De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

20 minuten leestijd

De Gereformeerden en de Ethischen. VIII.

Dat willen de ethischen niet, om zóó naast de gereformeerden en de modernen gezet té worden. Het lijkt dan alsof zij een „partij" zijn, naast andere partijen. En een partij willen ze niet zijn, zeggen ze.

Nu is het altijd moeilijk, als men niet zijn wil, wat ieder zegt dat men is. Ieder spreekt van „de ethische groep" of „de ethische partij" of „de ethische richting." Omdat er een bepaalde groep of kring is, die zegt: wij zijn ethisch. Ze vormen op kerkelijk gebied in de practijk een soort partij, wat niemand loochenen kan. Men heeft „ethische" kiesvereenigingen ; men spreekt van „ethische" candidaten ; van „ethische" dominé's en van gemeenten die „ethisch" zijn ; ook van „ethische" professoren, enz. enz. En heeft men niet pas een Vereeniging van „Ethischen" gekregen, met een bestuur, een reglement, een eigen orgaan, enz. ?

Men moet ons dus niet kwalijk nemen, als wij, bij onze bespreking, ook zoo'n klein beetje denken aan een „groep" of aan een „partij", welke onder ons bekend staat als „de ethische." We leven nu eenmaal midden tusschen deze dingen en we vinden het altijd maar het beste, om de werkelijkheid onder de oogen te zien en daarmee rekening te houden.

Dit vvijst ons er aanstonds op, dat als we over de Ethischen gaan spreken, we direct velerlei voetangels en klemmen op den weg zullen aantreffen. Telkens zal men ons toevoegen : hier slaat ge de plank mis ; hier zijt ge er leelijk bezijden. Maar dat zullen we ons dan maar getroosten en we zullen over de Ethischen praten, zooals wij nu jaren en jaren „de" Ethischen in onz< * onmiddellijke omgeving hebben mogen zien en hebben leeren kennen

Waarom we dat zeggen ?

Omdat we, eerlijk gezegd, er genoeg van hebben, dat de Ethischen zeggen : we vormen geen partij, we willen geen partij zijn. Dat klinkt nu wel heel mooi. Maar de practijk spreekt toch zeker ook nog wel een woordje mee ? Vooral als het de practijk is van tientallen van jaren ?

En bovendien, we kunnen over ..Ethisch" ook gewoonweg niet spreken als we het niet doen aan de hand van de practijk des levens.

Want wat is ethisch eigenlijk als we het ideaal nemen"?

Dan beteekent het: dat de godsdienst een zaak van het hart moet zijn, iets innerlijks, iets wezenlijks — en niet iets dat opgeplakt is, dat als een mantel omgehangen is, dat alleen maar in het hoofd gevonden wordt en alleen maar bestaat in holle phrasen en van buiten geleerde woorden of formules. Wat we belijden moet niet vormelijk worden nagesproken door ons, maar zal 't goed zijn, dan moet het wortelen in geestelijke kennis en eigen zielservaren.

Maar nu houde men het ons ten goede, wie denkt bij het hooren noemen van „de ethischen" nu allereerst en uitsluitend aan die beteekenis van het woord „ethisch ? " Ja, we gaan verder, en we zeggen met vrijmoedigheid, dat het vrij pedant en aanmatigend is van „de ethischen" als zij bij uitstek de menschen willen zijn, die den godsdienst kennen als 'n zaak des harten ; die in religiezaken afdalen tot het inwendige ; terwijl dan b.v. de confessioneelen en de gereformeerden worden gekarakteriseerd als menschen, die den godsdienst doen opgaan in woorden, formules, vormen, leuzen.

Nog eens, men houde het ons ten goede, maar we vinden het zóó arrogant van „de Ethischen", dat wij er voor bedanken, om hun dat recht te laten zich in dien zin „ethisch" te noemen ; terwijl we ook te veel zelfrespect hebben, om ons maar met een handomdraaien in een hoek te laten zetten, waar de gereformeerden nooit gestaan hebben, nooit hebben willen staan en ook nooit zullen willen staan.

Verbeeldt u ! De ethischen, de menschen die het 't diepst, 't ernstigst, 't meest geestelijk nemen. Die de religie een zaak des harten kennen. En de gereformeerden dan de uitwendigen, de oppervlakkigen, de formulejagers, de woordenzifters, de nachtuilen, de doodbidders, of welke lieflijke namen als projectielen uit den ethischen hoek ons worden toegeworpen !

Het gaat voor ons hier om een veel te gewichtige zaak, dan dat we zoo maar ons laten aanleunen, wat men met ons doen wil. Méér nog. Als het er op aankomt — en nu hebben we het niet over personen of persoonlijke aangelegenheden -  maar als het er op aankomt wie „ethisch" is in bovenbedoelden zin, n.l. belijdende, dat de godsdienst een zaak des harten is en niet iets dat in het hoofd alleen zetelt; dat de vreeze Gods inwendig zetelt en niet bestaat in aangenomen vormen of gewoonten ; dat de zaligheid niet bestaat in raak niet en smaak niet en roer niet aan, maar in het kennen van Jezus Christus voor eigen ziel als Heiland en Borg, dan zeggen we : zóó zijn de gereformeerden ; zóó hebben ze van den Heere 't geleerd en zóó hebben zij het de eeuwen door beleden !

't Zou niet moeilijk vallen dit te bewijzen. De Heilige Schrift spreekt zoo. De Apostelen, gelijk de profeten, zijn ons in deze voor gegaan. Onze gereformeerde vaderen hebben in dat voetspoor gewandeld. En we zetten het „de ethischen" te bewijzen, dat de gereformeerden, in en buiten de Herv. Kerk, leeren, dat de godsdienst iets uitwendigs is ; dat de godsdienst bestaat in woorden ; dat de godsdienst en het leven van elkaar gescheiden is, enz. enz. En als „de ethischen" dat dan in gemoede niet aandurven, om dat getuigenis te geven van de gereformeerden in en buiten onze Herv. Kerk, dan moesten ze niet langer zichzelf bij uitstek „ethisch" noemen en óns dan daarmee tegelijk aanduiden als de menschen van het verstand, als de formeelen, de uitwendigen, de doodbidders.

Wij zeggen deze dingen maar scherp en met al den ernst van onze ziel, omdat we nu al lang genoeg gehad hebben dat vertroebelen van de dingen, die met name op het erf onzer Herv. Kerk zich hebben afgespeeld de laatste tientallen van jaren.

De gereformeerden zijn geen formeelen, uitwendigen, doodbidders — tegenover de diep geestelijke, levende, heilige ethischen.

Daarvoor hebben de gereformeerden te veel in hun Bijbel gelezen, om niet te weten dat de Schrift overal leert, dat een mensch wederom geboren moet worden, zal hij het Koninkrijk Gods beërven ; dat een mensch niet met woorden en met formules toe kan voor de eeuwigheid ; dat de ware troost des christens ontspringt, ddar waar een arme zondaarsziel wordt ingezet in den vruchtbaren bodem van Christus' zoenaibeid.

Hebben de gereformeerden de zielen gebracht op het stoppelveld van raak niet en smaak niet en roer niet aan ? Op den heidegrond van de doode vormen en uit het hoofd geleerde leuzen ?

Men weet beter !

Nog eens — het gaat hier natuurlijk niet om personen ; niet over deze of gene. Ook zelfs niet over een bepaalde periode.

Want stel eens, dat deze of gene van de gereformeerden misschien bij uitstek ongereformeerd sprak of leerde of schreef. Of stel eens, dat er een bepaalde periode is geweest, dat in de Geref. Kerk op ongereformeerde manier over de godsvrucht was geleeraard. Dan is daarom het gereformeerde nog niet geworden tot iets uitwendigs. En men zou dan het recht hebben, om te roepen : Keer weer terug tot de echte gereformeerde, tot de echte Bijbelsche paden, waarin alleen vreugd en vrede ligt voor de ziele en de eere Gods wordt bevorderd in en door het werk van Jezus Christus.

Men behoeft dan niet de leuze aan te heffen : ethisch !

Men heffe dan de banier op : gereformeerd !

Want het echte, ware gereformeerde beginsel leert van den godsdienst dat het een zaak des harten is — maar óók van de lippen ; dat 't een inwendige zaak is — maar die ook naar buiten treedt; een zaak van gelooven — maar óók van belijden ; een zaak van meditatie — maar ook van formuleering ! En dat moeten we hebben ; de twee zijden van de zaak evenwichtig, daar het anders onderst boven valt en dood gaat.

De godsdienst iets inwendigs ; een zaak der ziel ; iets eigens, dat niet buiten ons moet staan, maar in ons gevonden moet worden. Waarbij steeds de ernstige waarschuwing moet uitgaan : Beproef u zelf, beproef uzelf nauw, of gij ook in 't geloof zijt !

Hebben de gereformeerden dat niet geleerd en gepredikt altijd ?  Immers ja !

En dat hebben ze afgelezen van de bladzijden der Heilige Schrift, beginnende van voren af aan. Daar staat Kaïn naast Abel, maar de een wordt ledig bevonden, terwijl de ander Gode weibehaaglijk is, hoewel ze beiden uitwendig als godsdienstig voorkomen aan het menschelijk oog, dat hen gadeslaat als zij ieder voor zich Gode offeren. Hebben de gereformeerden hierbij geleerd, dat het uitwendige genoeg is ? Dat de godsvrucht bestaat in leuzen ? Dat het gaat om de leer en niet om het leven ? Of hebben ze geleerd, dat de Heere het harte aanziet en niet bij den buitenkant der dingen blijft ? Een ander voorbeeld uit de Schrift !

Daar wandelt de vrouw van Loth van Ur der Chaldeën mee met haar man en met haar oom Abram. Zij woont óók in Kanaan. Zij wordt óók uit Sodom gered. Saam gebeden, saam gezongen, saam beleden naar Gods getuigenis. En ten slotte : wel bladeren, maar geen vrucht 

Wie van de gereformeerden heeft nu ooit gepredikt over den tekst : „gedenk aan de vrouw van Loth", met de bedoeling den menschen te leeren, dat het uitwendig bezit van godsdienstige vormen en het meedoen met Gods volk of het mee optrekken met een partij voldoende is voor de eeuwigheid? Er is er niet één te noemen.

Wel hebben ze allen en altijd, in allerlei toonaard, de schare des volks geleerd : ten zij iemand wederom geboren worde, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien.

Het „van boven geboren worden uit water en geest" ; het „wegnemen van het steenen hart en het ontvangen van een vleeschen hart" — dat was steeds het thema, dat met ernst werd uitgewerkt, ieder sprekend naar zijn aard.

Durven „de ethischen" dit ontkennen ?

Neem ook de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden. Is er niet altijd de volle nadruk opgelegd door de gereformeerden, dat het ten slotte niet gaat om de lamp, maar om de olie. (Natuurlijk moet ook over „de lamp" worden gesproken, want de olie moet, naar Gods bestel en naar 's menschen wetenschap, een lamp vin den om te kunnen branden en te kunnen lichten ; maar daarover later nog wel iets meer, als we het gaan hebben over de belijdenis en de formuleering daarvan.) We kunnen niet binnenkomen met iets dat we gaan leenen van anderen, dat we overnemen of vinden, 't Gaat om 't geen we zijn, om 't geen we hebben, door Gods genade in Jezus Christus ; ingeplant als levende ranken in den waren wijnstok, dragende vruchten der gerechtigheid uit Hem, die het leven heeft en het leven geeft.

Zou het dan gereformeerd zijn of mag het dan als verwijt aan de gereformeerden worden toegevoegd : dat we den godsdienst verlagen tot iets uitwendigs, tot holle frasen en doode leuzen ? Dat de gereformeerden juist precies 't omgekeerde leeren dan we lezen in 1 Sam. 15 : „Heeft de Heere lust aan brandofferen en slachtofferen als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren ? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen" ?

Leeren de gereformeerden, dat het zich tooien met een vlag genoeg is voor de eeuwigheid ? Dat het aankomt op de leer, maar dat het geestelijk kennen der dingen van weinig nut is en dat het beleven der dingen van weinig waarde is ?

Niemand, die het ernstig meent, zal dat durven zeggen.

Lees — om maar dadelijk iets van beteekenis te noemen — lees maar eens wat onze Gereformeerde Heidelbergsche Catechismus leert al dadelijk in de 1ste Zondagsafdeeling en in al de Zondagsafdeelingen die dan volgen.

Omdat men zoo plomp den gereformeerden verwijt' doet, dat het hun genoeg is, als iemand maar lid van den Geref. Bond is of geen gezangen zingt, willen we dat eerste antwoord hier nog maar eens afschrijven ; dan weet men, wat de gereformeerden op den voorgrond plaatsen voor tijd en eeuwigheid.

1ste vr. „Welke is uw eenige troost, beide in leven en sterven ?

Antw. : „Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft; en alzóó bewaart, dat, zonder den wil mijns hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moét. Waarom Hij mij ook door Zijnen Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte gewillig en bereid maakt".

Dat is gereformeerd.

En gaat dat op in leuzen en formules en woorden ? Is dat iets maar laten naspreken ? Is dat niet rakende het innigst wezen des menschen ? Is dat niet geest en leven, belijdenis en wandel ? Is dat niet gelooven en ervaren ?

Leg hier nu even naast wat de Catechismus zegt over het geloof in het 21ste antwoord. Daar staat : „Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft ; maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus' wil."

Als men dat nu leest, wat blijft er dan over van de beschuldiging, dat de gereformeerde een intellectualist is, die maar wat redeneert en formuleert en dan dat geredeneer en geformuleer maar laat onderteèkenen, meenende dat dan alles in orde is ?

Och, laat men om te voelen wat de gereformeerde opvatting van religie, van geloof van belijdenis en van leven is, eens even lezen wat de Catechismus in het 94ste ant­ woord zegt. Daar vertolkt de geloovige zijn geloofs-, zijn zieleleven aldus op 't intiemst: „Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, tooverij, waarzeggerij superstitie of bijgeloof, aanroeping van heiligen of van alle andere schepselen, mijde en vliede, en den eenigen waren God recht leere kennen. Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij aan Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte. Hem van ganscher harte liefhebbe, vreeze en eere ; alzoo, dat ik eer van alle schepselen dfga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijnen wil doe."

Maakt de Gereformeerde hier het geloof tot een puur verstandelijke bespiegeling ? en gaat hier het geloofsleven alleen door het hoofd, als een stuk redeneerwerk ?

Is hier voor den gereformeerde de religie slechts, eene openbaring in bovenzinnelijke waarheden en het christelijk geloof slechts de aanvaarding dier waarheden met Tiet verstand ?

Het antwoord ligt voor de hand.

Want natuurlijk vergeet een goed gereformeerd mensch het objectieve, het voorwerpelijke, het formeele niet. Daarom is het 21ste antwoord ook : „Een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft." Dat moet er bij. We moeten vasten grond onder onze voeten hebben, in het midden van deze booze en zondige wereld, temidden van een krom en verdraaid geslacht, welks harte boos is van der jeugd af aan. Ons geloof moet niet zijn een spinsel van eigen verstand. Het is van Boven. Het moet niet slap in de lenden zijn. We hebben een ruggegraat noodig dn religiezaken. Daarvoor hebben we ook Gods Woord, dat zeer vast is en dat schijnt als een licht in het duister. Maar niemand kan met reden zeggen, dat de gereformeerde in-religie-zaken het hart uitschakelt en alles laat opgaan in het uitwendig en vormelijk aannemen van deze of gene formule; of ook in het napraten van den Bijbel of van eenig mensch.

De vorm op zichzelf is niet ten leven. Die den vorm alleen heeft, is dood.

Gelijk de gereformeerde bij de verklaring van de gelijkenis van den verloren zoon er ook altijd op wijzen zal, dat de oudste broe der, hoewel rechtvaardig in eigen oog en de beste huisgenoot, toch in werkelijkheid een vreemdeling, een buitenstaander is ; iemand die niets kent van de liefde des Vaders en ijskoud zijnde, zich buiten beter op z'n gemak voelt dan binnen, als daarbinnen engelenblijdsohap gesmaakt wordt, waar één zondaar zich bekeert en door den Vader aan het harte wordt gedrukt.

Religie bestaat niet in buitenwerk ; het moet binnenwerk zijn !

Dat „ethisch" element in de religie wordt door den gereformeerde niet over 't hoofd gezien, 't Ligt geheel en al in de lijn van het gereformeerd beginsel We hebben méér noodig dan Mozes te roemen met den mond zooals de Parizeen deden. We hebben iets anders en iets hoogers noodig, dan prat gaande op de besnijdenis des vleesches, ons kinderen van Abraham te noemen. Het baat ons niet, als we niet meer kennen dan het Heere, Heere roepen. De gereformeerde althans acht deze dingen niet voldoende ; die spreekt van geestelijker, dieper, heiliger, intiemer werk.

Lees daarvoor maar eens in de Dordtsche Leerregels — de veel gesmade en door velen zoo hard genoemde Leerregels ! Hoe teer wordt daar over de religie, over het geloof gesproken. Daar wordt afgedaald tot in het diepste der ziel. Daar is het zoo echt subjectief, onderwerpelijk, persoonlijk, 't Is daar zoo heelemaal niet, dat des men-schen hoogste geluk ligt in het aanheffen van leuzen en het onderteekenen van formules (wat, 't zij tusschen haakjes toch even weer opgemerkt, wel degelijk z'n nut kan hebben, maar nooit het essentiëele van onze religie kan en mag zijn).

Zal men den gereformeerden in deze recht willen doem ?

Sla de Leerregels maar op bij hoofdstuk III en IV en lees daar wat staat in § 11 en 12. We schrijven het maar weer even af, dan kan men het in dit verband tegelijk lezen en voelen ! Daar staat dan, dat „het werk des Geestes en der bekeering van binnen geschiedt", wat omschreven wordt als volgt : „Voorts wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en de ware bekeering in hen werkt, zoo is het dat Hij niet alteen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn ; maar Hij dringt ook door tot in de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geest ; Hij opent het hart, dat gesloten is ; Hij vermurwt dat hard is ; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil ; die wederspannig was, gehoorzaam wordt ; Hij beweegt en sterkt dien wil alzóó, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen."

Dat is gereformeerd. Zooals we b.v. ook-Ifizen in de schoone „Synopsis purioris The ologiae" van de Leidsche hoogleeraren Polyander, Rivet, Walaeus en Thysius, waar staat: de Heilige Godgeleerdheid is niet een bloote speculatie maar een practicale kennis, welke den wil en alle effecten der ziel krachtig aanzet, om God te dienen en lief te hebben. (Gal. 5 vers 6) „het geloof door de liefde werkende."

Tot in de binnenste deelen des menschen doordringende met de krachtige werking van den wederbarenden Geest — dat is het thema van de gereformeerde religie ; en daarbij den wil alzóó sterkende, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.

Zóó staat het in de gereformeerde Dordtsche Leerregels. Of zooals § 12 het nog weer op andere wijze zegt : „En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden en levendmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen, noch door aanrading of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen zoude staan wedergeboren te worden of niet wedergeboren te worden, bekeerd te worden of niet bekeerd te worden. Maar het is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schrift (die van den Auteur van deze werking is ingegeven) in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der dooden ; alzoo, dat alle diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtig wedergeboren worden en metterdaad gelooven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf : waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mensch door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert."

Wordt hier door den gereformeerde het intieme karakter van de religie, van het geloof miskend ? Wordt hier alles gemaakt tot „leer" en ontbreekt het „leven" ?

Men weet beter ! .,

Het is gereformeerd het intiemste van des menschen ziel in de religie te betrekken en met de Dordtsche Leerregels te zeggen, dat onze religie hierin moet bestaan : „door de genade Gods met het hart gelooven en hun nen Zaligmaker liefhebben." (Hoofdst. III en IV, § 12).

(Wordt vervolgd).

Een aangenaam karakter.

Er is groot onderscheid in karakter bij de menschen. Dat geldt ook van Gods kinderen. Zij zijn allen voorwerpen van Gods liefde, 'maar er is verscheidenheid der gaven. Gods kinderen zijn niet allen even aangenaam. En het is wonderlijk, hoe soms een echt kind van God toch een minder prettig karakter kan hebben. Daarom is het zoo heeriijk genade bij God te mogen hebben, maar dubbele genade is het, als we ook aan genaam bij de menschen mogen zijn, lieflijk in de oogen des naasten.

Dat laatste hebben lang niet al Gods kinderen.

Er zijn kinderen der menschen, die met vele natuurlijke gaven, die sympathie opwekken, zijn begiftigd ; evenwel de liefde Gods kennen ze niet; en ze hebben geen ingang in Gods Koninkrijk. Maar er zijn kinderen Gods die niet uitmunten in liefde tot den naaste. Ze kunnen dikwijls dan zoo onvriendelijk, zoo stuursoh zijn. Zij geven niet steeds een goede reuke, als planting van Gods hand. De christennaam getuigt zoo dikwijls tegen ons. Ons aangezicht is niet gezalfd. En door onzen godzaligen wandel zal de naaste voor Christus gewonnen kunnen worden. Laat ons dan toezien, dat niet door een slordigen wandel en door een onvriendelijk karakter de naaste van Christus wordt afgevoerd, doordat wij dien Naam tot een aanfluiting maken en den dienst des Heeren doen afstooten.

In Christus ingeplant zij onze vrucht ook in deze uit Hem. Een stad op den berg en een licht op den kandelaar kunnen niet verborgen blijven.

Daarom zullen we ons moeten leeren verootmoedigen ook wat onze karaktergebreken aangaat en we hebben den Heere aan te loopen om genade, de zalving des Geestes afsmeekend, opdat des Heeren werk zich in ons lieflijk openbare en de naaste zal zien, dat God bij ons is en voor Christus gewonnen worde.

Heerlijk, als we een godzalig leven mogen leiden, zoodat ook zij, die vervreemd van Gods 'beloften waren, nog moesten getuigen, dat zij eerbied gevoelen voor een christelijken levenswandel en Gods dienst leeren kennen als een dienst die trekt en niet afstoot.

Want ook in deze zullen de stinkende vruchten geschreven worden op de registers onzer overtredingen, dewijl wij de schuldigen zijn.

Ook hier kan en wil de Heere helpen allen die in ootmoed tot Hem komen, om hen te leeren met voorzichtigheid te wandelen tot Zijn eer, in ons beginsel getrouw en in ons optreden vriendelijk en oprecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's