Feuilleton.
Mag men de Herv. Kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ds. A. VAN VEELO, destijds ± 1868 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
7)
Van lieverlede week men van de oorspronkelijke zuiverheid af, vooral waar wettisch-gezinde leeraars eenen vermogenden invloed op de gemeente zochten te verkrijgen. Zóó was het o.a. te Antiochië, waar men zelfs het volk leerde, dat de besnijdenis tot zaligheid volstrekt noodig was. En ofschoon deze leer door de kerkvergadering te Jeruzalem werd veroordeeld, en het ontstoken twistvuur in de gemeente te Antiochië voor het oogenblik werd gebluscht, begonnen toch hier en in vele andere Christelijke gemeenten leeraren op te staan, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoerden. In de anders zoo bloeiende gemeente van Corinthe kwam veel scheuring en verdeeldheid, de een noemde zich naar Paulus, een ander naar Apollos, een derde naar Cefas, een vierde naar Christus ; terwijl er weldra zulk eene zedeloosheid in de gemeente werd geduld, die onder de heidenen zelf niet genoemd zou worden. (1 Kor. 5 vers 1 en 2). Ook in de gemeente van Galatie ontzagen ' zich vele leeraren niet om een ander Evangelie te prediken, dan hetgeen Paulus had verkondigd. Maar vooral in de gemeenten van Klein-Azië werd het licht der waarheid ! op veelvuldige wijze verdonkerd. Te Pergamus werden dezulken geduld, die de leer ; der Nikolaïten (of Antinomianen) predikten, waardoor velen tot afgoderij en hoererij werden heengevoerd. Te Thyatire werd, tegen het bevel van Paulus, eene vrouw toegelaten om in de gemeente te leeren, en wel de meest verderfelijke ketterijen. Te Sardis was de gemeente zóó diep gezonken, dat zij meer op een doode dan wel op een levende geleek, of wel, zooals de Heiland zelf zegt: „Gij hebt den naam dat gij leeft, en zie, gij zijt dood." Slechts eenige weinigen waren er, die hunne kleederen niet hadden bevlekt. Maar, in weerwil van dat alles, wordt zij nochtans, gelijk de andere zoozeer verwaarloosde kerken, de gemeente genoemd door Hem, die de zeven geesten Gods heeft, en die de waarachtige en getrouwe Getuige is. En hoe treurig was het gesteld in de gemeente van Laodicéa, van welke het woord des Heeren luidde : „Dat zij noch koud noch heet was, maar lauw, en daarom waardig door den mond des Heeren te worden uitgespuwd. Zij meende rijk en verrijkt te zijn, en geens dings gebrek te hebben, en zij wist het niet, dat zij arm was en jammerlijk en blind en naakt." (Openb. 3).
Zie, mijn lezer, dit zijn slechts enkele flauwe schetsen van den treurigen toestand der Christelijke gemeenten. Zou het ons wel bevreemden, indien er ook toen door nog enkele overgebleven getrouwen de vraag werd gedaan : „Mogen wij zulk eene verbasterde gemeente niet voor goed verlaten en eene andere kerkgemeenschap daarstellen ? "
Maar de Zaligmaker, het Hoofd Zijner duurgekochte gemeente, dacht er gansch anders over. Dat bleek vooral toen Hij in den staat der vernedering op aarde rondwandelde. Hoe ellendig zag het er toen met de Joodsche Kerk uit! Het Sanhedrin was een onnut lichaam, en de priesterorde op schandelijke wijze verbasterd ; de Parizeen hadden Gods inzettingen door hunne leeringen krachteloos gemaakt. En nochtans onderwierp de Heiland zichzelven en Zijne discipelen aan de wetten en regeering van deze Kerk ; en waar Hij b.v. de tien melaatschen reinigde, beval Hij hun, dat zij heengaan en zich den priester vertoonen moesten om door hen naar de wet rein te worden verklaard (Luk. 17 vers 14). En hoezeer prijst de Heiland het gedrag van die arme weduwe, om het werpen van hare twee penningen in de schatkist, welk geld gebruikt werd voor den kerkdijken dienst en tot onderhouding dier . goddelooze priesters ; een bewijs dus, dat Hij zich stelde tegen scheuring, en Zijne discipelen verplichtte om de Kerk niet te verlaten, maar gemeenschap met haar te oefenen, hoe verdorven zij ook zijn mocht, totdat de Heere zelf eindelijk de mogelijkheid dier gemeenschap afsneed.
Daarom is het dan ook, dat Paulus, in stede van de Corinthiërs te vermanen de Kerk te verlaten, omdat de tucht niet werd uitgeoefend, hen veeleer vermaant om die tucht weder te handhaven, leed te dragen over het diep verval, en de verkeerdheden uit haar midden weg te doen. Hij zegt niet : „Och ! of g ij u afscheidet, " maar : „Och, of zij afgesneden werden, die u onrustig maken", (Gal. 5:12). En ook de Heere Jezus geeft zeer duidelijk Zijnen heiligen wil te kennen, als Hij tot de gemeente te Thyatire, die van alle tucht en orde ontbloot was, zegt, dat Hij hun die de leer van Jezabel niet hadden, en die de diepten des satans niet hadden gekend, geen anderen last zou opleggen, maar hen vermaant door te zeggen : „Hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen". Het was dus geenszins het oogmerk des Heeren, dat zij onverwijld'' . handelen, en zelve redding zouden aanwenden, maar integendeel lijdzaam en afhankelijk zouden blijven van Hem, hunnen Koning, die als de Zoon van God, oogen heeft als een vlamme vuurs ; Wiens voeten blinkend koper gelijk zijn ; Die met een scherpen blik Zijn Sion gadeslaat, en Die steeds vaardig is, om niet op hunnen, maar op Zijnen tijd, al hare vijanden te verdelgen, of om hen aan Zich zelven te onderwerpen'
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's