Stichtelijke overdenking.
Zoo zegt de Heere : Vervloekt is de man, die op eenen mensch vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens hart van den Heere afwij'kt. Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt ; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. Gezegend daarentegen is de man. die op den Heere vertrouwt, en wiens vertrouwen de Heere is. Want hij zal zijn als een boom. die aan het water geplant is, en zijne wortelen uitschiet aan eene rivier, en gevoelt het niet wanneer er eene hitte komt, maar zijn loof blijft groen ; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Jeremia 17 vers 5-8.
In onzen tekst spreekt Jeremia, wiens naam beteekent „de Heere verwerpt." Gelijk zijn naam zoo predikte ook zijn woord onophoudelijk : „De Heere verwerpt."
Maar Jeremia wilde niet dat het woord van onzen tekst beschouwd zou worden als zijn persoonlijke meening.
Dan ware het waardeloos als een menschenwoord. Doch het was God Zelf Die het hem in het hart en op de lippen legde. Daarom is dit woord zoozeer onze volle aandacht waard, omdat het uit Gods mond tot ons komt.
„Zoo zegt de Heere." En dan verdeelt de Heere de menschen in twee groepen, niet naar het uiterlijke, naar hunne woorden of werken, gelijk wij het zouden doen. Hij, die de harten kent en de nieren proeft deelt hen in tweeën naar het vertrouwen dat in hun hart aanwezig is. Immers dat vertrouwen maakt zoo'n groot verschil in het inwendige leven en ook in het uitwendige. Het is gelijk de Psalmist belijdt: 's Heeren stem ontbloot het woud. Maar hij die op God vertrouwt. Buigt zich veilig Hem ter eer, Juichend in Zijn tempel neer.
Ziet, als dat geloofsvertrouwen op de proef gesteld wordt, wanneer 's Heeren stem op het hoogst geducht, Rolt en klatert door de lucht, wanneer het aan alle kanten gevaarlijk is en er nergens een veilig schuil hoekje gevonden wordt, dan blijken talloos velen geen grond onder de voeten te hebben en geen toevlucht in hun vreezen.
Dan schijnen ze het verleerd te hebben te vluchten in de schuilplaats des Alierhoogsten om te vernachten in de schaduw Zijner vleugelen.
Dan weten ze niet met - den Psalmist biddend aan te heffen : Wees mij een rots om in te wonen. Een schuilplaats waar mijn hart, Steeds toevlucht vindt in smart."
Dan valt alle vertrouwen op den Vader in de hemelen weg en zijn ze als schepen zonder roer in den storm, als de bewegelijke golven der zee.
En de Heere wil dat Zijn volk op Hem vertrouwt. Hij heeft het beloofd door den mond van Zefanja :
Ik zal doen overblijven een arm en ellendig volk, die zullen op den Naam des Heeren vertrouwen. Daarom zal Hij, diè niet liegen kan dat vertrouwen werken en versterken in het hart van Zijn gekenden, totdat zij uitroepen : „Ik steun op God, mijn toeverlaat, dies heb ik niets te vreezen."
Daartoe dient ook onze tekst: Vervloekt is de man, die op een mensch vertrouwt en vleesch tot zijn arm stelt en wiens harte van den Heere afwijkt. Gezegend is de man, die op den Heere vertrouwt en wiens vertrouwen den Heere is.
Twee levensbeginselen worden hier tegenover elkander gesteld en over het eene wordt de vloek uitgesproken en over het andere de zegen.
Dat eene heet : Op een mensch vertrouwen en vleesch tot zijn arm stellen en tezamen is dat van den Heere afwijken.
Om deze woorden goed te verstaan moeten wij onderscheiden : Iemand vertrouwen en op iemand vertrouwen, gelijk aanstonds nader in vers 7.
Iemand vertrouwen wil zeggen zijn woord waar achten en dat wordt niet verboden in de Heilige Schrift. Met dat vertrouwen komen we helaas menigmaal bedrogen uit en toch kunnen we het niet missen. We zullen telkens weer een mensch op zijn woord gelooven, doch den een eerder dan den ander. Al zal de Heilige Schrift steeds blijken de waarheid te verkondigen, zeggen de dat alle menschen leugenachtig zijn, toch zullen wij den leugenachtigen mensohen niet alle vertrouwen kunnen ontzeggen. Al hebben de couranten ons tallooze malen bedrogen, toch gelooven we wel iets .van die berichten.
Maar dat is geheel iets anders dan vertrouwen op menschen, dat ons steeds in de Heilige Schrift wordt ontraden en verboden, b.v. Ps. 146 : 2 Dat vertrouwen op menschen en op prinsen werd ook bij Israël gevonden, want Jesaja 31 : l, , 3 roept het uit : „wee dengenen die in Egypte om hulp aftrekken en steunen op paarden en vertrouwen opwagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters omdat die zeer machtig zijn en zien niet op den Heilige Israels en zoeken den Heere niet.
Want de Egyptenaren zijn-menschen en geen God en hunne paarden zijn vleesch en geen geest. En de Heere zal Zijne hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal en die geholpen wordt zal nedervallen en zij zullen al te zamen te niet komen."
Gij begrijpt wel, hoe beleedigend 't voor den Almachtige moest wezen dat Zijn volk geen hulp zocht bij Hem, Die alléén helpen kon, maar bij menschen.
Daarover vertoornt Zich de Heere terecht en over hen die op menschen betrouwen spreekt Hij Zijn vervloeking uit. Nu zullen wij wel niet gaan om hulp naar Egypte, maar toch vertrouwen ook wij misschien al te veel op de wijsheid, goedertierenheid, macht en getrouwheid der menschen.
Niet op die eigenschappen van menschen, maar op de eigenschappen Gods moest onze hope gebouwd wezen.
Wij kunnen ook vleesch tot onzen arm stellen. Dat is niet op anderen, maar op onszelf, op ons werk of op onze wijsheid bouwen en dat is even dwaas.
Toen b.v. David Goliath tegemoet trad, was die reus gewapend met speer en schild en zwaard. Daarop vertrouwde die sterke, toen hij David verachtte. Maar David toonde zijn schild en wapen toen hij uitriep: „Ik kom tot u in den Naam van den Heere der Heirscharen, den God der slagorden van Israël, Dien gij gehoond hebt."
Daar ziet ge die twee levensbeginselen tegenover elkaar en ge weet wel wie het won. Maar dan moet ge toch goed verstaan dat David niet ten strijde kon trekken zonder langdurige oefening vooraf en dat hij ook niet ten strijde ging zonder wapenen. Hij nam z'n slingersteenen mee. Maar hij vertrouwde niet op die steenen en ook niet op z'n oefening, maar op God. De Heere moest zijne hand leiden en moest den steen voeren naar Goliath's voorhoofd.
Ja, zelfs moeten we opmerken dat zijn geloofsvertrouwen hem niet roekeloos maak te, want hij nam vijf gladde steenen mee Indien de eerste miste, dan had hij er nog meerdere. David deed dus niet als Goliath, die vleesch tot zijnen arm stelde.
In het strijdperk van dit leven zijn er vele Goliaths, die steunen op het werk huïiner handen, en van dezulken wordt gezegd, dat hun hart van den Heere afwijkt. Och wat zijn er veel menschen, die meenen dat godsdienst iets is wat in 't dagelijks leven niet thuis hoort, iets dat een apart terrein heeft. Velen houden bij hun werk geen rekening met God en doen alsof zij 's Heeren zegen dan wel kunnen missen.
Roept de Psalmist ons niet toe : Stel op den Heere in alles uw vertrouwen. Betracht uw plicht, bewoon het aardrijk, leer uw wel vaart op Gods trouw volstandig bouwen. Welnu als wij dat niet doen dan wijkt ons hart af van den Heere en dan treft ons Zijne vervloeking. Ons geloof moet zijn 't zuurdeeg van ons leven. In alle dingen moeten wij onze afhankelijkheid van Hem kennen en erkennen, 't Gebed aan tafel b.v. is daar van een betooning dat wij 't verstaan dat wij zelfs niet kunnen eten en drinken zonder den Heere.
Ziedaar die twee soorten menschen tegenover elkaar gesteld, en van dengene die God niet vertrouwt en dus als zonder God in de wereld is, zegt onze tekst: Want hij zal zijn gelijk de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn in zout en onbewoond land.
Ook de woeste zandgronden in ons land zijn niet kaal, doch bedekt met de bruine heide, die zelfs op die onvruchtbare velden nog eenig voedsel vindt dm een kwijnend bestaan op te rekken.
Hoe slechter de bodem, hoe kleiner de heide. Onze tekst spreekt van dorre plaatsen in de woestijn in zout en onbewoond land. Wij mogen dus niet denken aan de bloeiende heidevelden, die in Augustus en September een schitterende schoonheid ten toon spreiden ter eere van hun Schepper maar onze gedachten moeten gaan naar de zoute omgeving van de zee des vlakken velds, waar zelfs de heide kaal is.
Als daar 't goede komt, dat wil zeggen als de Gever van alle goede gave Zijn lieflijke zon op die velden doet schijnen, dan wordt die droge grond nog droger, maar de heide verandert er niet van en kan er tegen. De brandende hitte draagt ze evengoed als de koude van den nacht.
En als Hij die regent over den akker van rechtvaardigen en onrechtvaardigen, de regenwolken daarhenen voert en haar last daar ontlaadt, dan wordt de heide niet malsch, niet frisch, niet fleurig. De harde heideplantjes blijven hard en 't is alsof al die goede gaven bij hen zijn weggeworpen. Ze toonen geen dankbaarheid voor Gods gaven gelijk 't grasland, dat frisch groen wordt, wanneer na de droogte de regendruppels raken tot de wortels, 't Is alsof de heide door alles slechts harder wordt.
In die ondankbare heide wordt 't droevig beeld geteekend van den zielstoestand van hen, die op menschen betrouwen en vleesch tot hun arm stellen, en wier hart van den Heere afwijkt.
Of de zon van beproevingen brandt en ze smart op smart en teleurstelling op teleurstelling vinden, ze worden daardoor niet vernederd of verteederd voor Gods aangezicht. Ze blijven dezelfde ; neen ! ze worden verhard en kunnen den Heere temeer missen. Of ze weldaad op weldaad ontvangen en het hun in alle opzichten naar den vleesche gaat, dat baat óók niet. Ze zullen God daarvoor niet danken. Voorspoed maakt niet godvruchtig.
Zou er veel heide in ons land wezen ? Als wij zien op den weinigen dank bij velerlei voorspoed in de laatste jaren, op de weinige bekeering bij tallooze roepstemmen, dan schijnt het wel dat er veel heide is.
Maar ik heb anderen niet te oordeelen, slechts mijzelf, en als mijn eigen harte is als de dorre, ondankbare heide, zoodat ik slechts harder wordt door hetgeen God mij toezendt, dan lig ik onder Zijn vervloeking. Dan heb ik een droevig, somber, vreugdeloos leven en in de eeuwigheid wacht mij eeuwig wee. Want wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen.
Dan is mijn hart nooit overvloeiende van dank aan God en dan gevoel ik geen behoefte om met Gods dankbare kinderen aan te heffen :
Zij zullen uit de volheid van 't gemoed. Gedachtig aan den milden overvloed van Uwe gunst die roemen bij elkeen-, - - En juichen van al Uw gerechtlgheên. De Heer is goed en vriend'lijk en weldadig. Barmhartig, mild, lankmoedig en geiiadig. Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken Zijn goedheid is v«rspreid op al Zijn werken.
Droevig is de zielstoestand van hen, die met heide vergeleken worden, die het niet gevoelt wanneer het goede komt. Droevig is het lot van hen, wier harte van den Heere afwijkt en die niet met Hem rekenen in alles. De een kent het leven als zonder ware vreugde, want over alles hangt de schaduw des doods. Anderen gevoelen de vergankelijkheid der vreugde die ze bezitten ; de last des levens is voor een derde te zwaar en hij buigt zich daaronder neer. Ze hopen steeds, dat straks nog eens betere tijden zullen aanbreken, waarin ze zich gelukkig zullen gevoelen.
Arme menschen, die het buiten God zoeken ; ze zullen het nooit vinden. Buiten God vindt ge het nooit, wanf zoolang ge buiten Hem leeft, ligt ge onder den vloek. Buiten God is geen vrede, geen vreugde, geen geluk. Stel daartegenover eens den rijkdom van hem, tot wien God spreekt : „Gezegend is de man die op den Heere vertrouwt en wiens vertrouwen de Heere is."
Zoo een staat als David tegenover Goliath. Zoo een durft water te halen uit Bethlehems bornput, ook al liggen de Filistijnen er voor. Zoo een schaamt zich het Evangelie van Christus niet, want het is hem een kracht Gods tot zaligheid.
Immers voordat een mensch op den Heere gaat vertrouwen, moet er veel aan zijn hart geschieden. In het paradijs hebben wij God den dienst opgezegd. Adam en Eva hebben hun vertrouwen Gode ontzegd en ze hebben het satan geschonken.
Het woord van den lasteraar van den beginne, van den aartsleugenaar boezemde hun meer vertrouwen in dan het woord van Hem, Die niet Iie.gen kan.
Sinds dien tijd is dat zoo gebleven, dat wij veel eerder allerlei leugens gelooven uit couranten en boeken, dan het onfeilbaar Woord Gods.
Al de dwaaste theorieën van de wereldwijzen worden aanvaard zonder eenig be wijs, maar het Woord des Heeren wordt betwijfeld en verworpen.
Dat is het gewone doen der menschen. Maar nu komt de Heere den mensch bij al dat ongeloof ongelukkig en onrustig te maken. De mensch gevoelt dan, dat hij een beteren steun moet hebben en hoewel hij daar niet aan wil, langzaam maar zeker of ook wel plotseling doet de Heere zijne ziel uitgaan naar den God des levens.
Wellicht zijn er onder de lezers die het ervaren dat de Heere zoo aan hun ziel arbeidt om hun de toevlucht te doen nemen onder de schaduw Zijner vleugelen. Denzulken geldt : Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Weet het, dat de Heere uw heil zoekt en satan uw verderf. Laat dus uw harte niet afwijken van den Heere, maar zoek Hem met een volkomen hart. Mocht de H. Geest in uw hart dat vertrouwen werken dan hebt ge 'n gelukkig leven. Maar ook dat vertrouwen groeit. Petrus had al drie jaren met den Heiland gewandeld en het had hem aan niets ontbroken. En toch, toen Jezus zeide : In dezen nacht zult gij Mij driemaal verloochenen, vertrouwde Petrus den Heiland niet. Hij geloofde Hem niet en toen week zijn hart af van den Heere en hij stelde vleesch tot zijn arm.
O, er moet zoo veel geschied zijn aan ons hart, eer er van een volkomen vertrouwen sprake kan zijn. Indien wij den Heere vertrouwen, d.i. als wij Hem op Zijn woord gelooven, dan aanvaarden we wat in vers 9 staat : Arglistig is het hart, meer dan eenig ding ; ja doodelijk is het, wie zal 't kennen. Dan weten we dat ook de geloovigen geneigd zijn des Heeren Woord te verwerpen, telkens als het met hunne begeerten in strijd is.
Maar welk een onwaardeerbaar voorrecht, indien wij niet slechts Gods Woord vertrouwen, doch als wij ook op den Heere vertrouwen ; als wij op Hem steunen en rusten en bouwen en aan Hem de uitkomst van alle dingen overlaten en alle dingen uit Zijne hand ontvangen. Dan gelden voor ons die troostvolle woorden : Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is en zijne wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet wanneer er hitte komt, maar zijn loof blijft groen en in een jaar van droogte zorgt hij niet en houdt niet op van vrucht te dragen.
Het is hetzelfde beeld dat de Psalmist gebruikt in Psalm 1 vers 3. Het beeld is zoo duidelijk, dat ik het niet geheel behoef te bespreken.
Slechts een enkele opmerking. De mensch die op God vertrouwt is een geplante boom. Zijn wortelen zijn losgewoeld uit den bodem der zonde, waarin hij van nature teelde. Nu is hij geplant aan het water en hij schiet zijn wortelen uit aan een rivier. Hij heeft dus geen gebrek en geen gevaar te vreezen. Hij is niet als de heide, die steeds een armoedig bestaan heeft, maar zijn wortelen steken af naar de onpeilbare diepten van het onwankelbare Wezen Gods.
Daar komen de golven van de rivier des levens die uit den troon Gods en des Lams vliedt zijne wortelen bevochtigen. Daaruit haalt de boom , de levenssappen en de kracht om het hoofd omhoog te steken. Daar beneden, verborgen voor des menschen oog, smaakt de boom de verborgen gemeenschap met het water.
En als zoo de diepste wortelen van ons bestaan zich bevinden bij de wateren Gods, dan zal onze godsdienst niet slechts Iets uitwendigs zijn, maar dan smaken vijanden verborgen omgang met God en dan weten wij hoe het heilgeheim aan Gods vrinden getoond wordt. En als dan de hitte der beproeving komt, dan zullen wij met een gezalfd aangezicht naar buiten treden, doordat de Heere aan Zijn kinderen de kracht geeft om hun kruis Hem vroolijk na te dragen.
Terwijl hij, die geen vertrouwen op den Heere stelt, toch geen zwaarder kruis behoeft te dragen, zult ge hem meer hooren zuchten en klagen over den last des levens, wanneer hij eenigen tegenspoed heeft. Want hij mist de kracht tot dragen en hij verstaat niet waarvoor het kruis noodig is. Maar de christen draagt vrucht, de vrucht des Geestes. '
Hij die vertrouwt op den Heere, den Onwankelbare, moge voor een oogenblik klein geloovig, kleinmoedig nederzinken, straks zal de machtige ontferming Gods het geloofsvertrouwen met nieuwe kracht doen opwaken tot verheerlijking van Zijn nooit volprezen Naam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's