De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt tot hem niet : „wees gegroet" ; want die tot hem zegt „wees gegroet", die heeft gemeenschap aan zijn booze werken. 2 Johannes : 10, 11.

GODS WOORD ALLEEN !

(Vervolg en slot).

Er bestaat een oud verhaal aangaande dezen apostel, overgeleverd door Hieronymus. Het vertelt van de laatste jaren van Johannes' leven, toen hij te oud geworden was om zelf in het openbaar het Evangelie te prediken. Toch bleef het ook toen nog zijn gewoonte, mee op te gaan wanneer de gemeente vergaderde ; zelfs toen hij er niet meer heen kon loopen — door eenige van zijn leerlingen liet hij zich er heen dragen. En als hij dan in het midden der geloovigen vertoefde, och, dan kon het niet anders, of die vereerde, beminde apostel des Heeren moest de vergadering toespreken, al was het dan maar met een enkel woord Hij deed het, elken keer ; en terwijl allen vol eerbied en ontroering luisterden, zeide hij altijd weer dit eene woord : „Kinderkens hebt elkander lief."

't Is maar een legende, dit verhaal ; en legenden bevatten dikwijls louter verzinsels. Maar wat deze legende vertelt, kan o zoo goed letterlijk waar zijn ! Niet voor niet is het, dat deze apostel den bijnaam heeft gekregen : de apostel der liefde. Dat was hij ! Ziet het in al de geschriften, van zijn hand ons bewaard. Ziet het in het vierde Evangelie, waar hij zoo heerlijk getuigt van de liefde door zijn Heiland betoond aan al de Zijnen, niet het minst aan hem, „den discipel dien Jezus liefhad." Ziet het in zijn eersten brief, die zoo machtig de liefde predikt, die tot tweemaal toe het wonderbare woord bevat : „God is Liefde." Ziet het óók in zijn tweeden en derden brief, waarin hij niet slechts over de liefde schrijft, niet slechts van zijn liefde spreekt, niet slechts tot liefde vermaant, — maar waarin de liefde trilt, die van ware innige liefde vol zijn ! 'n Hard, hoogmoedig, ongeloovig, liefde­loos woord ? Neen, waarlijk niet ! Maar een woord van het ware geloof en van de echte liefde. 

Een woord van het geloof, het geloof in Jezus Christus, den Zone Gods, door den Vader in de wereld gezonden tot een verzoening voor onze zonden. Een woord van de liefde, van de ware liefde, die Gods liefde leerde kennen in het aangezicht van Jezus Christus, die in Gods liefde leerde rusten door het geloof in den Gekruisigde, — en die daarom dan ook het „eerste en groote gebod" (het gebod van volmaakte liefde tot God) het éérste laat zijn, die niet naar eigen gedachten het „tweede gebod", (het gebod van liefde tot den naaste) daarvan losmaakt of daarvoor in de plaats schuift; die de naastenliefde niet zoekt volgens eigen goeddunken en op eigen wegen, maar die gelooft, dat ze op Gods wegen gevonden zal borden, en die zoo durft schrijven wat in dezen brief te lezen staat : „Dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijne geboden."

Daaraan houdt Johannes zich dan ook aan zijn God, aan het Woord Gods, aan zijn Zaligmaker, aan het Evangelie. Hij weet, 'dat hij dat van Hem heeft ontvangen ; hij weet, dat het is het eeuwige Woord, en de eenige waarheid ; hij kan het niet dulden, dat iemand daar iets aan toe zou doen of 'iets van af zou doen ! Hij weet, dat het Jezus Christus verkondigt, den Zaligmaker, in Wien alle heil is, buiten Wien géén heil te vinden is. En ziet, nu is zijn liefde — tot God en tot den naaste — groot genoeg, en waar en diep en trouw genoeg, om van al het andere te zeggen : leugen, verleiding een leer des verderfs ! om allen toe te roepen : wacht u daarvoor, wijkt daarvan, houdt u verre van dat alles ! Houdt u aan het eene eeuwige, levende Woord der zaligheid alleen !

Neen, 't bleek ons wel, toen we dit woord beschouwden in het licht van onzen tijd, dat dit een dwaallicht is, een valsch schijnsel ! Daarom moeten we het omkeeren : onzen tijd moeten we plaatsen in het licht van dit woord.

Dan is het eerste wat aan den dag komt : hoe inhoudloos, hoe onmannelijk, hoe zielloos onze tijd is, — die terugschrikt voor een woord als dit! Wat verbergt zich onder den naam van „liefde" en van „verdraagzaamheid" een slapheid, ijlheid, onaandoenlijkheid !

Dan is het tweede, wat in ongedachte afmeting openbaar wordt : de diepe afval van het geslacht van onze dagen, — dat van geen volstrekte, eenig geldende waarheid weten wil, maar het toch waagt het Woord van God op zij te schuiven, toch in één ding beslist is en volstrekt en onverzettelijk : in zijn vijandschap tegen het Evangelie des Kruises.

Dan is het derde, wat zich op beschamende wijze voor onze oogen opdoet : hoe jammerlijk verwaterd en verslapt ons geloof is, — dat we wel den Christus der Schriften belijden, maar het toch haast niet aandurven te spreken van : waarheid en leugen, toch haast niet beseffen dat het hierbij gaat om Gods Woord en Gods eer en Gods recht en toch haast geneigd zijn wat toe te geven en wat tegemoet te komen aan andere meeningen, ons verontschuldigend met te zeggen : al verschillen ze van de onze, zijn ze daarom niet gelijkgerechtigd ?

En o, ontzettend, zóó als bij het licht van dit woord de ongehoorzaamheid te zien is, en de ontrouw, en de ongeloovigheid van de Kerk van Christus ! en met name van onze Vaderlandsche Kerk, die — al is zijzelve, dank zij Gods trouw jegens haar, nog gebouwd op den grondslag van het Woord Gods, toch in haar midden alle mogelijke  leer toelaat, hoe ver die ook afwijken moge van de waarheid des Evangelies die wel ; zelve nog de belijdenis heeft van Jezus Christus, als den Gekruisigde en Verrezene, naar de Schriften, maar toch tegelijkertijd haar ; dienaren toelaat een Evangelie te brengen : dat géén Evangelie is, daar het den éénigen Naam ter zaligheid loochent.

Welk een schuld, die hier blijkt! Welk ' een onnoemelijk zware schuld ! Bij onze Kerk in haar geheel, en bij al hare leden. I Bij degenen, die haar verlaten hebben, (of i zou dit waarlijk een last zijn, waar men van af kon komen door hem maar naast zich neer te leggen, en te zeggen : ik draag hem niet langer ? ) en bij degenen, die tot haar behooren, (want, daargelaten nog al het andere, wat wij als leden der Kerk doen en nalaten — en dat is véél meer dan we denken, — door het feit op zichzelf, dat we tot de Kerk behooren, hebben wij gemeenschap aan die booze werken).

Zware schuld bij diegenen, die dwaalleer brengen of gelooven ; en dubbel zware schuld bij hen, die de waarheid Gods prediken of aanhangen, — die den wil des Heeren geweten en niet gedaan hebben I En de allerzwaarste schuld bij al diegenen, die door genade het Evangelie hebben leeren kennen als het woord der zaligheid voor hun eigen hart, en die den Naam van Jezus Christus liefhebben, daar die naam de toevlucht, de schuilplaats, de schatkamer is van hunne ziel, -  o, wat een schuld, dat Zijn geloovigen onder de loochening van Zijn heerlijken Naam niet gebogen gaan en dat die zonde tegen hun Zaligmaker voor Zijn verlosten niet een droefheid is, die hen voortdurend bezwaart I dat het hen niet drijft tot oneindig veel meer, en veel ' hartelijker, en veel inniger gebed, om vergeving van die zonde en om verlossing uit die ellende ! dat ze niet het geloof hebben, om zich zóó aan de waarheid van Zijn Woord vast te houden, en zóó op de beloften van Zijn Woord te pleiten en zóó Zijn almacht en ontferming en trouw aan te grijpen, dat ze verhooring verkregen, en dat I de uitredding door 's Heeren genade werd geschonken!

„Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, omdat wij tegen U gezondigd hebben."

Wat is er dan noodig ?

Wat heeft onze tijd noodig ? Dat kunnen wij wel zien, bij het licht van dit woord.

In de allereerste plaats : geloof.

'k Zeg niet : religie, — die zoekt onze tijd weer, " op allerlei wijze, 'k Zeg niet : godsdienstigheid, — daar weet de mensch van onze dagen weer heel wat van te vinden. Maar wat er noodig is, is iets gansch anders : het geloof. Het geloof, dat voor God buigt, en dat zich onderwerpt aan het gezag van Zijn Woord. Het geloof, dat om behoudenis opziet tot Jezus Christus, het vleeschgeworden Woord, en dat om verzoening en vergeving neerknielt bij het Kruis, waar Hij Zijn vleesch gaf voor het leven der wereld.

Wat heeft de Kerk noodig in onzen tijd ? Niets anders dan dat!

Het geloof; terugkeer tot het geloof in Jezus Christus, terugkeer tot de gehoorzaamheid des Evangelies ; bekeering tot het geloof, bekeering door de genade des Heiligen Geestes, bekeering om van alle menschen af te zien en alle wijsheid en macht en werk des vleesches te laten varen, en zich te houden aan het Woord alleen, het te wagen met het Woord alleen, het te verwachten van het vleeschgeworden Woord alleen !

Dat heeft ze noodig : dat ze door het werk van den Heiligen Geest weer vastgesteld worde op het fundament der apostelen en profeten, op den onwankelbaren grondslag van het levende en eeuwig blijvende Woord van God ! dat ze aan dat Woord weer gebonden, en aan dat Woord weer getrouw gemaakt worde. Dat ze er toe bekeerd worde, niets te prediken, niets te belijden, niets te weten dan Jezus Christus den Gekruisigde.

En wat hebben wij noodig ? ieder voor zich, wij kinderen van dezen tijd ? vraag ook dat maar weer aan het woord van den apostel, en ge krijgt hetzelfde antwoord : het geloof.

Het geloof, dat steunt op Gods Woord, dat bouwt op Gods Woord, dat zich verlaat op Gods Woord, dat zijn wijsheid put uit Gods Woord, dat zijn kennis zoekt bij Gods Woord, dat zijn troost neemt uit Gods Woord, dat zich laat leeren en leiden en tuchtigen en behouden door Gods Woord ! Dat hebben wij noodig, zullen wij niet heen en weer geslingerd en omgedreven en her-en derwaarts geworpen worden ; te staan op den vasten grond, niet van menschenleer of menschenwijsheid, maar van de openbaring van God zelf.

Dat hebben wij noodig, zullen wïj antwoord verkrijgen op al de vragen, en onzen weg vinden door al de raadselen van onze dagen heen : die waarheid te kennen, die niet door menschen uitgedacht en niet van menschen voortgekomen is, en daarom even onzeker en even gebrekkig als alles, wat menschen waarheid noemen, — neen, maar de waarheid Gods, de eenige eeuwige waarheid, van het eeuwige Woord, van Gods eeniggeboren Zoon.

Dat hebben wij noodig, zullen we van de wijkplaats des geloofs niet afglijden, zullen we in den maalstroom van dezen tijd niet ; omkomen, zullen we behouden worden : I dat wij in het Woord blijven, in het Evan­gelie der genade Gods, het woord der zaIigheid — niet van menschenwerk, niet van eigen verlossing, maar van Jezus Christus, in het vleesch gekomen om te zijn de Zalig­maker van zondaren.

Maar nu behoeven wij dit woord van den apostel slechts aan te hooren, om reeds te gevoelen, hoezeer in onze dagen alles daartegen opkomt, alles ons van dat geloof poogt af te brengen, alles er op uit is, ons die leer van Christus afhandig te maken. -

Daar is de stroom van onzen tijd, — in hoevele golven hij ook breekt en met hoe groote verscheidenheid van tinten en kleuren hij het licht ook weerkaatst, toch stuwt hij onweerstaanbaar in één richting voort : tegen het Woord der genade in.

Daar is de geest van onzen tijd, — ge moogt er een afkeer van hebben, ge moogt er tegen opkomen, ge moogt pogen u er aan te onttrekken, — het is er mee als met de lucht, die ge inademt, meer dan ge zelf weet oefent het invloed op u uit, en — o, het is een lucht vol van ongeloof, van mensch-aanbidding, van verzet tegen het Woord van God ! 

Daar is de wetenschap van onzen tijd, — groot, bewonderenswaardig, machtig als nooit tevoren ; nog maar een weinig behoeft er aan toegevoegd, of het ideaal is bereikt : „geen ding den mensch onmogelijk." Maar Gods Woord bestaat voor haar niet, dat loopt ze ten eenenmale onder den voet.

Daar is het leven van onzen tijd, dat woelige leven, met zijn zwaren strijd om het bestaan, met zijn overstelpende zorgen, met die duizendvoudige banden, die den mensch van deze dagen binden aan deze wereld, — wie kan daar rekenen met Gods Woord ! Daar is 't eigen hart van den mensch van onzen tijd, ook van het kind Gods in dezen tijd, — dat hoogmoedige en ongeloovige hart, vol van waanwijsheid en eigengerechtigheid, dat hart, dat de wereld liefheeft en aan de zonde hangt, — och, wat komt er zelfs bij wie in waarheid tot God bekeerd zijn uit dat hart niet een strijd op tegen Gods Woord.

Daar is de Overste dezer wereld, en daar zijn die booze machten in dienst van Satan, de geestelijke boosheden in de lucht O wat een gevaar, in onzen tijd, nu ze in steeds toenemende mate hun werkzaamheid openbaren 1 Want waarlijk, ze bepalen zich er niet toe te verzoeken tot zondige daden en aan te vechten met duivelsche inblazingen ; ze oefenen ook een voortdurenden, stillen, onnaspeurlijken invloed uit op zielen van menschen, om in te werken op hun gedachtenleven, en de inzichten en beschouwingen om te buigen, en overtuigingen te wekken — in strijd met Gods Woord.

Daar is — Gode zij dank daar is tegen­ over dit alles ook nog steeds het Evangelie der genade van Jezus Christus ! En daar is ook nog altijd deze vermaning van den apostel, neen, dit bevel van Gods eigen Woord. Dat roept ons toe : wat er ook van al deze dingen openbaar worde, of hoe het zich ook vertoone, houdt er u verre van ! houdt vast aan het woord der genade ! houdt u steeds bij Jezus Christus, in het vleesch gekomen ! „Die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon."

Laten wij ten slotte ook den eersten brief  van Johannes nog even opslaan.

Dan zien we in den geest dien apostel des Heeren binnenkomen in ons midden, door dat woord van zijn hand.

En we hooren, hoe hij ons toespreekt: „Kinderkens, het is de laatste ure." „Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden." „Kinderkens, blijft in Hem ; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijne toekomst."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's