De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichteiijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichteiijke overdenking.

7 minuten leestijd

En een zekere vrouw met name Lydia, een purperverkoopster uit de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons ; welker harte de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.

Die de harten opent.

Hand. 16 vers 14. Lydia was eene vrouw, uit de heidenwereld afkomstig. Zij behoorde tot degenen, die zoo niet rijk, toch tot de bemiddelden mochten worden gerekend. Aan hare rijkdommen 'had zij evenwel niet genoeg. Aan hare afgoden evenmin. Zij werd zoekende naar iets anders.

Door de leiding des Heeren, op welke wijze is ons onbekend, wordt zij in aanraking gebracht met het volk Israels, met dat volk, waaraan de God des heils zich geopenbaard heeft.

Nu wordt zij onderwezen in de Schriften en daarin ontvangt hare ziel voedsel. Het uitzien naar den Messias wordt geboren.

Ge kunt er u van verzekerd houden, lezer, dat deze Lydia een nauw leven heeft geleid. De dienst des Heeren was haar geen last. Toch zou het ons niet verwonderen of daarin werd ook igezocht naar eenigen steun en vastigheid om zeker te zijn van het heil. Niets is n.l. den mensch meer eigen dan langs den weg van werken en zich inspannen, de zaligheid zich te vermeesteren.

Ge ziet dit overal. Dat is de levenstrek, ieder mensch eigen. Hij is zoo lichtelijk ingenomen en tevreden gesteld met wat door eigen hand werd gedaan.

Ge vraagt me, of het dan niet goed zal zijn, zelfs beter, al deze uitwendige dingen maar na te laten.

Tot dezen raad zou ik me niet gaarne leenen, lezer.

Daar is n.l. geen gevaarlijker weg dan deze, dat we zouden meenen de geestelijke dingen te kunnen vastgrijpen zonder handen. Opening des harten is noodzakelijk, maar om dat te doen, gebruikt de Heere het zichtbare en hoorbare woord.

Och, ge weet het zelf wel, wat ons door den Heere in Zijn algemeene genade nog wordt gelaten : oogen om te zien en ooren om te hooren. Helaas moet van deze getuigd : ze zien niet meer en elke klank gaat aan hen voorbij.

Toch gebruikt de Heere het middel van dat Woord, dat wij kunnen lézen en dat we mogen beluisteren.

Let nu op.

Wat is het voor Lydia een ongedachte en onuitsprekelijke zegen, dat ze nederzit onder de prediking van Paulus. Hier opent de Heere haar hart.

Mogen we van dit punt uit nu eens een enkele lijn trekken. De leering voor ons persoonlijk is zoo gemakkelijk te ontdekken. Zou dit niet het eerste zijn, dat wij ons hebben te schikken onder de klanken van het levende Woord. In de samenkomst met de gemeente mag onze plaats niet ledig worden gevonden. Elke verontschuldiging hiervoor draagt een veroordeelend merkteeken. Of is het voor ons al niet een zaak van de allergeringste moeite om op te gaan naar de plaats des gebeds.

Wij behoeven niet saam te komen buiten aan den oever van de rivier. Daar is geen sterke hand meer, welke ons uitdrijft. Niet meer. Die tijden zijn ook hier geweest. Daar staan in onzen historierol meerdere perioden, waarin het zelfde werd vertoond als in Filippi. Onze vaderen slopen dikwerf naar buiten om toch maar het Woord te mogen hooren. Toen vergaderde men met schild­ wachten op den uitkijk.

Zou thans niet het gevaar in tegenovergestelde richting moeten worden gezocht ? Zou men het ons niet al te gemakkelijk hebben gemaakt ?

Lydia ging op den. dag des Sabbaths naar buiten. Zij vreesde geen smaad, zij verachtte allen hoon. Hier zal haar gebed opstijgen.

Ge hebt misschien in uw hart een enkele vraag n.l. : is voor zulk een gebed nu zoo'n openlijken gang noodig ? Mij dunkt in de eenzaamheid wordt Gods aangezicht lichter gezocht en gevonden dan in het openbaar.

En het een èn het ander kan niet ontbreken. In de eenzaamheid moet uw knie gebogen, maar evenzeer een zegen gezocht in het midden der Gemeente. Hét gemeenschappelijke aanroepen van Gods Naam legt vaak zooveel te sterker klem, waarbij nog deze gedachte moet worden ingesloten, dat in de prediking door den Heere vaak de bedding wordt gelegd van het aanroepen van Zijn Naam.

De purperverkoopster van Thyatira liet zich door geen enkele macht terughouden. Van achteren bezien weten wij dat des Heeren eigen hand haar voortleidde van stap tot stap, omdat Hij haar begiftigen wilde met het hoogste goed.

Laat ons hier eens een oogenblik onze schreden inhouden.

Wat zijn de dagen welke wij beleven toch donker. Hoe groot zou het deel wel zijn van onze stad of van ons dorp dat nooit een voet zet in eenige plaats des gebeds.

We zingen zoo vaak : Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort.

Maar hoe rampzalig zal het dan zijn zelfs deze klanken met het oor nooit te hebben opgevangen. Dat ons het gebed in dezen eens meer op het harte werd gebonden.

Wij hebben nog een opmerking.

We krijgen als we deze geschiedenis van Lydia nalezen zoo den indruk .dat Paulus predikte schier uitsluitend tot vrouwen. Is niet thans nog vaak dezelfde lijn aan te wijzen ? Hoe menige zuster verlaat hare woning, terwijl dien zij liefheeft met geen enkel middel is te lokken.

Zuster in den Heere, als uw doen gelijkt op dat van Lydia, ga uw gang naar de plaats des gebeds. Wat van Lydia's huis beschreven staat, mocht ook eens waar wor den gemaakt van het uwe.

Nu verder het oog gericht. Wat een vertroostende prediking gaat er uit tot de zoodanigen, die evenals een Lydia hun gang doen naar het huis des Heeren zonder te mogen getuigen ; ik ben het heil deelachtig geworden.

Ge ziet hier zoo klaar, dat de Heere niet het eene zal doen om 'het andere na te laten. Hij is geen God, Die ter helfte behoudt, wat Hij begonnen is zal Hij ook voleindigen.

Ga gij bij uw vaste gangen maar volhouden. .Alleen maakt er nooit grond van voor uwe zaligheid. Laat het in onuitwischbare letters in uwe ziel zijn geschreven : , , Daar is maar één Naam onder den hemel gegeven, door welken wij zalig worden, en deze is de Naam van onzen Heere Jezus Christus."

Ons hart moet door Hem geopend worden. Hij zegt het Zelf : Ik heb de sleutelen Davids. Ik open en niemand sluit. Ik sluit en niemand opent. Wat gij te doen hebt in deze is in afhankelijkheid uw knieën buigen onder de klanken van het Woord, waarin Christus tot u wordt uitgedragen. Immers de Heere leidt het zóó, dat Hij om zondaren te trekken nog altijd Zijn Woord daartoe gebruikt.

Hoe en op welk een wijze, het ontgaat zelfs dengene, wien het te beurt mag vallen. Het hart springt open ; Christus komt binnen.

Ge hebt al weer een vraag op de lippen, n.l. hoe wordt het leven dan ingedragen.

Och, lezers, het is toch zoo hoogst eenvoudig, leest het zelf. Daar komt een achtnemen op hetgeen in de prediking wordt uitgedragen. Het Woord zinkt in de ziel, gelijk een droppel in een dorstigen bodem.

Wordt er gesproken van zonde en overtreding, zoo is daar een vinger, die omhoog gaat: dat geldt mij.

Maar evenzeer als er gesproken wordt van een schulddelgen, van een offerande, dat alles bedekt, zoo treedt deze zelfde ziele naar voren en steekt weer den vinger omhoog, ja de heele hand : dat is ook voor mij.

Uw bloed, o schulddelgende Borg, is voor mijn zonde vergoten.

Ja, lezers, dan kan niets worden uitgedragen van den heerlijken Middelaar of onmiddellijk huppelt zulk een levendgemaakte ziel er achter aan.

Zoo is het als het harte wordt ontsloten voor den Heere.

Zou ik nu met een anderen raad mogen eindigen dat met dezen : Wanneer uw harte door de genade Gods, door, Christus, voor Hem zelven geopend wend, ge hebt Zijn liefde geproefd en het is daarna wederom bij u stil geworden, dan doet ge weer op dezelfde wijze als voorheen : zit onder de bediening des Woords, wachtende op Hem.

Neemt acht, totdat Hij komt.

Och, het was u reeds zoo heerlijk, toen Hij uw hart opende, immers toen kreegt ge in te zien in Zijn heerlijke schatten. Het was door middel van het Woord.

Maar wat zal het dan wel zijn als de hemelpoort wordt geopend en Christus Zelf u laat zien al Zijn heerlijkheid.

Fluistere uwe ziel met de mijne : Dit te zien en te genieten is mijn eenig verlangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichteiijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's