De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

15 minuten leestijd

Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt tot hem niet : „wees gegroet" ; want die tot hem zegt „wees gegroet", die heeft gemeenschap aan zijn booze werken. 2 Johannes 10, 11.

GODS WOORD ALLEEN !

Wat hebben wij te verwachten aangaande den loop van het Evangelie ?

Het is het Evangelie van Hem, Die gezeten is aan Gods rechterhand ; het is het Woord van God, het levende Woord van Hem, Die spreekt, en het is er ; het is de lieflijkste prediking, die zich denken laat, de prediking van algeheele verlossing uit algeheele verlorenheid. Wat anders zouden we van dat Evangelie dan te verwachten hebben, dan dat het de wereld doorloopen zal, overwinnende en opdat het overwinne ? En nu gaat die veroveringstocht langzaam, langzamer dan wij zouden wenschen en denken ; het gaat daarbij niet zonder strijd. Maar mogen wij niet verwachten, dat het eindelijk ook den hardnekkigsten tegenweer zal breken en de felste vijanden op de knieën brengen om — ten slotte — overal doordringen, zoodat de profetie verwezenlijkt wordt, die een aarde voorspelt, waarop geen piekje ontbloot zal zijn van de kennis des Heeren, evenmin als er van den bodem der zee één stukje kan zijn door het water niet overdekt?

Neen, dat mogen wij niet verwachten ! Gods Woord zelf verbiedt het ons. Met onmiskenbare duidelijkheid wordt daar een andere loop geteekend.

Hoe ver het Evangelie zich ook zal uitbreiden en hoe velen het ook zal winnen, toch zal het geen onafgebroken zegetocht hebben tot aan de voleinding toe. Integendeel, menige Schriftuurplaats voorzegt uitdrukkelijk, dat het, wanneer het einde dezer bedeeling nadert, afstuiten zal tegen een muur van onverschilligheid en ongeloovigheid, hoogmoed en aardschgezindheid, eigenwilligheid en vijandschap tegen God. Eén voorbeeld : hoort wat de schrijver van dezen tekst zegt in het tweede hoofdstuk van zijn eersten brief : „Kinderkens, het is de laatste ure ; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen geworden ; waaruit wij kennen dat het de laatste ure is." Dat noemt hij als een kenteeken van de laatste periode der wereldgeschiedenis. Niet, dat het Evangelie steeds meer tot heerschappij komt, dat de leugen al verder wordt teruggedrongen, dat er van het ongeloof haast niets meer overblijft. Omgekeerd zegt hij het, omgekeerd ! Steeds meer leugen wordt er gevonden ! Al driester vertoont zich het ongeloof! al meer openbaart het zich in zijn antichristelijk karakter ! Ziedaar het kenmerk van de laatste ure.

Wat schreef de apostel in het begin onzer jaartelling. Sedert is de wijzer van de klok der historie meer dan 18 eeuwen aaneen voortgegaan : Zou hij nu nog ver van zijn uitgangspunt verwijderd zijn ? Zou er nog veel aan ontbreken, of hij heeft den omloop van die laatste ure voltooid ?

Maar dan behoeft ons ook niet te verwonderen, al datgene, wat wij in onze dagen zien ; — dat wij nog veel meer dan de geloovigen van den ouden dag aanleiding hebben om te getuigen : „hieraan kennen wij dat het de laatste ure is" ; dat het Evangelie gestuit wordt in zijn loop, dat het geen gehoor meer vindt, dat het veracht wordt en verworpen ; dat de dwalingen vermenigvuldigd worden, dat meer en meer de leugen in allerlei vorm gepredikt en geloofd wordt; — ach, het moge ons bedroeven, (was het maar in waarheid tot smart voor onze ziel !), het behoeft ons niet te verschrikken, , alsof de zaak des Heeren op weg ware ten onder te gaan Hij Zelf heeft ons op deze dingen voorbereid ; in Zijn eigen woord heeft Hij dit alles voorzegd ; daar kunnen wij lezen, dat het zoo zou gaan, en dat het zoo voort zal gaan tot aan het einde. Ja wanneer Hij straks Zijn Bruidsgemeente van de aarde zal hebben weggenomen, tot Zich, in Zijne heerlijkheid, dan zal dit schrikkelijk kwaad zich ten volle ontwikkelen en ontplooien ; dan zullen er niet alleen vele antichristen zijn, als in den loop van alle eeuwen, maar dan zal de Antichrist zelf optreden om over de gansche aarde den leugen te doen zegevieren ; dan zal de groote afval komen, in het groote rijk, het wereldrijk der ongerechtigheid. 

Zoo zal het gaan naar luid van Gods Woord. Wij in onze dagen kunnen zien, dat het zo gaan zal. 

Als wij dat bedenken, wat heeft dan dit tekstwoord een bizondere beteekenis. Zeker, het is een woord uit den ouden tijd ; maar van hoe .hoog belang voor ons in deze dagen !

Laten wij dan beginnen met dit woord te beschouwen in het licht van zijn eigen tijd ;

Laten wij vervolgens dit woord beschouwen in het licht van onzen tijd ;

En laten wij ten slotte onzen tijd beschouwen in het licht van dit woord.

1. In welken tijd dit woord geschreven werd, is slechts in zooverre aan te geven, dat men zeigt : in de laatste 20 of 30 jaar van de eerste eeuw onzer jaartelling. Maar wat voor tijd dat was, daarvan blijkt in dezen brief wel zoo veel, als tot recht verstand van deze uitspraak noodig is. In dezen brief en in den volgenden ; want die twee kunnen we wel bij elkaar nemen. Er is zoo groote overeenkomst en zoo nauwe samenhang tusschen 2 en 3 Johannes, dat we er niet aan behoeven te twijfelen, of ze zijn tegelijkertijd geschreven.

Aan wie ? Wij weten het niet. „Gajus", die naam wordt genoemd in den laatsten brief. Maar welke van de verschillende Christenen van dien naam, die in de Schrift voorkomen, hier bedoeld wordt, is-niet te zeggen.

En 2 Johannes ? Deze brief is gericht aan „een uitverkorene Vrouwe en aan hare kinderen". Hier worden geen namen genoemd ; dat kon ook niet; want — uit verscheidene bijzonderheden in den brief blijkt het duidelijk — die woorden zagen niet op één persoon met haar gezin, maar ze waren de zinnebeeldige aanduiding van een gemeente met haar leden ; als Kerk van Christus noemt de apostel haar : „Uitverkorene Vrouwe", als geloovigen noemt hij hen hare kinderen". En als hij eindigt met deze woorden : „U groeten de kinderen van uwe zuster, de uitverkorene", dan heeft hij daar mee die gemeente op het oog, vanwaar hij dezen brief verzond, en die geloovigen, in wier midden hij vertoefde.

Welke gemeente het geweest mag zijn, vandaar hij schreef, welke, aan wie de ; brief gericht was, ook dit is voor ons niet I meer na te gaan. Doch dat neemt niet weg, dat van haar beeld menige trek ons wordt voor ooigen gesteld.

't Is een gemeente uit het laatste van den apostolischen tijd ; een gevestigde gemeente, waar het Evangelie voor vele jaren reeds ingang heeft gevonden. Toch wordt het in haar midden verkondigd niet door een vasten, eigen leeraar, die er altijd, jaren aaneen, predikte ; dat was in dien tijd nog slechts in uiterst weinig gemeenten het geval ; gewoonlijk werd het woord verkondigd door reizende predikers, die nu hier dan daar werkzaam waren, op de eene plaats wat korter en op de andere wat langer, maar die nimmer zich blijvend vestigden, op één bepaalde standplaats.

Het ging nog op dezelfde wijze, als toen de Heiland de twaalven, en later de zeventig, uitzond, om het Evangelie des Koninkrijks te prediken van stad tot stad, en van vlek tot vlek. En wat Hij hun daarbij had opgedragen, dat gold ook nog voor die reizende leeraars van later dagen : „in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is, en blijft in dat huis, totdat gij van die stad uitgaat".

Zoo vinden wij het ook in 3 Johannes. Daar wordt Gajus geprezen om zijn herbergzaamheid, die hij bewezen heeft aan die broeders, die thans bij Johannes vertoeven ; en daar doet de apostel een beroep op zijn liefde, dat hij ze wederom ontvange, als ze naar die gemeente terugkeeren, en hen verder helpe, wanneer ze vandaar weer vertrekken (vs. 5, 6, 7).

Is dat dan iets groots, wat Gajus gedaan heeft ? en is het iets groots, wat Johannes wederom van hem vraagt ? Ja I in dien tijd en in die gemeente was dat een daad van moed, een bewijs van trouw en van liefde voor de waarheid. Daar waren er, die dit zochten te verhinderen. Daar was er met name een, die er zich met alle macht tegen kantte : Diotrefes, wellicht een opziener in die gemeente, in ieder geval een man van grooten invloed, die zijn wil aan de Gemeente wist op te leggen. Van hem schrijft Johannes, dat hij zelf de broeders niet ontving, en ook degenen, die het zouden willen doen, daarin verhinderde ; ja zoover ging hij, dat hij hen indien zij zich aan zijn verbod niet stoorden, van de gemeente afsneed (vs. 9, 10).

Zulk een tijd was het! nog bij het leven van een der apostelen I

Naast het zuivere, ware Evangelie werd dwaalleer verkondigd. Valsche leeraars reis den rond, evengoed als de predikers der waarheid. En hun woorden, vol van menschelijke wijsheid, hun leugenleer, streelend voor het natuurlijk hart, vond ingang, zelfs bij velen, die eerst de waarheid Gods hadden aangenomen en beleden. Ja, zoover was het gekomen in een gemeente als die van Gajus, dat de ware predikers van het zuivere Woord voor gesloten deuren kwamen, maar de dwaalleeraars zich het welkom hoorden toeroepen, en in menig huis met open armen ontvangen werden.

Vandaar dat Johannes zijn brief van aanbeveling voor eenige Evangeliepredikers niet richtte aan de gemeente in haar geheel, ook niet aan den voorganger der gemeente, maar aan één uit hare leden, Gajus: dit kon hij aan haar niet schrijven, het zou bij haar geen plaats vinden. Hij klaagt er zelf over, in zijn brief aan Gajus : „ik heb aan de gemeente geschreven ; maar Diotrefes die onder hen de eerste wil zijn, neemt ons niet aan" ; alsof hij zeggen wil : aan haar kon ik de zorg voor deze broeders niet opdragen, Diotrefes zou haar todh verhinderd hebben, mijn woord gehoor te geven.

Wat hij dan aan die gemeente in haar geheel wel kon schrijven ? wat hij haar wel schrijven moest ? Dat vinden we in den tweeden brief.

Vooreerst een waarschuwing tegen die leeraars. „Verleiders" noemt hij hen, want zij ontkennen, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is ; zoo loochenen zij die waarheid, die het fundament is der zaligheid. Daarom waarschuwt hij de geloovigen dan ook met den diepsten ernst, en wijst er hen op, wat voor soort leer dat nieuwe evangelie is — in den grond der zaak een duivelsche leer : terwijl hij eerst in het meervoud sprak over „vele verleiders", vat hij ze daarna onder één hoofd samen, en spreekt in het enkelvoud, om ze zoo tot hun gemeenschappelijken oorsprong terug te voeren : „deze is de verleider en de antichrist."

Welnu, vandaar, dat hij aan die waarsohuwing de vermaning toevoegt van onzen tekst.

Een vermaning, waarin hij de geloovigen met grooten nadruk oproept, — neen, niet om te doen als Gajus en de ware predikers van Gods Woord te ontvangen, maar wel, om na te laten wat Diotrefes van hen verlangt en wat zij maar ai te gewillig deden : aan de dwaalleeraars gastvrijheid te verleenen. „Indien iemand tot ulieden komf en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis én zegt tot hem niet : „Wees gegroet". Neemt ze niet op in uw woningen, bewijst hun geen herbergzaamheid, sluit uw deuren voor hen, verwelkomt ze niet. „Want die tot hem zegt : „Wees gegroet", die heeft gemeenschap aan zijn booze werken." Al is het, dat ge zelf de waarheid voorstaat, en van de waarheid spreekt, waar het u maar mogelijk is, — door hun de gelegenheid te verschaffen in de gemeente te vertoeven en daar hun dwaalleer te verbreiden, maakt ge u aan hun doen medeplichtig

Al is het, dat ge zelf, wanneer zij in uw huis vertoeven, tegen hun leer opkomt en hen van hun dwaling tracht te overtuigen, — gij geeft anderen aanstoot, gij zijt oorzaak, dat die leer bij wie zwakker zijn in het geloof ingang vindt, wanneer zij immers zien, dat gij hen onder uw dak ontvangt en aan uw tafel laat aanzitten, als waren zij broeders in het geloof. Al is het, dat gij u houdt aan hetgeen gij gehoord hebt van ons, die des Heeren apostelen zijn, — toch brengt ge uzelf in verleiding en stelt u bloot aan de toesmetting dier leugens, en loopt door eigen schuld gevaar mee afgevoerd te worden van de waarheid Gods op den weg des verderfs.

Zóó vermaant de apostel de geloovigen des Heeren Jezus Christus !

En nu zagen wij reeds, welke dwaalleer hier in het spel was. Die leer, die niet belijden wil Jezus Christus in het vleesch gekomen. Die leer, die de eeuwige Godheid van den Zoon loochent; of die ontkent, dat Hij waarlijk mensch geworden is ; of die er niet van wil hooren, dat Hij in vleesch gekomen is, afgedaald tot zulk een diepte van vernedering, dat Hij onze natuur aannam, onze door de zonde verbroken natuur, met haar gansche zwakheid en al haar ellende, ons in alle dingen gelijk geworden, met géén enkele uitzondering dan alleen de zonde zelve.

Maar wilt nu op een ding letten. Johannes schrijft niet: „Indien iemand tot u komt, en deze dwaalleer brengt; " neen, hij keert het om, en zegt: „Indien iemand tot u komt en deze leer — de leer van Christus — niet brengt." Zóó zegt hij het; in dien vorm giet hij zijn vermaning. Want hij weet : nu wordt de gemeente bedreigd door deze eene dwaalleer, — maar dat zal de eenige niet blijven, dat zal de laatste niet zijn ! En daarom snijdt hij alles af, hoe het ook luiden moge ; daarom vat hij het al tezamen in één woord bijeen, alles wat niet is „de leer van Christus", alles wat er van afwijkt in welk opzicht ook : „Indien iemand deze leer niet brengt." En nu moge dat heeten hoe het wil of zijn wat het wil; het moge zich lijnrecht plaatsen tegenover Christus en Zijn verzoenend werk, of het moge zich tooien met den naam van „het Evangelie van Jezus Christus", en zich sieren met het merkteeken van het kruis ; het mogen leer zijn van de grofste onwetendheid of van de fijnste geleerdheid ; aantrekkelijk voor de meest ongebonden zelfzucht en de meest ongebreidelde goddeloosheid of voor het ernstigste zoeken en het ijverigst streven der teederste vroomheid, — het is al hetzelfde ! Wie niet blijft in de leer van Christus, dien noemt de apostel een „verleider" en dat te prediken of te gelooven, daarvoor te strijden of dat zijdelings te bevorderen, dat noemt de apostel „booze werken", zonde voor God, waar van Gods volk zich verre heeft te houden.

2. Wij beschouwden ons tekstwoord in 't licht van zijn eigen tijd. Laten wij het nu beschouwen in het licht van onzen tijd.

't Is te vreezen, dat er dan niet veel van over zal blijven. Als het geplaatst wordt in het licht, het volle heldere licht van onzen tijd, valt het dan te verwachten, dat zulk een uitlating als deze in iemands oogen genade zal vinden. Neen, maar van alle kanten worden er de heftigste aanklachten tegen ingebracht.

Want in onze dagen wandelt de mensch bij eigen licht; het licht van Gods openbaring heeft hij niet meer noodig.

In alle opzichten is het immers zóó, dat de mensch zelf op den troon zit? in alle dingen is hij immers zelf de maatstaf ? Zoo kent de mensch van onzen tijd niet meer één waarheid, de waarheid Gods; die wil hij ook niet kennen, daarvan wil hij niet weten, want daarvoor zou hij moeten buigen. Meeningen kent hij, anders niet; menschelijke meeningen over de waarheid; menschelijke opvattingen en overtuigingen, die kracht hebben alleen voor diegenen, die van haar juistheid overtuigd zijn ; velerlei inzicht in de waarheid ; inzichten, die ver uit elkander kunnen loopen, die dikwijls lijn recht tegenover elkaar staan, maar die toch allen gelijke waarde hebben, — het zijn allen slechts menschelijke inzichten, de waarheid zelve geven ze niet.

Leeringen en stelsels zijn er, beschouwingen en theorieën, teveel om hun aantal te schatten ; maar hoe veel en hoe verschillend, tenslotte staan ze (in de oogen van onzen tijd) allen naast elkaar, op één lijn, allen met evenveel reden en allen met gelijk recht: niemand, die — van welke denkbeelden ook — kan zeggen : Dit is de waarheid.

Hoort ge nu die aanklacht, waarmee onze tijd tegen dit woord opkomt ? 'n Hoogmoedig woord! zoo wordt er geroepen. Heeft dan Johannes alleen de waarheid ? meent hij, dat hij zelf ze kent, maar al die anderen niet? Wat geeft hem zekerheid, dat zijn inzicht juist is, en dat de overigen dwalen ? wat geeft hem recht, om zijn leer de ware te noemen, en alles wat daarvan afwijkt als leugen te brandmerken ? hoe durft hij het, voor zijn eigen prediking alle plaats op te eischen, en alle andere prediking te bestempelen als boos werk ?

Hoort ge die andere aanklacht ? 'n Onverdraagzaam woord ! Kan Johannes dan niet dulden, dat andere menschen anders denken dan hij ? kan hij niet begrijpen, dat zij een anderen aanleg hebben, dat in hun ihart andere gevoelens leven, dat. bij hen een andere gesteldheid der ziel gevonden wordt, — kan hij niet begrijpen, dat daar andere begrippen uit voort moeten komen ? Al zijn we het met anderen niet eens, daarom mogen wij hen toch niet veroordeelen ! al lijkt bet ons pure dwaasheid toe wat zij gelooven, we behooren hun overtuiging toch te eerbiedigen ! al staan onze meening en de hunne lijnrecht tegenover elkaar, dat behoeft tooh geen verhindering te wezen om met elkander samen te gaan ! al kunnen wij niet één woord onderschrijven van hun belijdenis, wij moeten toch vertrouwen heb ben in de oprechtheid van elkanders geloof! Maar Johannes zegt: „Ontvangt hen niet in huis en zegt tot hen niet: wees gegroet"

Wat een ongeloovig woord ! zoo roept de vroomheid van dezen tijd. Heeft hij dan zoo weinig vertrouwen in de waarde van zijn eigen overtuiging ? Durft hij het dan niet eens wagen met wat hij zelf zoo stoutmoedig de waarheid noemt ? Alsof een enkele prediking van andere richting de geloovigen aanstonds zou meesleepen ; alsof de waarheid niet zou overwinnen, en over lederen tegenstand zegevieren !

En o, wat een liefdeloos woord ! Wat een meten met twee maten ! Lees maar eens zijn derden brief : daar verwijt hij Diotrefes diens onherbergzaamheid, —hier spoort hij zijn lezers er toe aan ! Maar ja, 't is waar, daar gaat het over zijn geestverwanten, die buiten gesloten werden, en hier zijn het zijn tegenstanders. Maar is dat geen schromelijke onbillijkheid, zoo voor zichzelf op te eischen, wat men andersdenkenden weigert?

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's