De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

De Gereformeerden en de Ethischen. VI.

Wij hebben dr. De Vrijer maar eens rustig laten uitpraten, om ons eens te zeggen hoe hij denkt over de gereformeerden en over de ethischen, waarna ten slotte door hem het voorstel gedaan is als nieuwen naam te gaan gebruiken : De Gereformeerd-Ethischen.

Dat dr. De Vrijer nog al sympathie heeft voor de gereformeerden verblijdt ons, juist omdat we gelooven, dat de gereformeerden het in geloofszaken bij 't rechte eind hebben en ook ten opzichte van het kerkelijk probleem beter zien dan de ethischen. Dat zij daarin willen wandelen aan de hand van Gods Woord is hun sterkte.

Maar dan laat dr. De Vrijer het niet onduidelijk uitkomen, dat de ethischen den kring vormen, waar hij zich 't gemakkelijkst weer beweegt, omdat zij bestrijders zijn van het intellectualisme (de verstandsrichting) inzake het geloof en meer letten op 't hart dan op het hoofd ; minder zweren bij de letter dan bij den geest; en met gepaste vrijheid wandelen. Alleen maar, zij verwaarloozen te veel wat de belijdenis is en hebben zich te roekeloos gewaagd op het terrein van de Schriftcritiek (waarbij te denken is niet aan tekstcritiek allereerst, maar aan historische critiek). Daarom wil hij van dat intellectualisme (die verstandsrichting) bij de gereformeerden wat af doen ; die moeten niet alles maken tot een zaak van het hoofd; die moeten meer met het hart rekening gaan houden ; ze moeten ook allerlei leuzen en allerlei dood formalisme loslaten ; ze moeten niet zoo zwaaien met 't scherpe zwaard van „de leer." En als de gereformeerden daar nu eens naar wilden luisteren, dan zou hij de ethischen, als menschen van het ge­loofsleven, willen adviseeren, zich nu wat nader aan te sluiten aan het historisch-gegevene, aan de belijdenis der Kerk ; waarbij ze ook moeten leeren, wat op te passen bij hun schrift-critische manoeuvres. Zóó zou er een synthese (nauwere verbinding en samen vloeiing) van de gereformeerden en de ethischen kunnen komen, wat, zooals dr. De Vrijer ernstig betoogt, met het oog op de éénheid in Christus en met het oog op den geweldigen ernst der tijden allernoodzakelijkst is. „Dan zal de orthodoxie niet in twintigtal kleurtjes en richtinkjes verscheurd haar eigen vernietiging moeten zoeken, maar als één machtige groep, met verschillende schakeering, moeten optrekken." 

Wij voelen den ernst van deze dingen.

Om een voorbeeld te noemen. Pas hadden we het voorrecht het 2de Chr. Nat. Schoolcongres bij te wonen en daar vlak voor ons zaten naast elkaar : Minister De Vries, Minister Heemskerk, oud-Minister Jhr. De Savornin Lohman en Minister De Visser. Toen dachten we nog weer, vooral toen de sympathieke grijsaard, de heer De Savornin Lohman sprak — hij werd onder geweldig applaus van duizenden hadden „onze" Lohman genoemd — hoe heerlijk het zou wezen als de splijtzwam op politiek gebied niet zoo gewerkt had en de Christus-belijders op dat terrein als één groep waren gezien geworden. Zulke mannen, bij al de onderscheiding die er overigens is, hooren toch bij elkaar. Dat voelt men weer eens, als men samen zingt, samen Gods groote daden herdenkt, samen belijdt dat de mensch niets is, samen dankt en samen bidt. Anti-revolutionairen en Christelijk Historischen zijn dan in beginsel één.

Ook in 'Gods Kerk moet steeds herinnerd worden aan het woord der Schrift: „hieraan zal de wereld bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder eikander." En hier ligt een gruwelijke zonde bij ons. Want inplaats dat er liefde is onder elkander, is er haat. De trouwste vrienden worden niet zelden de bitterste vijanden. En dat lang niet altijd om oorzake van de hoogste en heiligste beginselen, maar omdat vaak eigen belang in 't spel is en de persoon wordt voorop gezet; omdat hetgeen waarin men verschilt steeds wordt uitgemeten en 't geen waarin men één is niet in liefde wordt betracht en versterkt. Omdat het kleine dikwijls groot, en het groote dan klein wordt geacht. Ieder mensch heeft daarbij zijne zonde, zijne scherpe karaktertrekken, waardoor hij hen, die het dichtst bij hem staan, soms het pijnlijkst wondt. En als dan Christus niet gekend wordt en saam de verlorenheid voor God niet wordt gevoeld en beleefd — dan is het met de liefde uit. Dan blijkt het woord weer waarheid, dat wij van nature geneigd zijn om God en den naaste te haten. Hoe arm aan liefde is de wereld. Maar.... hoe arm aan liefde is óók de Kerk. De wereld kan niet zeggen : „Ziet, hoe lief zij elkander hebben !" Het liefdevuur is gebluscht.En het wordt vergeten, dat zelfs een geloof, dat de bergen verzet, niet genoegzaam is, als de liefde ontbreekt.

Hier schreeuwt onze zonde tot den Heere, die alle dingen ziet en alle dingen weet. En hier wordt de naam van Jezus Christus smaadheid aangedaan, in Wien de liefde Gods volmaakt bevonden is en die tot Zijn Gemeente zegt : blijft in deze Mijne üefde. „De liefde is langmoedig, zij is goedertieren ; de liefde is niet afgunstig ; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk ; zij is niet opgeblazen ; zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad, zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid ; zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. De liefde vergaat nimmermeer."

Dat staat in den Bijbel.

De Bijbel — die den gereformeerde vooral zoo lief is.

Of wij dan niet „de waarheid en den vrede" moeten liefhebben, waarbij de waarheid dus vóór en boven alles gaat ?

Natuurlijk.

We-moeten bij het spreken over de liefde en over de eensgezindheid ons wachten voor holle frasen en groote woorden, welke iten slotte toch zonder waarde zijn.

Geen éénheid ten koste der waarheid.

Alleen — als we nu maar niet „de" waarheid gaan noemen, wat niet „de" waarheid is. Want wij die ten deele kennen, wij zien ook bovendien nog zoo vaak aan voor wezen, wat slechts vorm, wat niet zelden schijn is. Wij zijn en wij zien dikwijls zoo klein en zoo gebrekkig, terwijl we een ophef en een drukte maken als of we zoo groot zijn en alles zoo goed' en zoo zeker weten ; alsof we „de" waarheid in pacht hebben en in ónze voorstelling alles, alles begrepen is, wat dan ook anderen maar onverbiddelijk moeten aanvaarden, op gevaar af, dat ze anders door ons verketterd worden.

Denk eens aan één zaak, welke we ter verduidelijking en ter illustreering hier even noemen.

Dacht men vroeger niet algemeen dat, naar de voorstelling van Ptolemeüs, de aarde het middelpunt was van alles en dat de zon draaide ; terwijl Copernicus werd veroordeeld, die leerde, dat de zon stilstaat en de aarde zich wentelt om haar as ?

Ptolemeüs was de drager van de waarheid en Copernicus was de ketter. En — wordt nu niet erkend, dat de heliocentrische wereldbeschouwing (met de zon als middelpunt) de ware is ; en de geocentrische (met de aarde als middelpunt) hebben we immers laten varen ?

Waarbij —dit tegelijk — het heelal zich nu zoo eindeloos voor ons oog uitbreidt, dat de grootste geleerde grif bekent, dat hij slechts „ten deele" weet.

De wetenschap „opent telkens eene deur, doch voert dan niet tot het hcht, maar tot een anderen, langen, donkeren gang, aan welks einde weer eene deur zich bevindt, en zoo gaat het eindeloos voort."

Wij leven — dit is zeker: — in een gansch andere wereld, dan onze voorouders leefden ; en God is bezig groote dingen te doen. Wat we hiermee zeggen willen, in betrekking tot ons onderwerp, dat ons nu op kerkelijk terrein bezig houdt, is dit: dat we voorzichtig moeten zijn en de zienswijze en de opvatting van deze of gene in zake de goddelijke waarheden niet moeten gaan beschouwen als de waarheid zelve..

Om een ander voorbeeld te noemen.

Prof. Visscher heeft pas in zijn rectorale rede perspectieven geopend (een vergezicht gegeven) inzake verschillende dingen, waar bij — wij verklaren ons onbevoegd daarover naar behooren te kunnen oordeelen — de vrees opkwam bij sommigen, dat prof. Visscher niet meer gereformeerd, maar ethisch is." De beoordeeling van prof. Obbink in „Bergopwaarts" heeft daar aanleiding toe gegeven en de critiek van dr. Van der Vaart Smit, geref. predikant te 's Graveland, daarna.

Nu gelooven wij daar niets van „dat prof. Visscher niet meer gereformeerd, maar ethisch is." Daarvoor hebben we veel te veel vertrouwen in prof. Visscher. Doch wat we wel aanvoelen is dit : dat prof. Visscher sommige dingen héél anders heeft leeren zien, dan misschien tot nu toe de gangbare meening is geweest onder onze .gereformeerde menschen. En als dat zoo is, is het onverantwoordelijk om dan dadelijk te gaan schreeuwen („als een uil in het galmgat van den kerktoren" heeft prof. Visscher ondeugend gezegd) : dat prof. V. niet meer gereformeerd is, maar ethisch is geworden. Dat is om iemand geestelijk te vermoorden en voor het oog van Jan Publiek iemand op te hangen.

Doch nu mag het óók niet weggemoffeld worden, dat gereformeerde, wetenschappelijke menschen soms een anderen kijk op de dingen hebben dan b.v. Augustinus of Bogerman.

„Nieuwbouw" is soms noodig ; is zeer zéker noodig ; juist omdat we te doen hebben met de waarheid, welke de Heere geopenbaard heeft en komt openbaren voor alle eeuwen en voor alle natiën.

En als men „gereformeerd" noemt, om in menschelijke omschrijvingen en menschelijke definities en menschelijke formules „de" waarheid te zien, als vaststaande voor alle eeuwen en voor alle omstandigheden, dan weet men eenvoudig niet wat gereformeerd is.

De Protestantsche Kerken — en zeker niet de Geref. Kerken hier en elders — hebben zich nooit aan éénige omschrijving, aan éénige belijdenis-omschrijving, gebonden voor alle eeuwen.

Men kan wèl zeggen, dat op een zekeren tijd in het midden van de Geref. Kerk de leden dier Kerk hartelijk instemming moeten betuigen met de confessie. Dat is gereformeerd. Maar nooit zal men in het midden van de Geref. Kerk het mogen voorstellen, dat gereformeerd is om nooit ofte nimmer af te wijken van „het oude als zoodanig." Want „dat oude als zoodanig" is nooit voor ons „de" waarheid. Dat is nooit voor ons als van gelijke beteekenis met Gods Woord, 't welk eeuwig zeker is.

Onze Gereformeerde Kerk is — mag 't althans niet zijn — is geen belijdenis-Kerk. Zij is, zij moet althans zijn : een belijdende Kerk. Een belijdenis-Kerk is dood. De belijdenis wordt dan een steen. En ieder die dien steen beschouwt als „de" steen der wijzen, die versteent.

Daarom haten we ook het liberalistische stelsel van 1816 dat onze Geref. Kerk een extract van een belijdenis heeft willen geven, waarbij die Kerk, welke hare kerkelijke vergaderingen mist en aan een stel Besturen is overgeleverd, nu maar altijd moet blijven leven. Er is een belijdenis, en als nu de Kerk die belijdenis nu maar niet al te dun en niet al te dik mengt, dan is het kerkelijk in orde ! En in de praktijk mag dan alles. Men zal — zéér verdraagzaam — de oogen wel dicht doen inzake de waarheid ; als men dan voorts maar oppast met de reglementen, dat men die — het heilige huisje ! — niet schendt.

Maar zoo'n belijdenis-Kerk ('t zij de belijdenis dan dun of dik gemengd is) moeten we niet hebben !

We moeten hebben een belijdende Kerk. Een belijdende Kerk, die de gave des H. Geestes heeft ontvangen en daarnaar begeerig zijnde in de waarheid wordt ingeleid, door den Heere Zelf, in den weg Zijns Woords, waarvan Jezus Christus het heerlijke middelpunt is.

En hier komen we, waar we voorloopig eens even moeten blijven, nu we het hebben over gereformeerd of etihsch : De Geref. Kerk moet ten allen tijde oppassen, dat zij niet versteent bij menschelijk gedoe, om rustig te gaan zitten op hetgeen menschen hebben daar gesteld, zeggende dan : wij hebben „de" waarheid, vervat in „die" formules.

Dat is niet gereformeerd.

Maar waar de Geref. Kerk zich in onze dagen bizonder voor te wachten heeft, is dit: dat bij den „nieuwbouw" het wezen des Christendoms niet prijs gegeven wórdt en Gods Woord niet wordt gemaakt tot minder dan des menschen wijsheid.

En zoo willen we maar aanstonds zeggen, dat het niet gereformeerd is om te zweeren bij menschelijke formules, maar dat het óók niet gereformeerd is, om te meenen, dat samenwerking te verkrijgen is tusschen verschillende groepen op grond van onderlinge waardeering of zoo iets. Want als er niet méér aanwezig is, loopt het toch mis. 't Is al zoo dikwijls tevergeefs beproefd.

Samenwerking kan en mag alleen op grond van éénheid in beginsel.

En daar moeten we nu nog eens over praten, óók met het oog op de ethischen.

(Wordt vervolgd.)

Het uitgangspunt der Hervorming.

Bij elk ontwaken der Christelijke Kerk is een uitgangspunt; en wel een Schriftuurlijk dogma, zegt Groen van Prinsterer ergens. En beginnende met dat hoofdpunt, ontleend aan de Heilige Schrift, volgt er dan een geheele uitzuivering van de dwalingen die binnengeslopen zijn. Het licht maakt openbaar en de waarheid duldt de leugen niet. Zoo wordt weer de geheele leer terugveroverd, waardoor de zondige mensch behouden kan worden en Gods Kerk haar weg wèl kan aanstellen.

Dit hoofd-en uitgangspunt, deze grondwaarheid dus, was voor de Hervorming der 16de eeuw, de rechtvaardiging door 't geloof, het volkomen heil, de vergeving om niet, om de verdiensten van onzen Heere Jezus Christus — waarvan het geloof de vrucht was. Het geloof de vrucht —en niet de voorwaarde en het middel. Het Woord Gods werd de fakkel ; de lamp voor den voet, om te beschijnen alle terrein des levens ; voor het zieleleven, voor het kerkelijk leven, voor het maatschappelijk leven ook. En de vraag werd : hoe komt God aan Zijn eer, waar Hij de Schepper is van hemel en aarde, die uit een gevallen menschengeslacht Zich in Christus een gemeente verkoren heeft en die uit een zondige wereld in Christus bezig is Zich een nieuwen hemel en éen nieuwe aarde te bereiden.

Gods Woord werd de fakkel ; men ging voorwaarts door het licht daarvan geleid ; het werd een zwaard en met dit vlammend zwaard des Geestes wierp men de vijanden om, naarmate zij zich voordeden op den weg Tegenover elke dwaling stelde men een waarheid, naar luid der Schrift.

Op de leer der goede werken antwoordde men : „Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme."

Op de dwaasheid, dat de zaligheid uit genade de Christenen werkeloos zou maken, met het vers, waardoor deze verklaring van het zuiver en eenvoudig geloof onmiddellijk gevolgd wordt: „Wij zijn geschapen in Jezus Christus tot goede werken, die God heeft toebereid, opdat we daarin zouden wandelen."

Waar men den beeldendienst propageerde kwam het scherpe wederantwoord naar de Schrift : „Onthoudt u van de afgoden." Tegenover de mis stelde men het woord der Schrift : „In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus éénmaal geschied." (Hebr. 10 vers 10).

Waar Rome kwam met de heerschappij van den Paus, daar leerde de Reformatie : „Weidt de kudde van Christus, niet uit dwang, maar vrijwillig, niet om vuil gewin, maar uit het beginsel der liefde, niet als heerschappij voerende over bet erfdeel des Heeren, maar zóó, dat ge een voorbeeld der kudde zijt." En : „Eén is onze Meester, n.l. Jezus Christus, het Hoofd der Gemeente." Waar het ging over de aanroeping der heiligen, daar werd weer herinnerd aan : „Er is één Middelaar Gods en der menschen" En werden door Rome de leeken uitgeschakeld, daar gewaagde de Schrift: „Het heeft den apostelen en den ouderlingen goedgedacht, met de geheele gemeente", als ook „Gij zijt gezalfd met den Heiligen Geest en gij weet alle dingen."

Op het verbod van het bijbellezen antwoordde men met: „Onderzoekt de Schriften" en : „Dat het Woord Gods overvloedig in u wone."

De Hervormers konden dan ook zeggen: „Gij hebt mij door Uwe geboden wijzer gemaakt dan mijne vijanden. Ik overtref in voorzichtigheid degenen, die mij onderwezen hebben, omdat Uwe getuigenissen mijn betrachting zijn."

Den Bijbel namen zij als richtsnoer en men kwam er toe om z'n geloof te formuleeren in die eenvoudige, schoone, krachtige belijdenissen, wier bewonderenswaardige overeenkomst het meest onweersprekelijk getuigenis is van den invloed des Heiligen Geestes, die in alle waarheid leidt.

Het geloof bleef daarbij niet onvruchtbaar ; de verbetering der zeden en de vorderingen der wetenschap toonden duidelijk den invloed van het Evangelie. Het licht scheen weer in de duisternis.

Nu is het duidelijk, dat zij zich dus vergissen, dat de Reformatie de souvereiniteit der rede zou hebben ingeluid.

De Protestanten namen tot gids, niet de menschelijke rede, maar het Woord Gods. Al hunne confessies zijn op dit punt eenstemmig. Onder de talrijke symbolen der Protestantsche Kerken is er geen aan te wijzen, dat niet handhaaft de goddelijke autoriteit en ingeving der Heilige Schrift; en het Woord van God is diensvolgens dan ook geproclameerd tot den regel voor leer en leven.

„Alle menschen zijn van nature leugenachtig en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harte alles wat niet met dezen onfeilbaren regel overeenstemt. (Ned. Geloofsbel. art. 7).

Het echt Protestantsche beginsel is dus niet of Gods Woord wel overeenkomt met de denkbeelden der menschen, maar of de onderwijzingen der menschen overeenkomen met Gods Woord. Dat is de vrijheid van onderzoek, die Rome had verboden en die de Reformatie voor den Christen opeischte. Zij verwierp het menschelijk gezag, om het goddelijk gezag weer te aanvaarden en om de gedachten gevangen te geven onder de gehoorzaamheid van Christus.

Laat ons dat Reformatorisch beginsel ook in ónze dagen vasthouden. „Er staat geschreven", dat zij onze wijsheid en sterkte.

De oplossing van het Kerkelijk Vraagstuk.

Groen van Prinsterer heeft veertig jaar — van zijn „Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst" tot aan het einde zijns levens — gearbeid, gestreden, geworsteld, om de eerste beginselen van kerkelijk leven, om kerkelijk bewustzijn te verlevendigen. De strijd, waarin hij zijne grootste zielesmart geleden heeft, is niet geweest die tegen de vrijzinnigen, maar zijn strijd tegen de vrienden, de broeders.

In 1859 schreef hij : „De ethisch-irenische richting heeft, in Kerk en Staat, over ons, in 't voordeel der gemeenschappelijke wederpartijders, de overhand behaald. Dat wij, ik zeg niet verslagen, maar uit het veld geslagen zijn, is grootendeels haar werk. Hieruit volgt niet, dat zij gelijk heeft" (Verspreide Geschr. dl. I blz. XI).

Voorts herinnert hij er aan, hoe " van ethisch-irenische zijde op kerkelijk terrein telkens niet ondersteund werd of tegengewerkt wat van confessioneele zijde werd beproefd, terwijl men zelf, positief, niets deed.

„Scherp was telkens de afkeuring. Men zou hetzelfde, men zou het straks op veel betere wijze doen, doch het bleef bij het goede voornemen en men deed het niet."

En in 1864 schrijft Groen (Leervrijheid of Kerkbewustzijn, blz. 6) :

„Minder wellicht door den overmoed van het ongeloof dan door de onkerkelijke richting van vele geloovigen, is het thans zóó ver gekomen, dat het denkbeeld eener historische Kerk op onveranderlijken grond slag, voor een afgesleten en bijkans ongerijmde voorstelling geldt; dat elke herinnering aan het recht der Gemeente op verkondiging van haar geloof als kerkelijk en juridisch anachronisme, tegenover het Evangelische en medische standpunt, weerzin ont­ moet en dat onder hen, wier kerkelijke bediening hun boven anderen de handhaving van de leer oplegt, ook velen, wier geloofsijver voorbeeldig mag worden genoemd, in de leervrijheid zouden berusten, indien zij met hoorvrijheid in verband was" (dit was tegen prof. Gunning gericht ; De vrijheid der gemeente, blz. 69).

De oorzaak der bittere ellende op kerkelijk gebied lag volgens Groen van Prinsterer niet bovenal in het ongeloof, dat was binnengedrongen, maar in de verdeeldheid, in de machteloosheid der geloovigen daartegenover ; welke verschijnselen voortkwamen uit gebrek aan kerkelijk bewustzijn. Voor het recht der Kerk werd niet gevoeld. Daardoor kon het ongeloof zich handhaven en overwinning op overwinning behalen. Van Kerkherstel kon geen sprake wezen, zoolang zelfs kerkelijk besef onder de geloovigen als uitgestorven scheen.

De moed ontbrak, om erkenning van het recht der Kerk te eischen overeenkomstig de formulieren van eenheid, waarin de Kerk haar geloof had uitgesproken en overeenkomstig welke zij moest opkomen voor haar recht ; voor het recht van wat zij achtte te zijn de Waarheid, de Waarheid Gods.

Om dat uitsluitend recht der waarheid in de Kerk blijkens de Formulieren was het Groen van Prinsterer alleen te doen. Niet om onverminderd behoud van het stoffelijk goed. Zoo schrijft hij : „Waarom zou het treffen van een vergelijk op voorwaarden aannemelijk voor allen, onmogelijk zijn ? Dezerzijds, in al wat niet het geloof raakt, zou toegeeflijkheid kunnen worden betoond. Niet om materiëele voorrechten is het te doen, maar om het recht der Gemeente op verkondiging van het Evangelie. Wij, lidmaten der Gemeente, mogen ons geen ander Evangelie laten opdringen, geen Evangelie, strijdig met de leer van de Kerk, strijdig met het geloof dat de Heere, gelijk in het hart der ouderen, zoo ook in het hart der kinderen gebracht heeft."

Zoo maar dat recht der waarheid erkend was, was Groen van Prinsterer in de toepassing tot matigheid bereid — gelijk o.m. ook blijkt uit zijn „Repliek aan dr. J. H. Soholten", blz. 21).

Het Protestantisme en Gods Woord.

In het protest van 15 April 1529 te Spiers, waaraan de Protestanten hun naam ontleenen en gericht tegen het besluit des keizers, waarbij vernietigd werd de door den Rijksdag van 1526 aan de verschillende Staten in Godsdienstzaken verleende vrijheid en tegen de bepaling, dat het Evangelie moest worden uitgelegd volgens de door de Kerk goed gekeurde geschriften, werd verklaard : dat er geen vaste leer is dan die, welke overeenkomt met het Woord van God, dat de Heere verbiedt eene andere te verkondigen ; dat elke tekst des Bijbels uitgelegd moet worden naar andere, meer duidelijke teksten (Schrift met Schrift vergelijken) ; dat dit heilige boek in alle voor den Christen noodige dingen gemakkelijk en geschikt is om de duisternis te verdrijven ; dat daarom besloten is met de genade Gods de zuivere en uitsluitende prediking van Zijn Woord alleen te handhaven, gelijk het begrepen is in de Bijbelboeken van het Oude en het Nieuwe Testament, zonder iets, dat daarmede strijdt.

Dat Woord is — zoo heet het verder — de eenige waarheid ; het is het veilige richtsnoer voor alle leer en alle leven en kan nooit falen of bedriegen. Wie op dezen grondslag bouwt, zal stand kunnen houden tegen alle machten der hel, terwijl alle menschelijke vondsten, welke men daartegenover stelt, voor het aangezichte Gods zullen vallen.

Augustinus en de Bijbel.

„Ik heb geleerd alleen aan de Kanonieke boeken de eere te geven, zeer stellig te gelooven, dat geen dezer heeft gedwaald. Wat andere boeken betreft, ik geloof niet hetgeen zij zeggen, alleen omdat zij het zeggen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's