Staat en Maatschappij.
Het Regeeringsbeleid.
De indruk, welken het Voorloopig Verslag op het Ie Hoofdstuk der Staatsbegrooting ter zake van het algemeen regeeringsbeleid maakt, duidt er op, dat het hier en daar aan eene goede verstandhouding tusschen het Kabinet en de Tweede Kamer schijnt te haperen.
Natuurlijk kan van de tegenstanders van het ministerie, tot welke politieke partij zij üok behooren, In de gegeven omstandigheden, vooral nu de stembus van '22 in het zicht komt, niet worden verwacht, dat zij zich bijzonder zouden beijveren, om hunne waardeering ten aanzien van de werkkracht der onderscheidene ministers uit te spreken.
Wat van dien kant ditmaal komt, is eene opsomming van allerlei klachten, die klaarblijkelijk geuit worden met het doel om de meening te doen postvatten, dat wat het Kabinet tot nog toe deed of blijkens de mededeelingen van de laatste Troonrede nog van plan is te doen, in de verkeerde richting gaat.
De eerste grief is, dat het regeeringsbeleid blijk geeft van reactionaire neigingen ; voorts wordt de regeering ten kwade geduid : het indienen en het verdedigen van het wetsontwerp tot het tegengaan van revolutionaire woelingen ; verder uit men zijn misnoegen over de sceptische uitlating in de Troonrede over den Volkenbond, die blijkbaar bestemd was, om de noodzakelijkheid van de verhooging der militaire uitgaven goed te praten, terwijl had mogen verwacht worden, dat de regeering haar uiterste best zou doen, om het vertrouwen in de toekomst van den Volkenbond op te wekken en te versterken ; ook acht men bijzonder teleurstellend het optreden van den Minister van Landbouw, die In wetgevend talent tekort schiet, van den Minister van Financiën, die voor de taak, welke hij in buitengewoon moeilijke omstandigheden op zich heeft genomen, niet berekend is, van den Minister van Koloniën bij wien stilstand op wetgevend gebied valt te constateeren en van den Minister van Oorlog, die geen kans ziet om de sterk groeiende legeruitgaven te beperken en eindelijk wordt betreurd de houding der regeering jegens de ambtenaren, het onvoldoende Initiatief van het Kabinet ter bestrijding van de duurte, benevens de onvoldoende zorg voor de besteding van de rljksgelden.
Over al deze tekortkomingen en gebreken, die zich bij het Kabinet voordoen, zal naar te verwachten is, bij het openbaar debat nog wel het een en ander worden gezegd.
Maar wat te bejammeren valt, is, dat terwijl het Kabinet door zijne tegenstanders met felle crltiek bestookt wordt, het regeeringsbeleid niet zoo gevoerd wordt, dat alle geestverwante partijen zich als éen krachtige groep kunnen verzamelen om het ministerie te steunen en het tegen de aanvallen der linkerzijde te beschermen.
Blijkens het Verslag verklaarde een lid der Kamer, die op het standpunt staat, dat de Overheid Gods dienaresse is, dat noch het hoofd van het Departement van Buitenlandsche Zaken, noch van dat van Landbouw, noch van dat van Koloniën en het allerminst het hoofd van het Departement van Landsdefensie als christelijke Staatslieden zijn te beschouwen.
Sommige andere leden sloten zich bij dat lid aan en deden een gelijk oordeel over den Minister van Onderwijs hooren.
Wij laten deze quallflcatle, aan een 5-tal leden uit het Kabinet gegeven, voor de verantwoording van de leden, die haar uitspraken.
Van meer belang lijkt ons de beoordeeling in het Kamerstuk van het beleid van de regeering door de groepen der rechterzijde.
Op dit punt vindt men In het Voorloopig Verslag eene passage, blijkbaar afkomstig van de Anti-revolutionaire Kamerfractie.
Om het belang der zaak laten wij deze passage hieronder in haar geheel volgen.
Zij luidt :„Onder de leden, die het Kabinet verdedigden, waren er, die, hoezeer zij tegenover het Kabinet dezelfde positie wenschten in te nemen als bij het optreden daarvan, noch tans te kennen gaven, dat zij niet alles wat het Kabinet te zien gaf, konden bewonderen. Ook zij betreurden, dat bij de plaats gehad hebbende wisseling van ministers het Kabinet niet is versterkt kunnen worden met bewindslieden, in wie op grond van hun vroeger openbaar optreden de zuivere belichaming kon worden gezien van de diepste beginselen, welke aan het Regeeringst)eleid ten grondslag liggen. Zij beschikten echter te dien aanzien over te weinig gegevens om het Kabinet daarvan eene grief te maken en vertrouwden, dat deze aanvullingen aan de doorwerking van het beginsel van het Kabinet geen afbreuk zouden doen. Van meer beteekenis achtten'deze leden enige grieven, welke zij tegen den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen koesterden. Deze Minister heeft door 't zonder noodzaak aan de orde stellen van de subsldiëering van de dramatische kunst getoond geen prijs te stellen op eene onafgebroken nauwe samenwerking met alle groepen, die het Regeeringsbeleid steunen. de laatste behandeling van het subsidie ten behoeve van de Nederlandsche Opera heeft de minister een kalme en gematigde bestrijding van zijn voorstel beantwoord met een aanval op zeer aggressieven toon tegen een der politieke groepen van de rechterzijde. Voor dezen aanval bestond geen grond, daar de Zondagsquaestie, welke de Minister daartoe gebruikte, niet aan de orde was en bovendien de beschouwingen van den Minister zich metterdaad richtten tegen 't aanhangige ontwerp-Zondagswet van het Kabinet zelf. Betreurd werd ook, dat de Minister bij de behandeling van de Lager Onderwijswet niet alleen de amendementen heeft afgewezen, waaraan door de algemeene organisaties op het gebied van het Christelijk onderwijs groote beteekenis werd gehecht, maar ook in zijne redevoeringen meer dan eens den indruk vestigde, dat hij de stelling aanvaardde, dat de wet niet alleen financlëele gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs ten opzichte van de openbare kas moest brengen, onder waarborgen van gelijke deugdelijkheid, maar dat de wet ook moest strekken om die beide takken van onderwijs, behoudens het verschil in richting, geheel gelijk te doen zijn. Deze opvatting is alleen verklaarbaar bij hen, die aan de vrije school haar vrijheid misgunnen en boven alles bevreesd zijn, dat de bijzondere school juist door die vrijheid beter zal zijn dan de openbare. De hier aan het woord zijnde leden hoopten, dat de Minister, die voor Samenwerking met andersgezinden steeds te vinden is, die samenwerking in de toekomst in de eerste plaats zal zoeken bij die groepen, welke het Kabinet het naast staan."
Wat hier gevraagd wordt, lijkt ons niet alleen gerechtvaardigd, maar ook is de inwilliging van het verzoek alleszins noodzakelijk, wil eene goede samenwerking bij de rechterzijde verzekerd zijn.
Er zijn van die beginselzaken, die de Anti-revolutlohaire partij nimmer kan prijsgeven.
Zoo komen zoo aanstonds aan de orde 't wetsontwerp betreffende de lijkverbranding, het ontwerp-Zondagswet, het Leerplichtontwerp, enz.
Stelt de regeering er nu prijs op, dat de Anti-revolutionairen hunne medewerking aan 't Kabinet blijven verleenen, dan zal meer dan tot nog toe het geval was, met de beginselen waaruit die partij leeft, behooren te worden rekening gehouden.
Gebeurt dit niet, dan zal verwijdering van de op één na sterkste groep aan de rechterzijde het gevolg zijn, wat niet anders dan tot groote moeilijkheden voor het Kabinet leiden kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's