God? wat was hij dan wèl voor
Och, arme ! Want hij werd ledig bevonden, missende de gerechtigheid, welke Gode behagen kan !
O, velen gaan zoo trotsch hun weg, omdat ze dit en dat niet doen op den Sabbath — en het is goed dat ze dit en dat ze dat niet doen op des Heeren dag. Maar mogen ze ook iets smaken van de Sabbaths ruste onder de schaduw van het kruis van Golgotha ? om daar te eten van de vruchten des levens, om daar te genieten van de vrijmaking van de wet door het geloof in Christus, in Wien geen verdoemenis is voor degenen die Hem vreezen ?
O, men kan uiterlijk zoo kwaad niet zijn ; net als dat roofdier dat slaapt in zijn hok, liggend in de koestering van de zon.
Maar dat is nog niet hetzelfde als inwendig goed te zijn, gerechtvaardigd en geheiligd in Jezus Christus I
De slang heeft wel een schoon, veelkleurig vel — maar de angel is zoo scherp en zij spuwt vergif I
Onze vaderen spraken van een „koperen christen" ; mooi gepoetst; in glans gelijkend op goud. Maar daar Boven zijn alleen de edele metalen van waarde, heilig door het stempel des H. Geestes.
En ziet, daarom zegt de dichter van Ps. 1 met zooveel ernst, en met zoovele woorden en beelden dat welgelukzalig de mensch is (man staat er, maar dat geldt óok voor de vrouw) die wat heeft. Die wat bezit en wat kent en wat doet: wiens lust is in des Heeren wet. Die is Gode welbehagelijk.
Die is zalig te roemen. Ieder hart gaat naar Iets uit.
't Schaap verlangt naar de wei; de wolf zoekt het lam ; de adelaar het aas ; de gierigaard het geld ; het kind de moederborst. Zóó de rechtvaardige, de vrome ook. Diens.lust is in 's Heeren wet; en hij overdenkt Zijne wet dag en nacht.
Gods Woord en getuigenis is hem de brief dien zijn Vader in den hemel hem schrijft met Christus bloed. Daarin zijn de uitgietingen van Gods liefde. Daarin zijn trouw en goedheid. En dat Woord bepeinst de vrome zoo gaarne. Die wet houdt hij voor oogen, omdat zij leeft in zijn hart. Hij heeft het geklank van dat Woord lief. De Waarheid bemint hij. „Ik ben vroolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom. Ik zal Uwe bevelen overdenken en op Uwe paden letten. Ik zal mijzelve vermaken in Uwe inzettingen. Uw Woord zal ik niet vergeten." Ps. 119 vers 14—16.
De vloek der wet is niet meer over de ziel dan. Door Christus is zij vrijgemaakt. En neen, de vrome zoekt niet door de wet te leven ; want dat kan hij niet. Hij moet aan de wet sterven. De wet zelf moet hem den dood doen sterven ; door het ervaren van den vloek der wet. Maar in Jezus Christus mag het zijn lust nu wezen om naar de wet te leven, daarin behagen scheppend naar den inwendigen mensch. Niet als taak, maar als vermaak ; gelijk David bekent, dat Gods Wet, Gods Waarheid al zijn vermaak is. Ps. 119 vers 77. Waarmee Paulus het hartelijk eens is, Rom. 7 vers 21.
Hier staat de vreugd van den goddelooze tegenover de vreugd van den rechtvaardige. 't Kind van God, door den Heere zelf genomen en ingeplant in den vetten grond van Christus' gerechtigheid, vindt vreugd en blijdschap in 's Heeren Woord en 's Heeren dienst. De dag des Heeren wordt zijn vermaak, 't Gebed is de adem zijner ziel. Als 'duiven vliegen ze tot de vensteren van Gods huis. 't Sacrament is de ziele tot bevestiging des geloofs. Bij 't Avondmaal voert Jezus in het wijnhuis en de banier Zijner liefde is over Zijne bruid. En gelijk de Nijl in Egypte het land vruchtbaar maakt, zoo gaat Gods heil in Christus over de ziele van Zijn Sion tot verkwikking en vreugd.
Dat kent de goddelooze niet.
Hij doet misschien precies hetzelfde als Gods kind, maar smaak vindt hij er niet in, omdat hij er niets van bezit, niets van kent. Hij brengt offers met een afkeerig, dood, ledig, boos, vijandig hart. Men laat een offer achter, maar men heeft geen offer gebracht. Het hart bleef er buiten, evenals bij Kaïn, bij zoovelen van het oude Bondsvolk, ook bij de kinderen des Koninkrijks, waarvan Jezus spreekt, welke toch buiten gesloten zullen worden.
Daarom spreekt de dichter ook van ingeplant zijn in vetten grond en van het bespoeld worden der wortelen met frisch water De wortelen van het zieleleven moeten ingeslagen zijn in de Woorden Gods, en de beekjes van Gods liefde en genade moeten sterkte en vroolijkheid geven. Dan is er blad, dan is er ook vrucht, op Gods tijd, tot prijs van Zijn genade. Neen, uit den mensch zelven geen vrucht. In der eeuwigheid geen vrucht Maar, zoo zegt de Heere voor al Zijne kinderen : „Uw vrucht zal Ik uit Christus nemen." „Niets uit ons, maar 't al uit Hem, zóó komen we in Jeruzalem !"
Of een kind van God dan niet bezwaard en vermoeid en lusteloos en moedeloos kan zijn ?
O, zeker! Iemand kan van muziek houden, maar er niet toe gestemd zijn om muziek te maken of naar muziek te luisteren. Hij zit er niet in, hij is er niet bij. Zóó kan ook de ziele die genade kennen mag er buiten leven. Niet vanwege de genade, maar vanwege de zonde kan de ziele zoo koud, zoo onvruchtbaar zijn.
't Is somtijds eb in de zie! van Gods kind. Maar de Heere is zoo getrouw als sterk en Hij is de overvloeiende fontein. De ziele kan soms krank zijn, de spijze lokt dan niet. Maar de Heere weet den disch Zijner liefde aan te richten en de lust is uit God, die doet hongeren en dorsten.
Herodes was ook niet los van de stemme Gods, die door Johannes' mond hem tegenklonk. Maar de zonde snoerde zijn harte toe en brandde zijne ziel dicht. En gelijk kaf door den wind, werd hij weggestormd door Gods toorn.'IJdel en ledig tegenover Gods gerechtigheid.
Ezechiël spreekt van die lieden, die een lied der minne wilden hooren. Men wilde komen tot een hof om bloemen te plukken. Maar de Heere zal ze verdoen met den adem Zijns monds, die de gerechtigheid missen.
Zoo blijft er dan genade en eere voor Gods ware volk.
En de goddelooze zal zijn loon der ongerechtigheid dragen.
„Laat U mijn tong en mond, en 's harten diepste grond toch weibehaaglijk wezen ; o HEER, die mij verblijdt, mijn Rots en Losser zijt! Dan heb ik niets te vreezen" — dat bidt en zingt Gods volk.
In welken weg wandelen wij ? Er zijn er twee.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's