Uit het kerkelijk leven.
De Gereformeerden en de Ethischen. XL
Bij de Confessioneelen en de Gereformeerden gaat het te veel om het verstand, zeggen de Ethischen. En zij stellen dan op den voorgrond, dat de godsdienst een zaak van het hart is. De godsdienst moet - geestelijke realiteit zijn ; moet „vleesch en bloed" hebben aangenomen in den mensch ; moet het geestelijk bezit des menschen zijn en moet openbaar worden in een godzalig leven.
Nu hebben we gezien, dat het zoo echt gereformeerd is, om alzoo te spreken en dat onze Geref. Vaderen nooit anders hebben gezegd noch geschreven, gelijk in onze belijdenisschriften en liturgische formulieren wel uitkomt.
Maar als de Ethischen het dan over die „ervarings-theologie" hebben en doelen op een geestelijk bezitten en beleven der dingen, dan moet natuurlijk die ervaring, die bevinding, die beleving der geestelijke dingen getoetst worden, en dan moet gevraagd : wat inhoud heeft die ervaring en van waar is die ?
Doch dan zijn de Ethischen „min of meer vaag", zooals dr. Beerens nog weer pas op de Utrechtsche vergadering zei. Ze spreken welover leven en over ervaren en bezitten der geestelijke dingen, maar als het over bijzonderheden gaat, dan schijnt er geen macht te zijn om eens duidelijk te verklaren, vanwaar men de geestelijke dingen heeft en wat de inhoud er van is.
Nu ligt dat ook weer voor de hand. Want de Ethische houdt niet van dogmatiek, noch van formuleering der dingen.
Een bedelaar — zoo zegt men — kan spoedig zeggen hoe .rijk hij is en in een paar cijfers uitdrukken wat zijn rijkdom is, maar iemand die veel bezit kan dat zoo makkelijk niet. Daarom zijn het ook eigenlijk maar arme stakkers, die met een dogmatiek komen aandragen, een bewijsstuk van eigen armoede ; en het is gansch niet te verwonderen, dat de rijk-geestelijk-toegeruste Ethische zoo maar niet met een dogmatiek klaar is. 't Geestelijk bezit laat zich ook maar niet in formules persen, zegt men. Een dogmatiek is op „ethisch" standpunt eigenlijk onmogelijk.
En daarom, waar het den Ethischen te doen is om leven, om het volle, ware, rijke Godsleven, 't welk niet kan worden weergegeven in itienschelijke, gebrekkige formules, daarom willen zij ook geen „partij" zijn, maar liever in alle partijen het goede waardeeren, om, afgezien van allerlei formuleering, met eikaar in het geestelijke gemeenschap te oefenen. Met allen in wie men dan ook iets ontwaart van hetzelfde geloofsbezit, dat, zij 't dan gebrekkig, in Christus hun deel is, willen ze saam optrekken.
Dat lijkt wel mooi. Daar gaat onwillekeurig eenige bekoring van uit, als daar gezegd wordt: het is ons nergens anders om te doen dan om het ware Godsleven ; om met ieder, onverschillig wie, die iets van Christus kent, gemeenschap te oefenen. In onze droeve dagen van ellendigen partijstrijd, zoo vol van venijnige verdachtmaking en in-treurige haarkloverijen, zit in een dergelijk idealistisch getuigenis wel iets dat aantrekt. O ! dat allen, bij wie het om het Godsleven te doen is elkander beter verstonden en elkaar meer vertrouwden en elkaar in verdraagzaamheid zochten ! Dat men eens meer oog had voor hetgeen vereent, en niet altijd alléén sprak over 't geen waarin men verschilt ! In deze ernstige dagen, waarin ook de Kerk des Heeren een crisis doormaakt, zou het wel te wenschen zijn, dat de leden van Christus' Kerk meer, als zijnde één lichaam onder één Hoofd, zich kwamen te openbaren. Want ons twisten en onze verdeeldheid zal velen nog vervreemden van God en Zijn dienst — en wij zijn verantwoordelijk ook daarvoor — en het zal de positie der Kerk verzwakken nog.
Maar — dat neemt niet weg, dat als we het nu hebben over het ware Godsleven, over het geloof der gemeente enz. enz. dan mogen we maar niet praten „als dn de blauwe lucht". Dan moeten we zakelijk en duidelijk voet bij stuk .houden en zeggen, wat de oorsprong, het karakter, de inhoud van dat geloof en dat Godsleven is.
Daarover met elkander te praten is noodig.
Want hier gaat het nu niet over begrippen, formules, woorden — maar hier geldt het de dingen waarbij onze ziele alleen kan leven. Hier is de leer het leven en het leven de leer. 't Is van elkaar niet te scheiden, evenmin als men. den visoh van het water en den vogel van de lucht kan scheiden, dan alleen op straffe dat ze dood gaan.
De Ethische Vereeniging, pas in Utrecht in vergadering bijeen geweest, om een statuut te maken en een Bestuur te kiezen (toch wil men geen „partij" zijn naast de andere „partijen" ! !) heeft dat ook gevoeld. Men moet grond onder de voeten hebben. Men moet zeggen niet alleen dat men gelooven moet, maar ook wat men te gelooven heeft. Het geloofsleven moet een kern en een inhoud hebben ; het geloof der gemeente moet ergens vandaan komen en ergens in rusten. En daarom is men te Utrecht toch ook maar aan het formuleeren gegaan, men heeft verklaring afgelegd van wat men wil en waarvan men wil uitgaan, en in art. 1 van de statuten is komen staan (blijkbaar na lange discussie) : „we willen uitgaan van Gods openbaring in Christus en wij willen rekening houden met de historische ontwikkeling van het Christendom."
Daar is de beperking en de begrenzing al. Daar is de formuleering en verklaring reeds.
„Gods openbaring in Christus", dat is het uitgangspunt.
Hier spreekt men over God. Maar wie is God?
Hier spreekt men over Christus. Maar wie is Christus ?
Hier spreekt men over openbaring. Maar wat is dat ?
Arme Ethische ! Nu moet ge toch ook aan 't verklaren, omschrijven, formuleeren. En wel van dingen, die ouder zijn dan een paar dagen of een paar jaren. Om zoo eigenlijk in 't zelfde schuitje te komen van onze gereformeerde vaderen, die in de belijdenisschriften over hun geloof en over het ware Godsleven hebben gesproken, zeggende : bijgelooven met het hart hoort belijden met den mond. (Art. 1 Ned. Gel. Bel.)
Het confessioneel element van den godsdienst kan ook zelfs een ethisch-mensch niet negeeren ! En ook „de ethischen" zullen met hun confessie moeten komen!
En wat verstaat de Ethische Vereeniging dan b.v. ondier : „Gods openbaring in Christus ? "
Prof. Obbink, mee een van de oprichters van de Ethische Vereeniging, geeft in „Berg opwaarts" terloops een verklaring daarvan, en zegt — zonder er veel praat over te maken — : „de Vereeniging neemt dus haar uitgangspunt in de Heilige Schrift, als oorkonde van Gods openbaring, maar wil niet blind zijn voor de lessen der geschiedenis."
Wat dat laatste hier te beteekenen heeft ?
We 'hopen niet, dat het zooiets „pedants" is ; waarin zou liggen, dat andere partijen of richtingen, en dan bizonder de confessioneelen en de gereformeerden natuurlijk, zulke uilskuikens zijn, dat ze met de oogen in den zak loopen, en van alles wat er geschied ds en nog dagelijks geschiedt, niets, letterlijk niets zien en opmerken en leeren willen. Die zitten maar op wat verdroogde, harde, smakelooze, drie honderd jaar oude formules te knabbelen. Anders doen ze niets Eigenlijk deugen die stroeve, saaie, taaie, formules-knabbelende mummies dan ook nergens beter voor, dan maar bijgezet te worden in een museum van oudheden naast de Romeinsche en Grieksche Koppen b.v. die ook allen met gesloten oogen u aangapen ! Een leuke aanvulling van den catalogus.
Neen, dan die ethischen ; dat zijn nog eens menschen „up to date" ! Die hebben de oogen open ! Doch dat zal het wel niet beteekenen. Dat willen we dan ook maar verder laten rusten.
Maar dan is het toch opmerkelijk, dat het er zoo bijgebracht wordt, als men het heeft over „de Heilige Schrift, als oorkonde van Gods openbaring." Naderend tot die Heilige Schrift moet men niet blind zijn voor „de les sen der geschiedenis." Uitgaande van die oorkonde van Gods openbaring, moet men bedenken, dat de menschen vóór 300 jaren dien Bijbel anders zagen dan wij hem te zien hebben. De Bijbel moet met z'n tijd meegaan, anders gaat de tijd niet mee met den Bijbel!
Doch daarover later nog wel wat. Wat ons nu het meest verwondert in de verklaring van prof. Obbink is dit: te Utrecht heeft de Vereeniging gezegd, „we willen uitgaan van Gods openbaring in Christus" en prof. Obbink schrijft nu „dus gaat de Vereeniging uit van de Heilige Schrift, als oorkonde van Gods openbaring."
Te Utrecht werd Christus genoemd en de Bijbel niet.
Door prof. Obbink wordt de Heilige Schrift genoemd en Christus niet.
En prof. Obbink verklaart : Gods openbaring in Christus = de Heilige Schrift, aïls oorkonde van Gods openbaring.
't Schijnt dus precies hetzelfde te zijn (er staat dan ook „de Vereeniging neemt dus haar uitgangspunt in de Heilige Schrift enz) of men zegt : „Gods openbaring in Christus" of „de Heilige Schrift, als oorkonde van Gods openbaring."
Maar daar zijn dan toch wel een paar vragen bij te doen ? Wat is openbaring ? Wat is Gods openbaring in Christus ? Wat verstaan we onder de Heilige Schrift ? Waarom wordt de Heilige Schrift oorkonde van Gods openbaring genoemd ? Is de Heilige Schrift precies hetzelfde als Christus en Christus precies hetzelfde als de Heilige Schrift ? Dat men het eens uitlegge
En dan moet men natuurlijk over dezelfde dingen gaan spreken als in onze Gereform. belijdenisschriften voorkomen ; over dezelfde zaken, als we vinden in een geref dogmatiek.
We kunnen dan tegelijk weer zien, dat het gelooven met het hart niet zonder het belijden met den mond kan ; en het zal er dan om gaan, hoe men in deze overeenstemt of verschilt met de confessie onzer Gereformeerde Kerken.
Nu is het al dadelijk een heet-hangijzer voor de ethischen als ze ter biecht moeten komen en zeggen wat zij denken van de openbaring en welke hunne Schriftbeschouwing is. De historie waarschuwt ons dan, om op onze quivive te zijn. (We letten óók op de lessen der geschiedenis !)
De vroomheid wil boven de Schrift uit — laten we dat maar aanstonds zeggen. Men noemt het Roomsch om een geschreven Boek met autoriteit te bekleeden. En het heet Protestantsch om van het geweten te spreken en van de Godsopenbaring in het harte der vromen enin het midden der gemeente. De Geest gaat boven de letter, oordeelt men. Heel het „theologisch kleed" kan men dan ook .desnoods wel missen, men bewaart den schat toch dn het hart!
Of men dan den Bijbel niet eert als Gods Woord ?
O, zeker! In den Bijbel is Gods Woord. In den Bijbel vindt de geestelijk-aangelegde een verzameling van ervaringen der geloovigen onder alle omstandigheden des levens opgedaan ; en in het Nieuwe Testament is bewaard hetgeen de oude, oorspronkelijke, eerste Christelijke gemeente heeft ervaren. In den Bijbel hebben de geloovigen : Mozes, David, Jesaja, enz. neergelegd en gedocumenteerd wat zij hebben gezien, gehoord, geloofd en beleden. In den Bijbel ligt alzoo voor ons — zoo zegt de Ethische — de verklanking van de geestelijke ervaringen der geloovigen en der eerste Christengemeente. En het Nieuwe Testament, dat de vervulling geeft van de doorloopende profetie van het Oude Testament, is de naklank uit de eerste gemeente, die getuige geweest is van de geboorte, den dood, de opstanding en de hemelvaart van den Heiland. En in haar heeft de Heilige Geest krachtiger gewerkt dan in eenige andere peniode.
Zoo is de Bijbel het Boek der boeken.
Het gaat zeer zeker vér boven andere boeken uit.
Maar dat bedoelt de ethische dan toch in heel anderen zin dan de gereformeerde. Want de ethische spreekt 't liefst van Gods Woord in den Bijbel, terwijl de gereformeende zegt: de Bijbel is Gods Woord.
De gereformeerde spreekt daarbij met art 3 van de Ned. Gel. belijdenis aldus : „Wij belijden, dat dit Woord Gods niet is gezonden, noch voortgebracht door den mensohelijken wil ; maar de heilige mannen Gods van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken." 2 Petr. 1 vers 21. En verder : „alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof naar dezelve te regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij gelooven, zonder eenigen twijfel, al wat in dezelve begrepen is en dat niet zoo zeer, omdat de Kerk dezelve aanneemt en voor zoodanig-houdt, maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn." (Art. 5).
Niets „Roomsch" dus.
Want de gereformeerde zegt, dat niet de Kerk aan den Bijbel autoriteit .geeft, maar dat de Heilige Schrift de goddelijke autoriteit in zichzelf heeft.
Echt „Ethisch" tegelijk.
Want de gereformeerde zegt, dat we den Bijbel houden voor Gods Woord, inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest in onze harten getuigenis geeft, dat zij van God zijn
Maar de ethischen staan in deze anders.
Want ook zij spreken van „de Heilige Schrift", zooals prof. Obbink.
Maar als wij vragen wat zij er eigenlijk voor een Schriftbeschouwing op na houden dan willen we even, na art. 3 en art. 5 van onze Ned. Geloofsbelijdenis gelezen te hebben, óók even luisteren naar hetgeen dr. Daubanton in 1881 schreef over de inspiratie en de goddelijkheid der Heilige Schrift. Toen schreef de tegenwoordige Utrechtsche kerkelijke hoogleeraar :
„Hoe komt het, dat ik zulk een inspiratie bij het schrijven niet aanneem ? Hieraan ligt het : Johannes zegt er me niets van ; de Schrift leert het me niet in eenige positieve uitspraak. Nergens lezen we dn de Heilige Schrift, dat, bij het teboek stellen der Heilige Schriften eene gansch bizondere inwerking van den Geest Gods, onderscheiden van de gewone leidingen des Geestes, den geloovige te beurte vallend, op de Bijbelboekschrijvers plaats vond."
Hier komt dus het verschil in Schriftbeschouwing duidelijk uit en springt het in het oog, dat de Bijbel, de Heilige Schrift, in een ander licht komt te staan voor den gereformeerde als voor den ethische.
Geen wezenlijk verschil tusschen de Bijbelboekschrijvers in hun spreken en getuigen en de geloovigen van den tegenwoordigen tijd.
Geen bizondere werking des H. Geestes in het te boek stellen van het Woord Gods, van de Heilige Schrift, van den Bijbel.
Dr, Daubanton spreekt dat dan ook royaal uit ais hij verderop zegt: „David was dichter. God gaf hem de gave der poëzie. Welnu. Een dichter vertolkt in muziektaal zijn lief en zijn leed, zijn geestelijk struikelen en vallen en weer opstaan. Bij den geloovigen dichter heeft dit plaats onder de leiding en bezieling van Gods Geest, die met de vrienden Gods is.
David tokkelt de snaren zijner harpe — Da Costa deed het ook. Nu zie ik niet in, waarom wij een onderscheid moeten maken tusschen den dichterlijken Koning David en den koninklijken dichter Da Costa.
David was een zondaar — Da Costa ook.
David kende zichzelf voor God als zondaar — Da Costa ook.
Des Heeren Geest sprak tot David van vergeving, van genade — Da Costa geloofde met zijn Nathanaëls ziel in het Evangelie van den rijken Christus voor een arm zondaar.
In Davids hart was er dankbaarheid jegens God en een opspringen in den Heer — Da Costa vergat de derde afdeeling van den Heidelbergsehen Catechismus niet. God liet in David de gaven zijner dichtkunst schitteren — ook Da Costa's genie zei ons, dat de Heer groot is in Zijne werken, vooral in Zijne menschelijke schepselen.
Davids psalmen zijn mij het Woord onzes Gods. Dat wil zeggen, dat in zulke omstandigheden als waarin David verkeerde, de gelooviige onder den invloed des H. Geestes zóó dicht. Da Costa's zangen zijn mij evenzeer het Woord onzes Gods.
Ach, waarom hier loketten gemaakt en het heilig naamcijfer Gods gedrukt wèl op dit gedicht, maar niet op dat, als ze toch beiden uit God zijn ? "
Dat laat aan klaarheid niets te wenschen over !
Dan kan men aan tafel evengoed de gedichten van Da Costa lezen als de psalmen Davids. Dan kan men op den kansel evengoed de woorden van Spurgeon leggen als den Bijbel. Dan wordt het woord van vader Brakel gelijkwaardig met het woord van Paulus.
Van een bizonder werk van God den Heiligen Geest ten opzichte van en in de Bijbel boeksohrijvers is dus geen sprake.
Van een werking Gods, geheel onderscheiden aan de werking des Geestes in de harten der geloovigen, wil men niet weten. Van een wezenlijk onderworpen zijn van alle menschelijke geschriften aan de autoriteit van de Heilige Schrift, blijft niets over zoo.
Maar daarvan verschillen wij principieel. En de ervaring van den geloovige, het geschrijf van Chantepie de la Saussaye, het woord van Gunning of van wie ook — hier zijn Brakel, Comrie, Erskine of wie ook niet uitgezonderd — moet steeds en overal getoetst en onderworpen worden aan de Heilige Schrift, het geheel eenige, heilige, onfeilbare Woord Gods, dat het Goddelijk Boek is voor alle tijden, voor alle standen, voor alle. geslachten, voor alle plaatsen.
Daarom is voor ons niet in den Bijbel Gods Woond, maar de Bijbel is Gods Woord. En héél de Schrift, van God ingegeven, is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is, opdat de mensch Gods volmaakt zij tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust!
Hierin is een scherp en diepgaand onderscheid tusschen hetgeen de ethische en de gereformeerde belijdt.
Als zij beiden met hun Schriftbeschouwing komen, en gaan spreken over de bovennatuurlijke Godsopenbaring, dan loopen hun gevoelens ontzaggelijk uit elkaar.
Of heeft dr. Cramer van Den Haag b.v. niet gezegd, dat het een „standpunt des ongeloofs" is, om voor den Geest die levend maakt, de letter, die doodt, in de plaats te stellen ; wat geschiedt, als men den ganschen Bijbel voor waarachtig en onfeilbaar houdt. Dat is een theorie des ongeloofs, gemaakt door een Kerk, voor welke het levende Woord Gods ging verdwijnen.
Men houdt het dus liever met het levende Woord Gods in de harten der geloovigen, dan met den Bijbel als zoodanig, die ge noemd wordt „de letter, die doodt."
En wat wonderlijke beschouwing dr. Cramer ook heeft van dien Bijbel, door God ingegeven, blijkt wel als hij in een van zijn critische preeken zegt (in de 4de) : „Gij zult moeten toestemmen, dat wij van geen enkel woord en van geen enkele daad van Jezus met volkomen zekerheid kunnen zeggen : zóó heeft Jezus gesproken, dat heeft Hij gedaan." '
Hier is dus dr. Cramer, de ethische dominee, geheel scepticus geworden.
Voor hem heeft niets zekerheid meer. Wat Johannes gelukkig anders wist. En Lukas spreekt óók anders.
Intusschen weten we nu, dat we uit onze oogen moeten zien, als van ethischen kant gezegd wordt : „we nemen ons uitgangspunt in de Heilige Schrift, de oorkonde van de Godsopenbaring."
(Wordt vervolgd).
Om de eere Gods.
Van de stroomingen, waarin de Hervorming is uiteengegaan heeft de Calvinistische zich het sterkst gehandhaafd en is het diepst en het verst doorgedrongen.
De uitbreiding van de Kerkhervorming over het Westen en vandaar naar de nieuwe wereld is ten deel gevallen aan het Calvinisme ; en het moet heden ten dage als de eigenlijke hoofdmacht van het Protestantisme beschouwd worden.
Hierbij springt in het oog de werkzaamheid der geloovigen.
Bij Luther gaat het om de zaligheid en de heilszekerheid van den enkele. „Hoe word ik zalig", daar draait voor ieder alles om. En in verhouding daarmee is alle overige werkzaamheid slechts overgroote vruchtbaarheid van het geloofsleven ; maar die werkzaamheid is niet zelfstandig doel bij den Lutheraan.
Wijl echter bij het Calvinisme niet .de zaligheid van het schepsel, maar de eere Gods in het middenpunt staat, openbaart voor hem de echtheid des geloofs zich in de verheerlijking van God op elk terrein des levens. De vaste wetenschap der goddelijl(e verkiezing leidt tot practische werkzaamheid bij den gereformeerde. Het geloof aan de uitverkiezing is bij hem niet een rustpunt ; brengt het werken der menschen niet tot stilstand, maar oefent juist aandrang tot onverpoosde werkzaamheid op elk levensgebied. De eere Gods te dienen in heiligmaking en verbreiding van Zijn Naam is de nooit voleindigde taak, die de uitverkorene zich gesteld ziet.
De geloovige rust niet uit in het heerlijk besef van zijne zaligheid, zich overigens voegende in de wereldordeningen, zonder daarin diep door te dringen, maar voelt zich geroepen juist daarop in te gaan ; wil die zoo noodig vervormen tot zuivere uitdrukking van Gods wil.
De Calvinist behoeft daarbij niet God vast te houden, maar weet, dat hij door 'God vast gehouden wordt.
Hij heeft niet het goddelijk leven te bewaren, maar dit te openbaren.
Zóó wordt de mensch tot rustelooze werkzaamheid geprikkeld ; gedwongen buiten zichzelven te gaan en zijn hart en hand, oog en mond te richten op objectieve doeleinden ; op 't hoogste van alles : de eere Gods !
Dat is de kracht en de beteekenis van persoonlijk bezit van het geloof. Dat doel sterkte vinden in de verkiezing ; dat geel verantwoordelijkheidsbesef ; dat doet kennen de verplichting om, onder de heerschappij van Christus, God te dienen.
De wereld is bestemd te dienen tót verheerlijking van God.
Daartoe strekt dan ook alle arbeid van den gereformeerde, ook alle maatschappelijk werken.
En het individualisme, dat in de uitverkiezing ligt, werkt zich óp — hoe moeilijk dit schijnbaar vereenigbaar is — tot de organisatie welke er naar staat, dat de wereld gelijk God dat wil, Hem zal dienen naar Zijn Woord.
Om de éénheid te bewaren.
Om de éénheid te bewaren. Het Calvinisme heeft geenszins bedoeld van stonde aan zelfstandig tegenover alle stroomingen der Hervorming op te treden. Het wilde oorspronkelijk niet anders zïjn dan zuiver, het gansche Protestantisme in zich opnemende, Lutheranisme. Ook aanvaardde het wat de Doopersche richting aan waarheid bevatte, te weten de praktisch sociale inrichting der gemeente. Daardoor kreeg het tevens aanraking met de Zwitsersche Hervorming. Slechts wilde het Calvinisme het grondbeginsel van Luther,in alles naar Gods Woord te handelen, beslist doorvoeren.
In Geneve zelf ten strengste aandringt' de op éénheid van leer en op kerkelijke tucht, meende Calvijn toch, door zekere schikking over meer ondergeschikte bijzonderheden, de verschillende landen en Kerken in den grooten bond van het Protestantisme te kunnen vereenigen. Het verzet der Duitsche Lutherschen en het zelfstandig optreden van het Anglicanisme hebben het Calvinisme tot afzonderlijke gezindte gemaalt. Het zijn de Lutherschen die de gemeenschap hebben verbroken en zich van het Calvinisme gescheiden hebben als van eene ketterij, erger dan die van Mahomed en Nestorius.
(Troeltsch, Die Soziallehren der christlichen Kirche und Gruppen, 1912. Zie blz. 605— 794 waar het Calvinisme besproken wordt)
Op dit streven van Calvijn naar éénheid met de gansche Hervorming heeft ten onzent ook prof. Rutgers de aandacht gevestigd ; welk streven scherp is uitgekomen, toen van Luthersche zijde ook te Wesel de heilige oorlog tegen de gereformeerden gepredikt is en het de vraag gold, welke de houding der gereformeerden moest wezen tegenover de voorstanders der Augsburgsche Confessie. „En nu is opmerkelijk" aldus prof. Rutgers, „dat Calvijn te dien aanzien, niet slechts hier, maar ook overal, niet slechts nu, maar ook levenslang, zeer verdraagzaam en ruim was, nooit sectarisch of separatistisch, maar in vollen zin katholiek. Voor de éénheid der Kerk, ook in haar uitwendig optreden, heeft hij altijd geijverd. Hij heeft altijd .gestreden, niet slechts tegen allen die de Kerk van haar fundament wilden afbrengen, maar ook evenzeer tegen allen, die de Kerk als het ware in afdeelingen wilden laten uiteenvallen."
Calvijn bedoelde de oude bestaande Kerk, de Kerk; van Christus te zuiveren van alle onschriftuurlijke inmengselen, in vereeniging met allen, die de gedachte der Hervorming beaamden.
Die intusschen het beginsel der Hervorming het zuiverst tot openbaring hebben gebracht en het krachtigst hebben voorgestaan en verwezenlijkt, zijn de gereformeerden, die in Calvijn hun geestelijken vader vinden.
(Zie „Het wezen van het Calvinisme", van prof. Fabius.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's