Feuilleton.
Mogen wij de Herv. Kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ; ds. A. VAN VEELO, destijds ± 1868 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam, .
10) Maar, zal wellicht temand zeggen, hoe kunnen wij in eene gemeente blijven, waarin onze dierbare Verlosser in Zijn pensoon en werk verloochend, Gods Woord verminkt, miskend en bespot, de Sacramenten niet naar de instelling des Heeren bediend, en zij die godzalig willen leven verdrukt worden ? Is idit alles niet in strijd met onze belijdenis, waar zij spreekt in art. 29 over de kenmerken, welke de ware kerk van de valsche onderscheidt ? Volgens genoemd artikel zijn de kenmerken van de ware kerk deze : „Zoo de kerk de reine prediking des . Evangelies oefent ; zoo zij de reine bediening der Sacramenten gebruikt gelijk Christus dezelve ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gehandhaafd wordt, om de zonden te straffen, enz.
Wij zouden hierop antwoorden : Ie. Dat men wei acht moet nemen, dat het de eerste en bepaalde bedoeling is geweest, èn van Guido de Bres, in het opstellen èn van de vertegenwoordigers op de Dordtsche Synode, om hierdoor het onderscheid aan te toonen tusschen de Roomsche en Gereformeerde Kerk ; hetwelk blijkt uit de handelwijze onzer vaderen omtrent de Luthersche Kerk, welke, hoewel zij nimmer geheel zuiver in de leer geweest is, daar zij altijd eenigszins 't stelsel van algemeene verzoening heeft aangekleefd, zooals b.v. in de bediening der Sacramenten, - evenwel door onze vaderen altijd is erkend geweest (ofschoon als een minder aanzienlijk) toch als een deel van Christus' Kerk, waarom zij door hen altijd hun Luthersche broeders worden geheeten.
2e. De belijdenis spreekt ook niet zoozeer van de Kerk, als wel van de kenmerken, als zij zich zichtbaar in haren bloei vertoont. Dit blijkt ons in het 27ste art., waar wij lezen : „En deze heilige Kerk wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld ; hoewel zij somwijlen eenen tijd lang zeer klein en .als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen. Gelijk de Heere zich gedurende den gevaarlijken tijd onder Achab zeven duizend menschen behouden heeft, die hunne knieën voor Baal niet gebogen hadden." Daar het nu geenszins betwist kan worden, dat de belijdenis in art. 27 over dezelfde Kerk spreekt als in het 29ste art., zoo is het duidelijk, dat zij in het ééne in eenen staat van verdrukking, en in 't andere in eenen staat van zichtbaren bloei ' wordt voorgesteld. En dat de Kerk niet alleen in zulke donkere toestanden verkeeren ' kan, maar zich ook bevonden heeft, is ons reeds gebleken uit de door ons aangehaalde geschiedenis van Achab. Ook was zij in ; dien tijd, alsook in dien van Israël in 'de woestijn (Joz. 5 vers 5) en Hiskia (2 Kron. 38 vers 5 en 26) van de bediening der Sacramenten verstoken. Uit het een en ander blijkt dus, dat wij in de belijdenis geene reden vinden, om de Hervormde Kerk te ver laten, veel minder dat wij door haar hiertoe zouden aangespoord worden. — Men zegt verder, dat het ons zeer smarten moet als men den dierbaren Verlosser, zoo in Zijn persoon als in Zijn werk, hoort loochenen en miskennen. En zeker behoort dit ons wel ter harte te gaan, vooral als wij maar iets van de dierbaarheid van Jezus hebben leeren kennen. Maar och ! mocht men eens door geestelijk licht leeren inzien, dat het eene roede Gods is, die om onze zonden over ons is opgeheven. Mocht het diep gevoel onzer schuld ons eens zóó drukkend worden, dat wij allen tezamen niet konden ophouden Gods genadetroon te bestormen om onze ongerechtigheden te belijden en te 'betreuren, en de verlossing alleen van den Heere te begeeren, die immers volkomen uitkomst schenken kan. En, vertoeft Hij, o ! laat ons Hem verbeiden, maar zelven geen hulpmiddelen zoeken aan te wen-; den tot onze redding, welke middelen zoovele rietstaven zijn, die ons de handen zullen doorboren. „Die gelooft", zegt de Heere, „zal niet haasten."
Daar nu de overige bedenkingen minder van beteekenis zijn, en wellicht door het aangehaalde kunnen wederlegd worden, zoo wensch ik om de meerdere uitgebreidheid te vermijden, tot de handelwijze en voorschriften der bijbelheiligen over te gaan. Letten wij op het gedrag van Mozes, toen de Heere Zich hield als wilde Hij zich aan Israël onttrekken, en hen door Zijnen toorn verteeren, hoezeer blinkt de gehechtheid aan en liefde tot dat volk uit, als Mozes zich in de bresse stelt en voor Israël liet aangezicht des Heeren zoekt, totdat Jehova berouwde het kwaad, dat Hij over Zijn volk had uitgesproken. En slaan wij den Godsman gade, als het volk zich aan snooden afval schuldig maakt en de kalverdienst had ingevoerd ; ook daar wenschte hij liever uit des Heeren boek gedelgd te worden, dan dat aan Israël die zonden zouden toegerekend worden. — Geven wij acht op hetgeen Amos verrichtte ten dage van het diep verval van Israël, tijdens de regeering van Jerobeam, dan zien wij dat de last, door Zijnen Goddelijken Zender hem opgelegd, geenszins was om zich van Israël te scheiden, maar veeleer om de oordeelen Gods hun aan te kondigen, hen tot bekeering vermanen, en Zijne beloften hun te openbaren.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's