Uit de Pers.
Scheiding van Kerk en Staat.
Dr. P. J. Kromsigt, Ned. Herv. predikant te Amsterdam, sprak daar ter plaatse over de leuze : „Scheiding van Kerk en Staat", naar aanleiding van de voorgenomen voorstellen van Minister De Vries inzake wijziging artikel 171 der Grondwet.
De spr. wees er op, dat de R.-Katholieken het meest geprofiteerd hebben van Staatsgeld voor nieuwe kerken. Terwijl in 1815 de Hervormde Kerken ƒ 1.000.000 ontvingen, en de R.-Katholieke kerk ƒ 165.000, waren die bedragen in 1907 geklommen tot respectievelijk ƒ 1.140.000 en ƒ 520.000. Dat is grootendeels de schuld geweest van de liberalen, en het blijft te betreuren, dat de Hervormden niet de wacht hebben gehouden en Rome maar zijn gang lieten gaan.
Dat is wel mee hieraan te wijten, dat ook in de Christelijke kringen de idee „scheiding van Kerk en Staat" veld won, en bovendien voelden de orthodoxen er niets voor, subsidie te vragen voor de modernen, die tusschen 1860—'70 zich sterk begonnen te ontplooien. Kaitzichtigheid is dat, evenals thans wanneer orthodoxen in plaatsen waar modernen de meerderheid hebben zouden weigeren straks bij te dragen aan de kerkekas, overeenkomstig het Reglement op de Predikantstractementen.
En nu, nu zitten we er mee. Want nu zijn door de kiescolleges (wat dr. Kuijper heel goed ingezien heeft) — de groote steden bij na voornamelijk orthodoxe wat de dienaren des Woords betreft, en nu hebben we geen subsidie. Spr. herinnerde hierbij aan het mislukken van een 17de predikantsplaats in Rotterdam door het weigeren van een subsidie van ƒ 1700. De Tweede Kamer had het toegestaan, maar de Eerste Kamer verwierp het weer na een rede van prof. Woltjer.
Vele Hervormde zijn met art. 20 van het A.-R. Program meegegaan, wijl zij niet goed de kern begrepen.
Spr.'s bezwaar tegen 't artikel is, dat de Overheid doen moet, of de Kerk niet bestaat.
Volgens dat art. 20 zal de Kerk nooit recht hebben, na afrekening met den Staat, om verder subsidie te ontvangen.
Daartegen komen dé Christelijk Historischen om practische en financiëele redenen op. Tegen uitkeering van het rechtens verschuldigde heeft spr. geen bezwaar. Hij wil echter ook een evenredige uitkeering aan de Gereformeerde en de Chr. Geref. Kerken. Het zou onbillijk zijn, als die niets kregen, terwijl de R.Katholieken, Lutherschen en Joden, van wie geen goederen in beslag genomen zijn, wel uitkeering krijgen. . Het is goed, in deze revolutionaire tijden, dat de Kerk haar eigen gelden weer in handen krijgt, die zij voor een eeuw in de schatkist stortte. Bovendien kan de Kerk dan beter de renten proportioneel over de gemeenten verdeelen, dan thans met de Rijkstractementen het geval is.
Tegen opheffing van de Overheidsverplich ting tot uitkeering van subsidies aan de Kerken voor uitbreiding van haar werk komt spr. met kracht op. Met een „ga heen en wordt warm" mag de Overheid de Kerk niet wegzenden, „dét kunnen wij volstrekt niet goedkeuren." Principieel niet, wijl de Overheid niet alleen de practische, maar ook de geestelijke belangen des volks moet behartigen, zeker in een tijd als deze, nu zelfs de Nat. Opera subsidie krijgt. Ons volk mag in de geestelijke concurrentie met andere volken niet achterkomen.
De Staat moet niet alleen cultuurstaat maar Christelijke cultuurstaat wezen. De Overheid moet de geestelijke belangen des volks voorstaan, als zij het met de erkenning van de „souvereiniteit in eigen kring" van de verschillende corporaties. De Overheid mag de Kerk niet voorbijgaan, vooral niet wijl deze de verwilderde massa's in de groote steden wil opzoeken.
Art. 36 der Geloofsbelijdenis leert niet, dat de Overheid zelf de prediking moet brengen, maar dat zij het Woord des Evangelies moet doen prediken. De Overheid moet de Kerk financieel steunen, anders zal de oproërige massa straks wel den Staat de rekening thuis sturen voor hetgeen deze verzuimde.
De Overheid is handhaafster van de beide tafelen der Wet, heeft Calvijn geleerd. De Overheid moet niet alleen voor de zedelijkheid zorgen zooals velen willen (de tweede tafel) want dat gaat niet zonder den grondslag der eerste tafel (de godsdienst), waarop de zedelijkheid steunen moet.
De Antirevolutionairen vreezen, dat de Overheid zeggenschap zal willen hebben in de inwendige kerkorganisatie, in ruil voor haar subsidie. Dit ware onrecht; de kans dat zich nu voordoet wat regel was in de 17e eeuw is vrijwel uitgesloten, — maar de vrees in elk geval ontheft de Overheid niet van haar verplichting tot financiëelen steun der Kerk.
Trouwens, reeds bij subsidieering van verschillend onderwijs en sociaal werk blijft thans ook de eigen vrijheid van de gesubsidieerden ongedeerd.
Het Evangelisatieveld der Ned. Herv. Kerk is onafzienbaar geworden. Subsidieering daarvan is dringend noodig. Anders wordt straks de „Volkskerk" een „kring van belangstellenden", zooals de gescheiden Ker ken zijn en groote kringen van gedoopten zouden voor de Kerk verloren gaan.
Als de Staat de Kerk niet subsidieert, dan staan we voor dit geval, dat wèl schouwburg, opera, orkest, openbare leeszaal, „die zich ontwikkelt tot een kerk des ongeloofs", worden gesteund toch ook uit onze belastingpenningen, maar dat de Kerk het loodje legt. Men moet niet met behulp van de Kerkelij ken zelf, de belangen der Kerk tekort gaan doen."
Zooals we gewoon zijn, nemen we ook nu weer wat op in de rubriek „Uit de Pers." Laat ons toch óók eens hooren naar hetgeen anderen zeggen, al zijn we het er altijd niet mee eens. Door wrijving van gedachten, zegt een Fransch spreekwoord, komt de waarheid naar voren.
Wat dr. Kr. hier beweert is niet óns gevoelen, zooals men weet. Wij denken over de subsidieering door den Staat van de Kerk béél anders dan onze Amsterdamsche collega. En het treft ons altijd weer, dat geduriglijk de Kerk met de Opera enz. in één adem genoemd wordt. Laat ons de Kerk toch kennen en eeren in haar eigen, heilige. Goddelijke positie, waar Jezus Christus het Hoofd der Kerk is. Dat is een zóó geheel eenige plaats welke de Kerk inneemt, dat het niet te vergelijken is met de School, noch met de Schouwburg, noch met iets anders.
Wij begeeren voor de Kerk geen Staatshulp. De Kerk moet zichzelf helpen, levend onder het Hoofd Jezus Christus, die gezegd heeft: „Ik ben met ulieden, alle de dagen tot aan de voleinding der wereld."
Daarom begeeren we voor het Zendingswerk ook geen Staatssubsidie. Natuuriijk wèl voor de Medische Zending en voor de Scholen. Maar niet voor den dienst des Woords, der Sacramenten en der gebeden.
Laat de Staat de Kerk recht doen en laat de Kerk dan leven bij Gods Woord, uit Gods hand
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's