Uit het kerkelijk leven.
De Gereformeerden en de Ethischen. X.
„We mogen er ons gerust over verbazen, dat de tegenstanders van de ethische richting, de aanhangers dezer richting altijd zoo ongestoord in het bezit hebben gelaten van dien naam „Ethischen" en dat ook zij dien niet hebben opgeëischt" — schrijft ds. J. Gouverneur, Herv. predikant te Zierikzee in zijn brochure „De Ethischen" (1916). Nu hebben wij reeds gezegd, dat wij het vrij arrogant vinden van „de Ethischen" om zich zóó te noemen in onderscheiding van andere richtingen. Neemt men een afzonderiijke plaats in op grond van dogmatische of kerkrechtelijke beginselen, dan is het te verstaan. Maar als men naast de modernen, de evangelischen, de confessioneelen en de gereformeerden gaat staan, zeggende : „wij zijn de ethischen" — daarmee bedoelende te zeggen : wij zijn de menschen, die zeggen, dat de godsdienst niet allereerst een zaak van het verstand, maar van het hart is ; en wij beweren, dat de godsdienst geestelijke realiteit (werkelijkheid) moet zijn en een zaak van leven en niet van praten alleen — ziet, als men zóó afzonderlijk gaat staan, dan zeggen we : dat is vrij pedant en vrij dwaas !
En dat is ook meer dan eens van verschillende zijde opgemerkt. Natuurlijk 1 Terwijl men van alle kant telkens heeft gezegd : Gij, ethischen, gij moest met een ander kenmerkend onderscheidingsteeken komen en niet zwaaien met een vlag, die u als zoodanig niet toekomt.
Men moet liever dogmatisch eens uit den hoek komen.
Men moet maar eens zeggen, wat men van de Schrift denkt.
Men moet z'n kerkrechtelijke beginselen maar eens bloot leggen !
Dan weten we tenminste, wat we aan elkaar hebben !
Het onderscheidend richtingsparool waar ze nu mee komen is althans onbruikbaar, als er niet méér wordt bijgevoegd, wat juist het onderscheidend element moet duidelijk maken.
Dat men buiten den ethischen groep er algemeen zoo over denkt, is de laatste dagen, na de Utrechtsche vergadering der Ethischen, weer eens gebleken.
Dr. Niemeyer schrijft b.v. in het Vrijz. Weekblad :
„Het eigenlijke vereeniginspunt van de ethischen, namelijk dat zij den godsdienst niet in de eerste plaats beschouwen als een zaak van het verstand, maar den nadruk leggen op zijn zedelijk karakter, en hem willen beleven met hun hart, met hun geheele persoonlijkheid, is immers als punt van vereeniging ook onbruikbaar.
Want is er wel iemand, tot welke richting hij moge behooren, die met dat zoogenaamde vereenigingspunt niet instemt ?
Velen maken er geen ernst mee. Voor velen komt godsdienst neer op het verstandelijk aannemen van eenige leeringen, het nakomen van vormelijke voorschriften of iets dergelijks.
Maar geen ernstig mensch beweert, dat dit in orde is. Ieder erkent, evenals de ethischen, dat godsdienst moet worden beleefd met het hart, met de geheele persoonlijkheid.
Een afzonderlijke Vereeniging, gebouwd op een erkenning, die allen met elkander gemeen heben, heeft dan ook geen recht van bestaan en geen toekomst. Voor een ethische vereeniging is slechts reden, als zij personen omvat, wier godsdienstige overtuiging kenmerkend verschilt van die der confessioneelen, gereformeerden, modernen en evangelischen. Het is meer dan twijfelachtig, of dit thans inderdaad het geval is.
Daarom kunnen wij aan de nu gevormde vereeniging slechts voorloopige beteekenis hechten. Weldra, meenen wij, moet een gewijzigde vereenigingsvorming volgen, die gepaard gaat met een andere partij-indeeling."
En ds. R. Drijber, Herv. predikant te Zutphen, hoofdredacteur van het „Evangelisch Zondagsblad", schrijft:
„Dr. Beerens zegt : „Ethisch is men, wanneer men den godsdienst beschouwt als iets dat de geheele persoonlijkheid raakt, niet in de eerste plaats het verstand, maar het hart, het centrum der persoonlijkheid."
Ik moet zeggen dat ik geen enkele richting ken, die niet wil dat de godsdienst de geheele persoonlijkheid raakt. En het schijnt mij toe, dat de ethischen zich dat kenmerk als hun monopolie niet mogen toekennen." Zoo denken wij er óók over.
Het is volstrekt niet iets waar de ethischen het monopolie van hebben, als ze zeggen : de godsdienst is een zaak van het hart en de godsdienst moet in het leven blijken.
Wij allen zeggen, dat de zon, die dagelijks haar stralen uitgiet over het aardrijk, waarbij mensch en beest zich verblijdt, zelve deze dingen niet voelt en zelve deze dingen niet weet.
, Dat is dus geen „ethische" daad van de zon, dat zij haar licht uitzendt over de landen, rivieren en meeren, 't Gaat buiten de zon om.
Het is ook geen „ethische" daad, als iemand, om van een „arme" af te zijn, hem ijskoud een dubbeltje of kwartje geeft.
Het is ook geen „ethische" daad, als de mensch, gaande als in een tredmolen, des morgens z'n handen vouwt en des avonds bidt, zonder dat hij bedenkt, wat hij eigenlijk doet.
Wie stemt deze dingen niet toe ? Wie zegt niet, dat het zóó niet in orde is ; dat het zóó niet gaan moet met den mensch ?
En wie zegt niet, dat het niet voldoende is, als iemand wat formules opzegt of wat leerstellingen napraat of wat groote woorden naar voren brengt ?
Daar zijn we het allen over eens, dat dat niet het hoogste is ; dat dat geen ware godsvrucht is ; dat een mensch daar niet bij leven en niet bij sterven kan.
De mensch moet waarachtig geestelijk bezit hebben.
Hij moet de dingen bij ervaring, waarlijk kennen en bezitten, zal het goed zijn.
Maar is het nu hetzelfde wat de mensch gelooft en wat de mensch ervaart en wat de mensch belijdt?
Hier willen de ethischen „ruim" staan.
Gaarne willen ze iemand in z'n godsdienstige gevoelens zooveel mogelijk vrijlaten en in iedere richting het goede erkennen. Wat zij doen kunnen, omdat zij het ook voor zichzelf zéér ruim stellen, wat een mensch ervaren kan.
Daarvoor hebben ze niet zoo'n enge begrenzing.
Hier zijn ze, zooals dr. Beerens van Utrecht op bovenbedoelde vergadering nog weer eens zeide, „min of meer vaag."
Wij zouden dat wel gaarne anders willen en het op prijs stellen, als de ethischen hier nu eens klaar en duidelijk voor den dag kwamen. Maar hun beginsel brengt blijkbaar mee, om altijd te moeten zeggen : we kunnen alleen maar „min of meer vaag" aangeven wat ethisch is.
In dien zelfden zin is dan ook art. 1 van de Statuten der nieuwe Ethische Vereeniging. Want daar staat : „De Vereeniging tot versterking van den invloed van het ethisch beginsel, inzonderheid in de Nederl. Herv. Kerk, heeft ten doel, uitgaande van Gods openbaring in Christus, en rekening houdende met de historische ontwikkeling van het Christendom, te onderzoeken en te bevorderen wat in onze dagen uit dit beginsel voortvloeit voor persoonlijk leven. Kerk en maatschappij."
De door ons vetgedrukte woorden zijn belangrijk.
Is dat niet „min of meer vaag", om als gezaghebbend beginsel aan te geven „Gods openbaring in Christus ? "
Want wel wil men daarbij dan rekening houden met „de historische ontwikkeling van het Christendom", maar wie ter wereld wil nu, staande midden in de Christelijke Kerk, de historische ontwikkeling van het Christendom als beginsel negeeren ?
Willen de modernen dat? Willen de evangelischen dat soms ? Of willen de confesioneelen en gereformeerden dit ?
Men weet beter !
Maar hier moet het niet bij een paar groote woorden blijven.
Evenmin als bij dat „uitgaande van Gods openbaring in Christus."
Wie wil, staande in het midden van de Christelijke Kerk, iets anders ?
Willen de confessioneelen en de gereformeerden b.v. Gods openbaring in Christus niet als 't hoogste en heerlijkste erkennen ?
Men weet beter I
Het gaat hier weer net als met die beginselverklaring aangaande den godsdienst... waarbij er geen enkele richting is, die dat niet wil.
Maar laat men nu toch eens wat nader verklaren, wat men verstaat onder „de Godsopenbaring in Christus."
Hoe kennen we die ? En is die de eenige ? Hangt die mischien maar zoo in de lucht? Komt die mischien tot ieder persoonlijk en dan geheel op eigen manier?
Is er b.v. ook nog een Bijbel ?
En hoe staan we tegenover dien Bijbel ?
Hoe werkt God in deze ?
Daar mogen we nog wel eens over praten saam.
En ook over onze kerkelijke belijdenisschriften.
Maar daarover dan een volgend maal.
(Wordt vervolgd).
De Kerk en het volksleven.
We leven in een tijd, dat men de Kerk als getuige der Waarheid, tot zwijgen zou willen doemen. We zien het in het Buitenland. Ook in eigen vaderland beluisteren we wel stemmen die daarvan spreken. Men haat de Kerk als draagster en bewaarster van een bovennatuurlijke openbaring, de vertegenwoordigster van heilige traditiën ; en men zou haar wel willen uitroeien juist als zij actief is en met haar eeuwige beginselen het heden wil beheerschen en naar de toekomst grijpt. Een geslacht, dat God wil vergeten, acht de Kerk haar grootsten vijand. Wanneer de Kerk maar buiten het leven of naast het leven wilde gaan staan, dan zou men er desnoods genoegen mee nemen, dat zij als een stille getuige een plaatsje hield. Maar wanneer men merkt, dat de Kerk haar eerstgeboorterecht niet smadelijk wil verkoopen, en zij, pilaar en vastigheid der waarheid zijnde, voor het Woord Gods plaats eischt op alle terrein des levens, dan wordt saam de strijd tegen haar aangebonden, dan worden alle krachten in beweging gebracht om haar den mond te snoeren.
De Kerk kan en mag niet zwijgen. Zij is en moet altijd zijn eene getrouwe getuige van Jezus Christus ; een licht op den kandelaar ; een stad op een berg. En wee ! haar, wanneer zij haar roeping vergeet en haar Heere en Heiland verloochent.
Breed moet zij haar taak opvatten in het getuigen van de Waarheid, in het opvoeden van de gemeente, in het beheerschen van héél het leven. Zij is maar niet een heilsinstituut, waarin en waardoor de mensch tot kennis der waarheid komt, om vrede te vinden voor de ziel ; maar zij is van God geroepen om een geslacht op te voeden, dat naar God vraagt en Zijn ordinantiën eert op alle terrein des levens ; om een geslacht te kweeken, dat begeert der Vaderen God te dienen in waarheid en gerechtigheid alle de dagen des levens.
De Kerk als instituut, in gehoorzaamheid aan Gods Woord een bepaalden institutairen vorm aangenomen hebbende en optredend in de ambten, die God heeft ingesteld, heeft in zich te vereenigen degenen die éénzelfde belijdenis hebben. En in haar midden, levend onder haar Hoofd, Jezus Christus, heeft zij op te voeden de kinderen, die in den Doop in het Verbond Gods opgenomen zijn, gelijk zij in den dienst des Woords en der Sacramenten de kleinen met de grooten heeft te onderwijzen en te sterken „tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het Lichaam van Christus, totdat zij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus, opdat zij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der menschen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen, maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, die het Hoofd is, namelijk Christus (Ef. 4).
Het opkomend geslacht ligt dus voor rekening van de Kerk. Zij heeft zich de kinderen der gemeente aan te trekken, om ze mede op te voeden tot een geslacht, dat naar God vraagt.
Hier springt het catechetisch onderwijs in 't oog, aangezien dit het opzettelijk middel is, waardoor de Kerk haar roeping, ten opzichte van het zaad des Verbonds heeft te vervullen.
We weten dat naast de Kerk het huisgezin en de school optreden om mede te zorgen voor de opvoeding van het opkomend geslacht. En het terrein van de Kerk en van het huisgezin en van de school is wel te onderscheiden. Gescheiden ligt het hier niet. Men heeft elkaar te helpen en op elkaar aan te werken. Maar onderscheiden moet hier toch wel, waar de Heere een roeping voor de ouders in huis, voor de onderwijzers in de school schiep ; maar op het terrein van de bizondere genade Zijn Kerk een afzonderlijke taak gaf.
De taak der Kerk moet hier dan ook afzonderlijk besproken worden inzake de opvoeding.
Eigenlijk is God de Heere de éénige Opvoeder. Hij, die de Schepper is van elks aanzijn en de Leidsman van de wieg tot het graf. Hij, in Wiens hand het hart, het verstand, de wil van het kind is. Maar die groote God, die de groote Opvoeder is, heeft in deze ook alle wegen en middelen bepaald, waardoor het kind in de jaren der ontwikkeling moet worden bearbeid.
Dan komen allereerst de ouders in aanmerking.
De ouders toch zijn de eerste en natuurlijke opvoeders.
Zij gaven hun kind het leven, maar het leven, gedragen door Gods Verbond, waarvan de Doop spreekt.
Op hun schouders rust dan ook de dubbele roeping, om het kind op te voeden naar lichaam en naar ziel, voor dit en voor het eeuwige leven, als hün kind èn als kind des Heeren ; als lid van het huisgezin èn als lid der gemeente ; als natuurlijk erfgenaam èn als erfgenaam van het Rijk Gods en van Zijn Verbond.
Zoo heeft het huisgezin een zijde die raakt aan de algemeene genade èn een zijde die raakt aan de bizondere genade. En waar de school het gezin aanvult aan de zijde van de algemeene genade, daar heeft de Kerk, in naam van den Koning der Kerk, op het terrein der bizondere genade 't zaad des Verbonds op te voeden en te onderwijzen.
Men onderscheide deze dingen toch wèl!
Het huisgezin staat wat de opvoeding van het opkomend geslacht aangaat midden in ; met twee zijden uitgaande naar 't geen de Heere er nevens schiep. En wel naar de eene zijde aansluitend aan de Kerk en met de andere zijde uitloopend in de school. De Kerk, als vertegenwoordigend den rijk dom der bizondere genade heeft op het terrein der bizondere genade een bepaalde roeping. Zij moet geen schooltje gaan spelen. Want de school staat op het terrein van de algemeene genade. Het onderricht in lezen, schrijven, rekenen, enz. komt niet voor rekening van de Kerk. De Kerk heeft er geen verstand van, en de Heere roept de Kerk ook geenszins tot deze dingen. God is een God van orde en van goddelijke wijsheid, die alles wèl verordineerde !
De Kerk dus geen scholen bouwen en schoolmeester spelen. Ze heeft zich niet te mengen in onderwijszaken die tot haar terrein niet hooren. De school is souverein in eigen kring.
En die de grenzen door den Heere gezet, tot onderscheiding der dingen, gaat uitwisschen, gaat vereenigen wat God gescheiden heeft en dat mag evenmin als dat men zou gaan scheiden wat de Heere vereenigd heeft
Zoo ligt dan de opvoeding allereerst voor rekening van de ouders. En de school zal de ouders op het terrein van de algemeene genade te hulp moeten komen en de Kerk zal de ouders moeten helpen op het terrein van de bizondere genade, waar de Heere aan Zijn Kerk een eigen taak gegeven heeft, welke zij ambtelijk, naar uitwijzen van het Woord, heeft te vervullen.
De huiscatechisatie - lees Psalm 78 maar eens — moest niet in oneere wezen. Bij den Doop toch hebben de ouders beloofd hunne kinderen „hiervan", dat is van de dingen die den Doop en het Verbond Gods betreffen, „breeder" te zullen onderwijzen. Hierin mogen de ouders niet nalatig bevonden worden, want het zal hun worden toegerekend en het zou tot onberekenbare schade worden op den duur voor het opkomend geslacht, voor land en volk.
Denkt men er wel eens aan, dat men ook hier heeft te beginnen bij Jeruzalem ?
Maar ook bij het meest actieve optreden der ouders — en de Heere geve daar in onze dagen iets van te bespeuren ! — heeft en houdt de Kerk haar eigen taak.
Zij heeft het onderwijs, dat uit den Doop voortvloeit.
Was het vroeger het onderwijs tot den Doop, nu is het 't onderricht, dat krachtens den Doop noodzakelijk is en uit den Doop voortvloeit.
De gedoopte kinderen liggen voor rekening van de Kerk, en zij heeft er voor te zorgen, dat ze, tot de jaren der onderscheiding gekomen, wèl onderwezen worden in de dingen van Gods Koninkrijk en ernstig toegerust voor den strijd tegen leugen-en dwaalleer. Met vaste hand moet het volgend geslacht steeds door de dienaren van Christus daartoe aangewezen, worden gefundeerd in de kennis der waarheid ; waarbij de verschillende belijdenissen niet behooren te worden opgelost in een nietszeggend credo, waarin allen — of niemand ? — zich kunnen vinden ; maar waarbij de belijdenis der Kerk eerlijk en trouw, rijk en scherp, klaar en breed tot haar recht kome.
De roeping der Kerk in de catechese wordt hierbij niet lichter maar zwaarder ; niet minder, maar meer verantwoordelijk. De nood der tijden, de ontwikkeling der dwaling, de vlucht der ontwikkeling, de prestaties der wetenschap, de verscheidenheid van Kerken en Secten maakt dat de taak van den catecheet met den dag zwaarder en beteekenisvoller wordt. En het heil der kinderen, het leven des volks, maar óók het leven der Kerk, staat hier op 't spel. Meer dan aan brood en geld is er in onze dagen schreiende behoefte aan kennis, geheiligd door den Geest der waarheid ; en deze heeft Christus, het Hoofd der Kerk, alleen ; waarbij Hij Zijn Kerk in haar ambten beveelt : „onderwijst alle de volken."
God de Heere wil dat Zijn Kerk op aarde een teeder en heilig werk zou werken aan elk geslacht dat ontluikt ; om daarmee het kind, het opkomend geslacht en straks heel de Gemeente te zegenen en Zijn heiligen en grooten Naam eere te bereiden op alle terrein des levens.
Tweeërlei heeft de Kerk hierbij in 't oog te houden.
Want de Heere wil aan zondaren de zaligheid schenken, om hen te roepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht en hen over te zetten uit den dood in het leven. Daarvoor is de prediking des Woords, de bediening der Sacramenten en óók de catechisatie. Daar wil de H. Geest zich wel van bedienen om de harten der uitverkorenen te roepen en te bewerken tot geloof en bekeering, tot heiligmaking en volharding.
Maar de Heere wil niet minder, dat het genadeleven zich zal ontplooiien en zich in heerlijkheid openbaren. Hij wil dat Zijn Sion een lof van Hem op deze aarde zij en zij kunnen daarbij de eere Gods niet dienen, of zij moeten, ja, eerst bekeerd worden, maar ook eerst onderricht worden in kennis. In Zijn volk wil de Heere een Naam hebben in de wereld en dat volk moet daartoe toegerust worden met geestelijke kennis, waar bij de Kerk een eigen en zoo gewichtige roeping heeft te vervullen. Allereerst op de catechisatie en ook op den kansel in den dienst des Woords.
Die hart hebben voor Neêrlands natie zullen in deze de taak der Kerk niet moeten onderschatten en er naar staan, dat de Kerk, dat onze Herv. Kerk, waartoe nog een zoo groot deel van ons volk behooren mag, zoo trouw mogelijk zij in het nakomen van dezen heiligen plicht en 't vervullen van deze haar hooge en goddelijke roeping. Waarbij de Kerk zich zal moeten laten leiden door de hooge bestemming, welke de mensch heeft, om in het leven hier op aarde God op 't hoogst te verheerlijken. Want de bestemming van den mensch gaat toch ten slotte niet op in het verkrijgen der zaligheid zonder meer, maar stellig moet zij gericht zijn en blijven op de verheerlijking van Gods Naam in het leven. Het leven der bekeering en de wandel des geloofs, waartoe de Heere door de middelen der genade leiden wil, moet zijn waarachtigheid bewijzen in een leven tot verheerlijking Gods. En zoo moet de Kerk ook meehelpen om een stempel te zetten op het volksleven. De genade, welke de Heere aan Zijn Kerk geschonken heeft, moet krachtig inwerken op het algemeen menschelijk leven en in een christenland, waar de Kerk des Heeren gebloeid heeft en nog bloeien mag, zal het positief christelijk merkteeken ingedrukt moeten worden op de kunst, de wetenschap, de maatschappelijke verhoudingen, die in heur ontwikkeling gelijken tred hebben te houden met de ontwikkeling der Kerk.
De christenen, de leden van Christus' Kerk, hebben zich niet op te sluiten binnen de wanden van het eigen hart, ook niet binnen de muren van eigen huis, ook niet binnen de begrenzing van het kerkelijk leven, maar ze zullen hebben uit te gaan op alle terrein des levens en er zal kracht van hen moeten uitgaan, opdat ook déór het leven gebracht wordt onder de heerschappij der beginselen, die naar Gods Woord zijn.
En daarom moet de opvoeding en het onderricht door het ambt — op de catechisatie en op den kansel — niet maar een opvoeding voor de eigene ziel of voor de Kerk alleen zijn, maar ook voor het rijke, breede leven van Gods schepping en dat tot verheerlijking van den Naam des Heeren.
Beantwoordt onze catechisatie daaraan ? En onze prediking?
Het Calvinisme.
Is Calvijn meer dan 3 1/2 eeuw geleden gestorven, het Calvinisme zelf leeft nog ; ja, in onzen tijd openbaart het nieuwe levenskracht. Bij de vragen der theologie, die der kerkinrichting, die betreffende vérhouding tusschen Kerk en Staat, die van de ethiek — overal vindt men dat Calvinistische gedachten werking oefenen.
De Nederlandsche volksgeest, het Nederlandsche volkskarakter zijn gevormd onder de bezielende macht van het Calvinisme, wat zelfs de Roomsche Kerk hier telkens ervaart.
Bakhuizen van den Brink zegt : „het Calvinisme is de hoogste ontwikkelingsvorm van het Godsdienstig-Staatkundig beginsel der 16de eeuw" en uit dat Calvinisme is onze Nederlandsche Staat geworden. „Nous sommes issus de la Geneve de Calvin" heeft Groen van Prinsterer niet alleen gezegd, maar eigenlijk óók Busken Huet, Fruin en anderen. Het volkskarakter hier is in Calvinistischen zin gevormd, veredeld, vernieuwd. En dat is maar niet een historisch feit, dat alleen belang heeft voor het verleden ; maar die Calvinistische wording en vorming bezit hooge practische waarde ook voor het heden.
De diepste snaar des Nederlandsche volks ziel raakt hij, die haar toespreekt in het Calvinistisch taaleigen ; en die voor ons gereformeerd karakter, dat nog duidelijk aan menigen trek valt waar te nemen, geen oog heeft, zal dit boeten door geringen invloed. Ons volk voelt nog altijd in zijn kern, ook wanneer zij overigens niet alles' begrijpen, dat de Calvinist de man van hun hart is, die met het diepste des levens één is met hetgeen het volk van ouds geleerd heeft. In het verleden, in het Calvinistische verleden, vindt Nederland zichzelf.
Allen leze hierover wat o.a. prof. Fabius schreef in „Het wezen van het Calvinisme" in „Schild en Pijl."
Ons Psalmboek.
In dezen tijd, waarin veel gesproken wordt over de Gezangen is het goed ons weer eens even in te denken wat schat we we bezitten in ons klassiek Psalmboek. Wat klinken onze Psalmen toch mooi in onze Kerken, waar de Gemeente vergaderd is ; in onze vergaderingen, waar dikwijls zoo'n groote menigte van christenen is saamgekomen.
Lees maar eens wat in onzen Staten-Bijbel het opschrift is boven het boek der Psalmen. Daar staat dit:
„Het boek der Psalmen is, onder de andere Canonieke boeken van het Oude Testament, in Gods Kerk met recht geacht als een bizonder kleinood, waarvan men de waarde en het nut niet genoeg kan overdenken, veel minder uitspreken of beschrijven. Sommigen noemen het een lusthof, ver zamelplaats en schatkamer der christenen ; anderen een ontleding der geloovige zielen, een spiegel van Gods menigvuldige en ondoorgrondelijke genade ; vervolgens een volkomen samenvatting of kort begrip van den ganschen Bijbel, der wet en des evangelies, of, van Gods ware kennis en dienst". „Het handelt voorts van den persoon en het zaligmakend ambt van den Messias, onzen Heere Jezus Christus, van Zijn eeuwige Godheid, menschwording, lijden en sterven, opstanding, hemelvaart, zitten ter rechterhand Zijns Vaders, en de uitbreiding Zijns Koninkrijks onder de heidenen, door de prediking des heiligen Evangelies ; . verder van den zondigen staat des menschen, van den aard en de eigenschap der wedergeboorte, de ware bekeering, liefde en vreeze Gods ; eveneens van de natuur van het ware geloof, vertrouwen en roem in God, van de zekerheid der zaligheid, den strijd des geestes en des vleesches". „Zoodat er geen toestand van eenig christenmensch zal kunnen bedacht of gevonden worden, waarin hij niet uit dit boek naar wensch zou kunnen gediend zijn tot bevrediging van zijn geweten en bevordering zijner zaligheid. Weshalve éen ieder christen, zoo van hoogen als van lagen staat, dit boek met bizondere vlijt en aandacht behoort te lezen en te betrachten, om zich te wennen tot den stijl des Heiligen Geestes, die daarin gebruikt is ; niet twijfelende of het zal hem, wanneer hij het rechte sap en de doordringende kracht van dien gesmaakt heeft, op zijne ziel wezen als een zeer lieflijke en heilzame dauw ; en het zal hem niet verdrieten datzelve steeds in zijn hart, mond en handen te dragen, waartoe het ons van den H. Geest in het Oude, en van onzen Heere Jezus Christus Zelven en Zijn apostelen in het Nieuwe Testament, meermalen is aanbevolen."
Klagers en zuchters.
Men kent ze wel, die klagers en zuchters, die alles en allen veroordeelen, die diep spreken en weinig of niets bezitten. De mug wordt uitgezogen en de kemel doorgezwelgd.
Schijn en waarheid zijn wel te onderscheiden !
Onder den schijn van 'n tollenaar schuilt menige Parizeer weg. Onder den schijn van bekommering is veel eigengerechtigheid dikwijls verborgen.
Het kan vér gaan. Iemand kan worden aangezien voor een eikeboom der gerechtigheid, terwijl hij nog geen gekrookt riet voor God is. De huichelarij bedekt zich gaarne met den mantel der godzaligheid. Een uiterlijk gelaat van vroomheid moet niet zelden veel gruwelen bedekken. Doodelijk en arglistig is het menschenhart. En de menschen zien aan wat voor oogen is. Zij gaan af op den schijn, op het strakke gelaat, op de vrome woorden. Zij houden maar al te dikwijls dat somber aangezicht, waarop nooit een glimlach komt, die stemmige woorden, dat geklaag en gezucht voor teekenen der godzaligheid terwijl achter dat alles de doodsbeenderen zijn van het witgepleisterd graf.
Schrikkelijk is dit voor Gods aangezicht, want Zijn oog ziet naar waarheid. En deze schijnvromen, deze lijzige klagers en deze gemaakte zuchters, zijn niet zelden oorzaak, dat de dienst des Heeren wordt veracht en de Kerk van Christus in opspraak komt. Gods Woord en waarheid wordt doof zulke schijnheilige bedriegers tot een aanfluiting.
Er komt een oogenblik waarop zulk een huichelaar ontmaskerd wordt.
Meestal reeds in dit leven, dikwijls voor de poorte der eeuwigheid, zekerlijk dan als zij zullen zoeken in te gaan, maar niet kunnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's