Feuilleton.
Mogen wij de Herv. Kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ds. A. VAN VEELO, destijds ± 1868 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
6)
Dat kunnen wij zoo duidelijk zien in het gedrag van den godvreezenden Daniël en zijne drie vrienden in Babel, gelijk ook in de geschiedenis van Jeremia en meer anderen, die, hoewel in Babel geboren en opgevoed, echter getrouw gebleven waren aan. de leer en den God hunner vaderen, en tegen eiken prijs weigerden zich voor de afgoden deriheidenen neder te buigen.
En dat Jehova ook in dezen zoo grooten nood en ellende Zijne Kerk niet verliet, blijkt immers zoo duidelijk uit die groote en heerlijke verlossing die de Heere Zijn gunsten bondsvolk, na 70-jarige ballingschap, en dus op Zijnen tijd, bereid had. Met hoeveel blijdschap zien wij het volk naar Jeruzalem optrekken, onder de leiding van Ezra en Nehemia. Met hoeveel ijver worden onder hun bestuur, en later onder dat van Zerubbabel, de muren van Jeruzalem en die des tempels herbouwd, welke laatste vooral als een phoenix uit zijne asch verrees. Hoezeer werd het volk in 's Heeren wet onderwezen en welk een afkeer was er allerwege tegen den vroeger zoo beminden afgodsdienst.
Maar ook deze gelukkige toestand van de gemeente des Heeren op aarde duurde niet zoolang als men wenschte. Neen, ook nu werden , in de plaats van Gods bevelen en rechten, menschelijke leeringen en inzettingen ingevoerd ; Gods verbond ontheiligd en zelfs andere personen dan Levieten tot priesters des Heeren aangesteld. Ook stonden onder het volk allerhande secten op, door welke verschillende vreemde leeringen werden ingevoerd. Gods Woord werd door hunne leeraren verminkt en verdraaid, alle inzettingen des Heeren verkracht, en, onder den schijn van vroomheid, nam echter het zedebederf toe. (le boek der Makkabeën). Getuigen hiervan de donkere dagen, welke de komst van den Messias in het vleesch voorafgingen. Toen waren zij meer dan ooit een diep afhankelijk volk. Het Romeinsche juk begon hen hoe langs zoo meer te knellen. Geen tijdperk konden zij zich herinneren, waarin de Godsregeering minder zichtbaar was dan thans. Sedert vierhonderd jaren was geen profeet in Israël verschenen, die hun Gods wil en wet bekend maakte. Nooit was Davids huis minder in aanzien geweest dan in deze dagen. Treurig was ook de zedelijke toestand. Wèl werd de tempeldienst in uiterlijke eere gehouden, vooral bij de in het Joodsche land wonende Joden ; maar toch moesten bitterheid tegen de Romeinen, en onderlinge verdeeldheid op gods dienstig gebied samenwerken, om beide godsdienst en zeden te verbasteren. Voorwaar ! eene donkere bladzijde in de geschie denis van Israël ! En toch, niettegenstaande dit diep verval, kon de vrome Israëliet zijn oog hoopvol op de toekomst richten, zoo dikwerf hij dacht aan de talrijke weldaden, door Jehova aan Zijn volk bewezen ; zoo menigmaal hij geloof mocht hechten aan de teedere zorg van Zijnen onveranderlijken Verbonds-God. Die hoop en dat vertrouwen op den naam des Heeren werd dan ook niet beschaamd. Immers hoe schitterend de sterren ook waren, die zioh aan den hemeltrans hadden vertoond, schooner dan die allen blonk het licht in de duisternis, toen een koor van engelen Efratha's stille velden deed weergalmen van het : „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in menschen een welbehagen." Die groote Heilvorst, aan Abraham belooft, van tijd tot tijd heerlijker door den mond der profeten voorspeld, verscheen in het vleesch op aarde en nu kon o.a. een grijze Simeon gerust deze aarde verlaten, toen zijne oogen de zaligheid hadden gezien, die Jood en Heiden bereid was.
Wèl bleef het grootste gedeelte van het Joodsche volk den Messias verwerpen ; wèl was er eene groote schare van discipelen zelfs, die den Heiland voor altijd verlieten, toen Hij sprak van Gods genadeverkiezing en de geestelijke gemeenschap met Hem Maar toch hooren wij ook te dier zelfder tijd een Petrus getuigen : „Heere tot wien zouden wij heengaan ? Gij hebt de woorden dés eeuwigen levens, en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" (Joh. 6 : 68, 69). Wèl hooren wij voor het rechthuis van Pilatus het volk als uit éénen mond roepen : „Kruis Hem ! Kruis Hem !" maar ook den jubelkreet van Golgotha's kruisheuvel weergalmen : „Het is volbracht!" Wèl hooren wij op weg naar Emmaus een droevig tweetal angstig klagen : „Wij hoopten dat Hij was degene, die Israël zou verlossen !" maar toch zien wij hen aan den avond van dienzelfden dag zich over den verrezen Koning verblijden. En toen vervolgens de Heere zichtbaar ten hemel werd opgenomen, en zij zonder Hem naar Jeruzalem wederkeerden werden zij weldra weder verheugd en verblijd, toen op dien grooten Pinkstermorgen de gaven des Heiligen Geestes in zoo overvloedige mate over hen zouden worden uitgestort en de gemeente des Heeren met nooit gekenden luister verheerlijkt. Volharding de leer der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de gebeden, . waren de schoone vruchten, die aan dezen zoo heerlijken boom rijpten. Maar die zoo heerlijk bloeiende en groenende gemeente bleef niet lang in dezen zoozeer gewenschten toestand !
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's