De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

15 minuten leestijd

De opening Uwer woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende. Psalm 119 vers 130.

HERVORMING. *)

Als wij de vraag stellen waarom wij telkenjare gedachtenis vieren van dat roemrijke feit in de ihistorie der Christelijke Kerk, dan ligt dit antwoord voor de hand : omdat de Hervorming ons bracht verlossing van werkheiligheid, schepselvergoding en priesterheerschappij.

Immers in deze drie woorden is samengevat de zonde van de Roomsche Kerk van toen , van nu en van alle tijden.

Zielen van menschen waren gebonden aan menschelijke banden, van priester en Kerk.

Een menschelijk juk werd opgelegd, moeilijk om te dragen, een juk van inzettingen en leeringen, geboden van menschen.

Dat juk heeft Luther afgeworpen en daar voor in de plaats een ander juk aanvaard, een goddelijk juk, het juk van Gods Woord, een last, naar des Heilands woord licht om te dragen.

Dat Woord had hem aangegrepen en over meestend, en met dat Woord moest hij er doorheen, door al de menschelijke inzettingen en dwalingen tot de vrijheid, den vrede en de blijdschap van een christenmensch.

Hoe heerlijk heeft hij dat Woord genoemd „de schat der Kerk", het heilig Evangelie, dat God had gegeven tot zegen en vertroosting van Zijn volk !

Echte Hervormde menschen bezingen dan ook gaarne den lof van dat Woord en danken den Heere bij elke gedachtenisviering, dat het Hem beliefde dat Woord weer terug te geven aan Zijn volk, opdat het zijn naar Gods wil en leiding toegewezeri eereplaats weer zou ontvangen onder de belijders van den God onzer vaderen.

Ook wij stellen dat Woord dus in 't midden, en wij luisteren naar twee dingen, n.I. naar het wonder dat God Zijn Woord opent en naar den zegen, die daardoor in het leven ervaren wordt.

In noem het een wonder dat God in de tijden der Reformatie zijn Woord weer liet vinden en opende.

Dat zult gij mij toestemmen als gij den tijd kent waarin de van God geroepen Hervormer optrad.

Slaan we over wat er aan dien tijd voorging en vestigen wij den blik lop het leven van de-tijdgenooten van den vermaarden monnik, dan ontdekken we een viervoudig, droevig verschijnsel.

Immers, het was een tijd van onkunde en bijgeloof, niet ten onrechte „de zwarte tijd" genoemd, een tijd van gisting op staatkundig terrein, van zedenbederf onder alle standen niet het minst onder den geestelijken stand, een tijd van concentratie van macht, speciaal van den pauselijken stoel.

En in dien tijd van diep geestelijk verval en geestelijke ellende heeft er een geestelijk opwaken plaats gevonden als nooit is aanschouwd, een geestelijk zien van de dingen en een beleven van de waarheden uit Gods Woord, tevoren bij de menigte der menschen onbekend.

Hoe en waardoor ?

Door het eenvoudige feit, dat de Heere 'oogen opende van een Luther voor de waarheid van het getuigenis, en hun het geestelijk houvast gaf aan de openbaring van Christus.

Gods Woord werd een levend woord voor zijn ziel. Kwijnde zijn leven tevoren weg in de kloostercel bij het gezicht op zijn zonden en zonder uitzicht op den weg der verlossing, toen hij dat boek vond en zijn zielsoog ontwaarde de heilgeheimen van het verbond der genade, toen leefde hij op, want de waarheid die naar de godzaligheid ' was, werd de dagelijksche spijze zijns harten.

Zelf heeft hij ervan getuigd : „de woorden der Schrift snelden mij tegemoet van allen kant, lachten mij toe en sprongen vroo lijk om mij heen." En wij kunnen ons voorstellen hoe groot de blijdschap zijner ziel was, toen hij antwoord vond op de bange worsteling zijns harten, n.I. dat hij gerechtvaardigd kon worden door het geloof, in de volkomen genoegdoening van Christus. Maar als er leven is, is er ook kracht. Men heeft er wel eens over getwist, wat er in Luther meer te bewonderen was, de moed om te beginnen of de kracht om te volharden. Naar onze meening geen van beide, maar wat hier te bewonderen is, dat is dit wonder, wat God van een mensch maken kan, dat Hij van een kruipenden monnik maakt een held des geloofs en een krachtig hervormer.

Dat geopende Woord werd zijn levenskracht en hij verstond het woord uit den Hebreërbrief : „dat Woord was levend, krachtig en scherpsnijdend."

Maar als het Woord opengaat, gaat ook het hart open. Toen hij houvast aan de Schrift kreeg, ontving hij ook daardoor leven in zijn ziel. Hoe is Gods kind juist in den eersten tijd van het geestelijk leven soms zoo bijzonder gesteld ! Wat een rijkdom en blijdschap is er dan in den Heere te vinden, hoe vatbaar voor levende indrukken, hoe ontvankelijk voor nieuwe mededeeling der genade Gods ! 't Is een huppelen van zielevreugd, waar zij een lang gekoesterden wensch des harten, als verhooring op het gebed, verkregen.

En ten derde, gaat het Woord open en daardoor het hart, als van zelf wordt dan ook de mond ontsloten tot blijmoedig getuigen.

De droom van den keurvorst over de pen van een monnik ds wel bewaarheid. Duizende pennen zijn niet alleen in beweging gebracht door zijn omkeering en arbeid, maar zijn eigen woord was als de pen van een vaardig schrijver en heeft weerklonken op alle deelen der aarde.

En overal sloeg dat woord in, overal vond hij aanhang en vond dat woord een plaats in het hart. Iemand zei daarom terecht : dat de reformatie aan alle kanten tegelijk begon. En voorwaar, Gods werk is geen dwarrelende sneeuwvlok die smelt zoodra ze op aarde valt, maar een lawine, die zich met donderend geraas naar beneden stort en alles meevoert in haar vaart.

Als dat Woord inslaat dan steekt het harten in brand, dan worden de tongen losgemaakt. Dan wordt de geloofsstrijd aanvaard en de oorlog verklaard aan alles wat met 's Heeren getuigenis in strijd is.

Ook in ons vaderland is dat gezien. Er kwam nieuw leven, en de getuigen, aangegord door 's Heeren kracht, gingen er op uit; overal werd het nieuwe licht ontstoken en werden harten gegrepen, bekeerd en geheiligd.

Dat is de geestelijke zegen der reformatie geweest. De Heere had geopend, en wie zou dan sluiten ? De Heere was aan de spits getreden en in Zijn kracht werd de strijd gestreden, het geloof beleden en de zegepraal verwacht.

Wat ligt daarin een ernstige prediking voor onzen tijd ! Het ziet er op het terrein van godsdienst en kerkelijk leven zoo droef uit. De splijtzwam der verdeeldheid heeft doodschheid en onverschilligheid ten gevolge gehad. Van' opbloeiend en frisoh getuigend leven is schier geen sprake meer! Het schijnt alsof woord, hart en mond gesloten zijn en blijven. Als de menschen gaan hervormen dan is het over de Kerk, van harten-reformatie wordt op veel plaatsen niet eens meer gewaagd. Om den zuiversten Kerkvorm is het maar te veel te doen, en het is goed, daarop acht te geven, maar wat zal het baten als het hart onkundig blijft van de noodzakelijkste levensleering?

Omdat de Bijbel een gesloten boek is, blijven de harten gesloten, en is de mond ongeneigd en onbekwaam om te spreken.

Waar de waarheid van Gods Woord niet meer beleden wordt strekt doodschheid zich uit over de zielen en is er geen behoefte om van geestelijk ervaren te getuigen.

Maar omgekeerd, op de opening des Woords voor de ziel, völgt harteopening voor den Heere en komt er belijdenis des monds, Gode welbehagelijk.

En de breede schare der getuigen gaat uiteen, verkondigende Gods genade voor zondaren, Gods heil voor Zijn Gemeente, opdat het uitgestrooide zaad onder den zegen Gods alom straks in rijpe levensvrucht omgezet bloeien zal ter eere van Hem, die door Zijn Geest harten bereidde tot Zijn lof en eer.

Maar van een anderen zegen wordt hier ook gewag gemaakt als de dichter zegt : „De opening Uwer woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende."

Waar komt het licht vandaan ? Van God, want God zeide : „daar zij licht en daar was licht", en op den vierden dag stelde de Heere de zon tot een licht des daags en de maan tot een licht des nachts.

Maar geestelijk is het toch niet anders ?

Alle licht komt van Boven, van den Vader der lichten, bij Wien geen verandering is of schaduw van ommekeer. Zal dat licht echter in vroolijken glans het hart bestralen, dan moet de zondaar eerst zich bewust zijn van eigen duisternis. Daarom staat in de Hervormde leer de kennis der zonde voorop.

Neen, de Hervormers houden niet van schepselvergoding en menschenverheerlijking Naar de uitspraken der Waarheid Gods leggen zijn in hun prediking den zondaar neer in zijn doodstaat en doemschuld, teekenen zij den mensch zooals hij is, gevallen in de zonde, verloren voor God en de eeuwigheid, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.

En bij Gods licht leert de mensch eigen duisternis allereerst. Een hervormde prediking naar den eisch van Gods Woord en de belijdenis, zegt dat wij geboren zondaren zijn, die onzen weg dagelijks bederven, zondigende in gedachten, woorden en werken, en ontziet zich niet aan te zeggen een rechtvaardig oordeel Gods, dat gaan zal óver allen, die 's Heeren weg stout en snood hebben veracht.

Maar die prediking blijft nooit staan bij de kennis van zonde alléén. Want „in Uw licht zien wij ook het licht." En dat licht is 't licht der ontdekking niet alleen, maar ook 't licht der vertroosting. Zacharia heeft gezongen van dat licht voor elk die in het duister dwaalt, en een ziel, die den Heere mocht vinden of liever van den Heere gevonden werd, kan het met niets minder doen dan met dat licht, dat opgegaan is in Bethlehems kribbe. De prediking van den vromen christen is niet die der hervorming, maar van later datum en in gansch anderen tijd ontstaan, doch de prediking van den rijkdom van Christus was die van een Luther en een Calvijn, en is ook de eenige, die waarlijk rust en vrede brengt voor het zuchtend en strijdend hart. Daarom is dat licht ook het leven. Geestelijk leven is geestelijk contact hebben met Christus en leven uit een geestelijke gemeenschapsoefening met den levenden Christus. Uit Zijne volheid ontvangen zij genade voor genade. In Hem ligt  hun vastigheid en steun, door Hem verkrijgen zij vergeving van zonden, en in Hem is de toegang tot den Vadertroon ontsloten. Het echte Hervormde leven, het leven der waarlijk van God gereformeerde menschen is licht-leven, liefde-leven, dus zalig leven. Wat zij leven, dat ieven zij den Heere, door het geloof van den Zone Gods, die hen liefgehad heeft en Zijn ziel voor hen heeft gegeven in den dood des kruises.

Wilt ge er meer van weten ? Welaan, dat leven geeftook vrede. Luthers strijd was een innerlijke, geestelijke strijd om den vrede zijner ziel. En elke van Gods Geest aangeraakte en bewerkte ziel zucht: hoe zal ik vrede met God bekomen, vrede voor mijn hart en vrede voor de eeuwigheid ? Om dien vrede te bekomen gaat het in de worsteling vaak zoo diep en is het menigmaal zoo bang. Maar geen nood, al worstelende komen ze boven en als het licht van het Woord maar diep valt in de donkere schachten van het menschenhart, en de heerlijke openbaring van Christus maar gesmaakt wordt, dan is er groate vrede, vrede door het bloed des kruises, vrede, omdat ze met God in Christus verzoend zijn. Wie dien strijd niet kent, verstaat Luther niet, maar zie ook wel toe of hij door den rechten weg tot de wetenschap van zijn kindschap en tot de zekerheid des heils gekomen is.

Leven, licht, vrede, ziedaar dus de drie voudige heerlijke vrucht van de opening des Woords voor de ziel Zijner beminden.

Zullen we er nog een gedachte aan toevoegen ? Gij weet, dat de gedachte van het werk in den strijd der Hervorming 'n groote plaats heeft ingenomen in de gedachten der uitgeleiden uit het diensthuis der Roomsche Kerk. Met dat werk zaten ze verlegen ? Rome leerde : werken om te verdienen. Maar de Heere lichtte Zijn knechten beter in en in de schoone prediking der reformatie klonk het anders : werken omdat er verdiend is. En geloofswerken uit de vrucht van waar zaligmakend geloof om Gode welbehagelijk te leven werden gezien en gekend. Het werd een geloof, door de liefde werkende. En daarom zaten ze niet terneder in vadsigheid en lauwheid, in onverschilligheid en hooghartigheid, maar sloegen ze de hand aan het werk, om, als de Apostelen weleer in den naam van Christus te getuigen van aangebrachte genade, verworven vrede, en volkomen werk der zaligheid door Hem gewrocht. En zoo blijft het nog voortgaan bij allen die den Heere vreezen. Medearbeiders van Christus te zijn is hun hoogste begeeren, liefste lust, en naarstig bedoelen.

Zoo worden hervormde menschen ook woordpredikers en lichtdragers. Zoo worden de Hervormers overwinnaars op alle terrein des levens, hoewel zij naar Luthers getuigenis slechts waren „arme bedelaars aan den troon der genade."

Maar ziedaar nu aller roeping, bijzonderlijk van hen die in de opening des harten, het licht Gods, en den vrede Gods en het leven Gods mochten ontvangen. Lichten op den kandelaar te zijn, en een stad op een berg, dat is de dure roeping waarvoor zij gesteld, het onschatbaar voorrecht waartoe zij verwaardigd worden.

Nu staat er ten slotte nogééne bijvoeging bij die we niet mogen overslaan : „de eenvoudigen verstandig makende". Weet gij wat daaruit spreekt ? de taal van den rijken zegen voor alle 's Heeren kinderen. Want die zegen is niet voor de wijzen, noch voor de verstandigen.

De geleerde wereld ook in onze dagen blijft zich ergeren aan dat kruis van Christus, 't is hun een ergernis, gelijk den Grieken in Paulus' dagen, en de vrome wereld vindt de dwaasheid van dat kruis zoo groot, dat ze — als de Joden weleer, liever zich vermaken, in de werken der eigengerechtigheid ; zelfs wordt een deugdprediking als van het verflauwd' en verwaterd hervormd christendom, gesteld boven de prediking van waarheid, gerechtigheid, genade en vrede.

Maar - voor een ziel, die in eenvoudigheid nog buigt voor het Woord, en zich laat beïnvloeden door den Geest der genade, is er geen grooter zegen, dan de zegen der kruisverdienste van Christus, van Zijn borg tochtelijk lijden en Zijn schulddelgend, ziels reinigend bloed.

En wonderlijk is het, hoe dat licht ware wijsheid schenkt, en verstand geeft in de kennis en de wegen Gods. Ja, dan is er geen wandel in de duisternis, maar een getuigen van het Licht, en die het zalige voorrecht ontvangt om uit dat licht-en liefdeleven te leven, die wordt onderwijzer voor anderen, voortbrengende uit den schat des harten, oude en nieuwe dingen, schatten van wijsheid en kennis, in Gods weg geleerd en anderen tot zegen en zaligheid.

Maar die zegen is ook de zegen des gebeds en der blijvende verootmoediging. Gods kinderen zijn geen groote en hooge menschen bij zich zelf. Ze hebben en houden en leven in diepe afhankelijkheid van Hem, die hen leerde van den weg der genade. Uit Zijn bron moeten ze altijd weer putten, door Zijn licht bestraald worden, en door Zijn leven gevoed en gesterkt worden. En krachtig in den Heere, mogen ze in Zijn naam en kracht dan arbeiden onder den zegen des Heeren.

Zoo rest de vraag ten slotte : welk leven is het onze ? Nog in de duisternis van ons eigen zondig of vroom bestaan, maar buiten het licht van het Woord en den Geest des Heeren, of door het geopend getuigenis en de troostvolle ervaring der geopenbaarde waarheid Gods ?

Een ontzaglijk verschil, hier en hiernamaals. Een van beide is het altijd : van duister tot de eeuwige duisternis of van het licht tot het eeuwige licht.

Hoevele protestanten en hervormde menschen leven nog uit een Roomsch beginsel, en trachten zich geestelijk op de been te houden met dat ellendige beginsel van „doe wat en geef wat, en 't andere komt vanzelf wel terecht." Is het niet droevig dat er zooveel oppervlakkig protestantsche, eigenlijk inroomsche leer gehoord wordt en daar uit voortvloeiende practijk gezien wordt ? En dat alles zonder de ruimte en den rijkdom en de heerlijkheid, die er in Gods Woord en Zijnen Christus is, te kennen en te smaken ?

Neen, ons ascetisme, onze werkheiligheid zal er ons niet brengen. Wij blijven in de duisternis omdolen, maar bij Gods licht en waarheid zien we het rechte pad.

Storte de Heere dan Zijn licht ook uit in ons hart, en make Hij ons verstandig in Zijne wegen ! De arme zondaar leert een rijken Christus omhelzen, de eigengerechtige vraagt naar het kleed van de gerechtigheid van Christus, en de loondienaar leert rust vinden in het loon van den arbeid door Christus verworven. En hervormd in de ziel gaan we leven uit het altijd doorwerkend zuiverend heiligend beginsel van de reformatie die uit God is en in zondaarsharten wordt verheerlijkt.

Niet te trachten wat voor God te zijn — maar te verstaan wat God voor ons is, en in Zijnen Christus voor ons wezen wil, dat is hervormd leven, belijden, betrachten.

En blijft er dan nog vaak een zielsstrijd te strijden in de eenzaamheid, een levensvraag onbeantwoord, welaan, bij dat Licht licht gezocht, bij dat Woord opening gevraagd, bij dien Christus uw nood geklaagd

In Zijn licht zien wij het licht op elk levenspad en in elk levensvraagstuk, en de opening Zijner Woorden zal licht geven, licht in ons zonde duister, licht in ons hartewee, licht in ons levensprobleem, licht ook op den weg naar het Vaderhuis.

Eenvoudigen wil God steeds gadeslaan. Armen uit genade Zijn hulp ter verlossing schenken, en door opening des harten hun geven te getuigen van dat Licht, dat in de wereld is gekomen, om duistere, ongetrooste en van God bewerkte harten te bestralen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's